Memoir Hoe schrijf je over het verlies van een ouder zonder dat het té particulier wordt? Mirjam van Hengel geeft in Ganzentijd woorden aan de onuitsprekelijke band tussen vader en dochter.
Mirjam van Hengel: Ganzentijd. De Bezige Bij. 220 blz. €22,99
Ze fietsen over een dijk, hij op een herenrijwiel en zij op een kinderfiets. Samen zetten ze hun fietsen tegen een boom en lopen de dijk af. Daar omhelst de vader haar, stapt in een bootje en vaart weg. Father and Daughter, een korte film van Michaël Dudok de Wit, vertelt het woordeloze verhaal van een dochter die almaar terugkeert naar dezelfde plek: als jong meisje, als moeder, als bejaarde vrouw. Trouw staat ze telkens op de dijk, een leven lang, om de verdwenen vader iets van haar bestaan te tonen.
„We hielden allebei van het filmpje,” schrijft Mirjam van Hengel in Ganzentijd over haar vader. „Maar ik weet niet of we hetzelfde zagen. Waar ik gemis zie, het meisje dat verbinding zoekt met iets dat er niet meer is en altijd alleen is daar bovenaan de dijk, zag hij denk ik veeleer de vasthoudendheid en duurzame trouw van iemand die een leven lang blijft terugkeren bij wat waardevol is, ook al is het onzichtbaar.”
Nadat haar vader in 2024 overleed kon Van Hengel niet stoppen met kijken naar dat filmpje. Begrijpelijk, want wie de woordeloze tekenfilm aanschouwt kan niet anders dan voelen wat het betekent: die onuitsprekelijke band tussen ouder en kind. Hoe hier in taal uitdrukking aan te geven zonder te vervallen in algemeenheden of te particuliere beschouwingen is lang nog niet zo eenvoudig. Vooral niet omdat er in de afgelopen jaren stapels rouwboeken zijn verschenen die reflecteren op de dood, het gemis of de erfenis van een ouder.
Toch was Van Hengel, toen het haar vader betrof, al in de pen geklommen voor ze er erg in had. Maar niet zonder zich af te vragen wat een lezer heeft aan het particuliere verhaal over haar verlies en haar vader. „Dat mijn rouw ertoe doet voor mij moet ik mezelf steeds opnieuw vertellen”, schrijft ze. „Dat de blik van anderen hier niet telt lijk ik steeds opnieuw te vergeten, voor ik het weet sta ik iemand alweer uit te leggen dat het wel gek is, dat de dood van mijn vader me zo raakt. Ik zeg nog net geen sorry.”
Van Hengel, bekend van biografische boeken over literaire personen (Leo Vroman, Remco Campert, Dola de Jong), realiseert zich dat ze gewend is te kijken door de ogen van anderen en zichzelf te bagatelliseren. En toch zet ze zichzelf nu wel neer, zoekt ze naar woorden, gebruikt ze haar zoekende blik om naar haar leven en dat van haar vader te kijken. Zo komt de lezer langzamerhand meer te weten over Eduard van Hengel, een kernfysicus, vogelaar, Bachspecialist, wetenschaps- en milieufilosoof en wordt tegelijkertijd voelbaar wat het betekent om als dochter een vader te verliezen.
In korte poëtisch geschreven hoofdstukken schetst Van Hengel momenten, zoomt ze in op details, associeert ze op een manier waardoor ze datgene waar het om gaat in een ouder-kind relatie naar de oppervlakte weet te brengen. Het zijn immers de kleine dingen die een kind zo diep kunnen raken en die je als volwassene blijft meedragen. Daarin gaat het nog steeds om haar verdriet en haar specifieke herinneringen, maar met de taal die ze hiervoor vindt weet ze tegelijkertijd weemoed en melancholie op te wekken, woorden te geven aan wat in zo’n relatie vaak onzichtbaar is. Dat is niet particulier, dat is universeel. En dat werkt. Het raakt.
De vijfjarige Mirjam met haar vader Eduard van Hengel.
Van Hengel zet haar vader neer als een man die haar boterhammen smeerde voor ze naar school ging, die met een vakantiebaard in zijn blootje (maar met sandalen) zat te blokfluiten voor de tent of samen met zijn vrouw, tijdens een Extinction Rebellion-demonstratie, het bord ‘FOSSIELEN tegen FOSSIEL’ boven zijn hoofd hield. Hij is bovendien de man die, met zijn liefde voor planten en vogels, haar leerde kijken naar het detail, iets waarvan Hengel schrijft dat ze dit „met de genen heeft meegekregen.” Zo haalde haar vader haar ooit op een zomeravond uit bed zodat ze kon zien hoe de helgele kelken van een teunisbloem zich openen bij zonsondergang. En nam hij haar mee achterop de fiets naar een braakliggend veldje buiten het dorp waar ze leerde over de Grote en de Kleine Beer, over Cassiopeia en Orion.
Toch is deze vader, zoals ze zelf schrijft, ‘geen dromerige zwemmer’ maar ook een relativerende wetenschapper en „een kernfysicus die na de reflecties op de atoombom de status en invloed van de natuurwetenschappen veeleer als een maatschappelijk vraagstuk dan als potentiële oplossing voor problemen ging beschouwen.” En niet alleen dat, hij is ook een man die het volstrekt vanzelfsprekend vond dat er grenzen bestaan voor de materiële kant van het leven.
„De schaarste van de oorlogsjaren heeft zich genesteld in zijn vezels”, schrijft Van Hengel. „Alles moet altijd op, aan het eind van een maaltijd kijkt hij in de pan en zegt: ‘We hebben ieder nog recht op een halve aardappel.’” En dat betekent ook: niet zomaar vliegen, niet weggooien wat nog gerepareerd kan. „Voor het herstel van een oude porseleinen wc-pot reist hij met trein, bus en nog een bus naar een dorp meer dan zestig kilometer verderop waar een verzamelaar een specifiek schroefje levert waarmee het ‘vandalisme’ dat het weggooien van het antieke sanitair zou betekenen, kan worden voorkomen.”
Subtiliteit, weloverwogenheid, principes en vriendelijkheid, dat is waar Mirjam, een kind van actiegemeenschap Sjaloom uit Odijk, mee opgroeit. Een leven tussen „drie krantenabonnementen, de partituren van Bach en gesprekken vol vijf- en zeslettergrepige woorden ’s avonds aan tafel.”
Dat alles is inderdaad bijzonder particulier en sommige passages – zoals uitweidingen over een vals klinkende toonsoort bij Bach – zijn wel heel specifiek, maar het mag, het stoort niet. Neem het spiekbriefje over ganzen, met daarop de afgekorte namen van zeven ganzensoorten, dat haar vader bij zich droeg en de schrijfster als dierbaar aandenken bewaart. Juist zo’n detail staat symbool voor iets universeels want: ‘wat is verlies?’, vraagt Van Hengel zich af. „Je zoekt waarschijnlijk altijd een punt waarop degene die vertrok terug te vinden is. Een moment, een handeling, een voorwerp, een verhaal.” Inderdaad, in zo’n briefje schuilt het verlies, en soms is dat het verlies van een hele wereld.
Het ganzen-spiekbriefje van Eduard van Hengel.
Zo voel je als lezer telkens weer die onzichtbare verbinding tussen vader en dochter. En wat daarbij langzamerhand naar boven komt is de visie die Eduard Van Hengel – op een inlevende manier naar een ander kijken, rekening houden met de toekomst van de planeet – wist door te geven aan zijn dochter. Want haar manier van schrijven en denken getuigt van een soortgelijke, brede blik: zich bewust als mens onderdeel te zijn van een geheel. Ze blijft, net als het meisje op de dijk, terugkeren naar wat dierbaar is, naar wat haar heeft gevormd, naar wat deel van haar is geworden. En dan begrijp je ook, wat het met haar doet, als ze op een ochtend in februari vroeg opstaat om bij het ochtendgloren, zittend op de dijk, te luisteren naar het gesnater en geblaf van duizenden ganzen die koersen naar het grasland achter haar.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC