Het was voor het eerst dat ik een biografie las over iemand die ik als mens een beetje kende en wiens oeuvre ik goed kende. Op 8 september 2015 pleegde Joost Zwagerman zelfmoord, 51 jaar oud. Nu is er de lijvige biografie Zwaag, geschreven door Maria Vlaar.
Ik ontmoette Joost in december 2000, toen ik in Maastricht aan een proefschrift werkte. Hij zou spreken bij Studium Generale. Zowel Maarten Doorman als Wiel Kusters had om hun moverende redenen bedankt voor de eer hem te interviewen. Of ik die taak op me wilde nemen? Dat wilde ik, en we spraken af dat ik in natura zou worden betaald: met het oeuvre van Joost Zwagerman. Dat was toen al omvangrijk. Zwagerman debuteerde op 23-jarige leeftijd met Kroondomein (1987); tegen de tijd dat ik hem interviewde waren er al vele rellen en relletjes geweest, onder meer rondom de representatie van zwarte vrouwen in zijn roman De buitenvrouw (1994) en over het kritische mediabeeld in Chaos en Rumoer (1997).
Ik was zenuwachtig – als derde keus mag je niet teleurstellen. Ik vroeg enkele collega’s een vraag voor te bereiden, mocht ik haperen. Er kwamen zo’n twintig mensen, onder wie ikzelf, een vriendin en tien collega’s. Wat ik me vooral herinner is dat we na afloop wat gingen drinken. Mijn vriendin uit Alkmaar mocht achter op de bagagedrager bij Joost. Wat ze deed, wilde hij weten. „Huisvrouw”, zei ze. „Dat is leuk”, zei Joost. „En ook dat je uit Alkmaar komt.” Ze voelde zich in het intellectuele gezelschap door hem gezien, en dat maakte haar nog wekenlang gelukkig. Het was een vrolijke avond, waarbij niemand versierd werd en er veel werd gelachen. Iedereen die een vraag had voorbereid, mocht die alsnog stellen in de kroeg.
Ik noem het versieren niet zomaar. In de biografie van Maria Vlaar wordt een beeld geschetst van een aan vrouwen verslingerde Joost die lijsten bijhield van de vrouwen die hij veroverde en de prostituees die hij bezocht. Er rijst een beeld op van een wilde tijd van jonge, viriele mannelijke schrijvers als popsterren op tournee, snuivend en altijd op jacht naar vrouwen. Vrouwelijke intellectuelen deden weinig ter zake, hun rol was die van aanbidder. Het was ook een tijd vol mannelijke competitie en vliegen afvangen (‘literaire polemiek’). Alle disputen van Zwagerman – met onder meer Bas Heijne, Arjan Peters, A.F.Th. van der Heijden, Michaël Zeeman en Stephan Sanders – worden door Vlaar gedetailleerd uitgeserveerd.
De biografie is een ongemakkelijke leeservaring. Bijna té intiem zijn de plastische beschrijvingen van Joosts erotische leven, inclusief de narigheid die zijn overspel opleverde voor zijn huwelijk, wat vervolgens wordt besproken in de relatietherapie. Ongemakkelijk is ook dat de biografe steeds meer genoeg lijkt te krijgen van Zwagerman, en haar ergernis nauwelijks onder stoelen of banken kan steken. Het valt op als Vlaar plots iets aardigs zegt tussen neus en lippen door, bijvoorbeeld dat een stuk van Zwagerman grappig of hilarisch is. Al met al is het portret – excusez le mot – tamelijk dodelijk.
En ik? Ik kan niet anders dan me laten meevoeren en overtuigen door haar vlotte, zakelijke pen, haar feministische blik, en bewonderen dat het haar lukte een overweldigende hoeveelheid materiaal te verwerken in een originele vertelvorm.
Maar er is wel spanning tussen Vlaars kritische portret en mijn eigen vrolijke herinneringen aan de attente gesprekspartner die mijn vriendin voor vol aanzag en het ongelooflijke plezier dat ik beleefde aan het lezen en het duiden van zijn werk. Ik zou nog een oeuvrestuk schrijven en zijn essays bespreken voor deze krant. Het leidde altijd tot een stortvloed aan e-mails van Zwagerman, een gulzig teveel dat nu vermoedelijk als grensoverschrijdend zou worden getypeerd. Hij heeft een generatie lezers, onder wie ik, enthousiast gemaakt voor een type essayistiek dat toegewijd een schrijver of kunstenaar en diens werk op een voetstuk plaatst (het tegenovergestelde van wat Vlaar in haar biografie doet). Ook was hij pleitbezorger van het postmodernisme, dat nu vooral als karikaturaal scheldwoord wordt gebruikt door conservatieve en christelijke denkers, vaak in één adem met ‘woke’. Ik hield en houd juist veel van het postmodernisme, vanwege de speelsheid, het engagement en de filosofische reflecties op de relatie tussen fictie, taal en werkelijkheid.
Met weemoed denk ik terug aan de boekhandelaar die Joosts belofte nakwam en een doos met vijftien Zwagermannen afleverde op de Faculteit der Letteren in Maastricht. De dag nádat het gesprek was geweest.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC