Mentale gezondheid We missen een diagnose die culturele, maatschappelijke en existentiële dimensies van lijden kan verbinden met de individuele ervaring, stelt Damiaan Denys.
Het nieuwe rapport Op de rem! Voorbij de hypernerveuze samenleving van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving klinkt als een dringende waarschuwing. Onze samenleving zou te snel, te prikkelrijk en te prestatiegericht zijn, en dat zou leiden tot een groei aan mentale klachten. Het rapport roept op tot vertraging, verbinding en menselijke maat. Maar achter dat appel gaat een ongemakkelijke vraag schuil die opvallend onbesproken blijft: waarom blijven we versnellen, presteren en individualiseren als we weten dat het ons ziek maakt?
Damiaan Denys is filosoof en psychiater.
Juist die vraag raakt de kern van het probleem. Het rapport benoemt symptomen, maar ontleedt het mechanisme niet. Het beschrijft een „hypernerveuze samenleving”, maar zonder duidelijk te maken welke logica die nervositeit aandrijft. Is het de „versnellingslogica van de moderniteit” (zoals socioloog Hartmut Rosa die beschrijft), de „zelfexploitatiecultuur” (zoals filosoof Byung-Chul Han die noemt), de „meritocratische druk” (zoals filosoof Michael Sandel die aan de kaak stelt), of de neoliberale belofte van maakbaarheid waarover ikzelf veel publiceer? De term blijft breed, normatief en moreel geladen, en daardoor net te vaag om werkelijk richting te geven. Daar komt bij dat het rapport een psychologiserende taal hanteert voor een maatschappelijk fenomeen. „Mentale gezondheid”, „mentale veerkracht” en „mentale volksgezondheid” klinken alsof ze eenduidige begrippen zijn. Maar mentale klachten zijn nooit louter een reactie op externe druk. Ze ontstaan ook uit innerlijke conflicten, relationele dynamiek, identiteitsvragen en existentiële leegte.
Die verschuiving brengt ons rechtstreeks bij de positie van de psychiatrie. De maatschappij verwacht dat zij de mentale malaise opvangt, duidt en behandelt. Maar de psychiatrie beschikt simpelweg niet over de taal of de kaders om culturele of existentiële oorzaken van lijden te beschrijven. Ze werkt met stoornissen, classificaties en behandelprotocollen — noodzakelijk in de medische context, maar ontoereikend voor een maatschappelijk probleem dat zich uitstrekt voorbij individuele brein en geest. Het gevolg is een driedubbele spanning.
Ten eerste kent de psychiatrie een voortdurende identiteitscrisis. Wat is psychisch lijden precies? Waar ligt de grens tussen normaal ongemak en stoornis? Hoe ver reikt de verantwoordelijkheid van de arts wanneer het lijden voortkomt uit maatschappelijke versnelling of verlies van betekenis? De huidige malaise past niet in het klassieke biopsychosociale model. De psychiater herkent het lijden, maar heeft niet het instrumentarium om het te duiden.
Ten tweede leidt dit tot medicalisering. Uitputting wordt depressie, vervreemding wordt angst, overprikkeling wordt ADHD. Niet omdat artsen diagnoses willen plakken, maar omdat er geen andere taal beschikbaar is. Burgers krijgen slechts toegang tot zorg wanneer hun lijden in medische termen wordt geformuleerd. Het gevolg is een paradoxale beweging: hoe meer we proberen maatschappelijke problemen te individualiseren en te medicaliseren, hoe verder we afdrijven van een adequate diagnose van de samenleving. Ten derde ontstaan wachtlijsten die niet het gevolg zijn van een tekort aan zorgprofessionals. Nederland heeft, vergeleken met andere hoge-inkomenslanden, een uitzonderlijk uitgebreid GGZ-systeem. Met gemiddeld zo’n 250 professionals per 100.000 inwoners scoort Nederland veel hoger dan vergelijkbare rijkere landen. Toch wachten jaarlijks tienduizenden mensen maanden tot zelfs jaren op hulp. Niet omdat er te weinig behandelaars zijn, maar omdat het zorgsysteem is ingericht op stoornissen en protocollen — niet op maatschappelijk of existentiëel lijden.
Daarmee ontstaat naast een kwantitatieve, ook een kwalitatieve mismatch: de vraag is maatschappelijk, het aanbod medisch. Burgers ervaren de zorg als ontoegankelijk en vervreemdend; professionals verliezen hun werkplezier omdat de oorsprong van het lijden buiten de behandelkamer ligt. Het rapport signaleert terecht dat versnelling, prestatiedruk en overprikkeling een collectief probleem vormen. Maar het blijft steken in een moreel appel: trap op de rem, verlangzaam, verbind. Dat klinkt sympathiek, maar verklaart niets. Mensen versnellen niet omdat ze vergeten zijn dat ze kunnen vertragen, maar omdat onze samenleving hen structureel daartoe aanzet: economisch, technologisch, cultureel. Versnelling is geen keuze, maar een systeemconditie. Daarom schuren de aanbevelingen van het rapport. Het pleidooi voor vertraging blijft therapeutisch, terwijl het probleem politiek, economisch en cultureel is. De vraag waarom we niet op de rem trappen — zelfs wanneer we weten dat het zou helpen — wordt niet gesteld.
Opmerkelijk genoeg is deze situatie niet nieuw. Rond 1900, in de eerste golf van industriële modernisering, verscheen een diagnose die de zenuwen van hele generaties samenvatte: neurasthenie (‘zenuwzwakte’). George Beard beschreef een uitputting die werd veroorzaakt door te veel prikkels, te veel snelheid, te weinig houvast. De symptomen — vermoeidheid, slapeloosheid, verlies van concentratie, sombere stemming — zijn bijna identiek aan de klachten die we nu „stress” of „burn-out” noemen. Net als vandaag kampte men toen met lijden dat niet paste binnen de medische kaders. Neurasthenie was geen echte diagnose, maar een cultuurdiagnose avant la lettre. De geneeskunde kon het fenomeen niet vatten, omdat het voortkwam uit maatschappelijke veranderingen, niet uit individuele defecten.
In dezelfde periode ontstond echter een nieuw domein dat wél probeerde de relatie tussen samenleving en psyche te begrijpen: de psychoanalyse. Freud las het lijden van het individu altijd tegen de achtergrond van de cultuur. Zijn denken was doordrenkt van moderniteitskritiek: vervreemding, repressie, prestatiedruk, betekenisverlies. Het psychodynamische denken bood geen snelle oplossingen, maar wel een taal. Een taal die cultuur en psyche integreerde. Een taal die het individu niet losmaakte van zijn wereld, maar er middenin plaatste. Die taal missen we nu.
Op de rem! is een belangrijk rapport omdat het erkent dat het mentale niet uitsluitend individueel is. Maar het blijft vastzitten in de overtuiging dat het probleem kan worden beschreven — en misschien opgelost — met meer beleid, meer verbinding en meer vertraging. Toch wijst alles erop dat het probleem dieper zit. We missen een discipline — of op zijn minst een gedeelde taal — die culturele, maatschappelijke en existentiële dimensies van lijden kan verbinden met de individuele ervaring. Een taal die niet vertrekt vanuit stoornissen, maar vanuit het menselijke bestaan. Een taal die niet alleen registreert dat we versnellen, maar begrijpt waarom we niet anders kunnen.
Zonder zo’n taal blijven burgers verdwalen in een systeem dat hun lijden niet herkent, blijven professionals zoeken naar oplossingen die buiten hun mandaat liggen, en blijven rapporten pleiten voor vertraging terwijl ze zelf gevangen zitten in dezelfde versnellingslogica. Wie echt op de rem wil trappen, moet eerst begrijpen waarom we voortdurend gas geven.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC