Herman Brusselmans Zijn nieuwe roman speelt zich af in een café, waar zijn personages steeds terugkeren na een nieuw non-avontuur te hebben beleefd. Ook al gaat het nergens over, geestig is het allemaal wel.
Zoals er af en toe stemmen opgaan om het gebruik van ironie in de literatuur een halt toe te roepen, zo zullen er ook altijd weer mensen opduiken die moeite hebben met de boeken van Herman Brusselmans (1957). Soms vinden ze die lelijk (dat mag), maar er klinken ook klachten uit de prescriptieve school, van lezers die levenslessen of een optimistisch plan voor de werkelijkheid van de literatuur eisen. Die vinden het onverteerbaar dat noch de personages, noch de verteller van de gemiddelde Brusselmans-roman ook maar iets uitkramen waar je ‘iets mee kunt’ – behalve misschien leren om op steeds nieuwe manieren af te geven op vrouwen, homoseksuelen en andere verdrukten die wel een maatschappelijk opkontje kunnen gebruiken.
Herman Brusselmans: Simpele personages. Prometheus, 158 blz. € 15,99
Misschien is het daarom dat Brusselmans zijn laatste werk de titel Simpele personages meegaf: twee woorden waarmee hij ons eraan lijkt te willen herinneren dat het slechts literaire figuren zijn die hij naar voren schuift en laat spreken. Het heeft ook iets van een conceptueel twintigste-eeuws toneelstuk, die titel, en het zal dan ook geen toeval zijn dat Brusselmans zijn helden bij wijze van dramatis personae op voor- en achterplat heeft laten afbeelden en omschrijven: twee weduwes (Mona en Arletta); het adoptiekind Marie-Paté; de ‘speedjunk’ Rosveld; de ‘andersvalide’ Theo; ‘transpersoon’ Julia; ‘baliemedewerkster’ Severine; Anna (‘echtgenote’) en de heren Dorrus en Kleefland, twee rondstruinende gepensioneerden, mopperend op de wereld als Statler en Waldorf uit de Muppet Show, maar dan uiteraard een paar tandjes grover.
De agora van dienst ditmaal is het café van Fristi, De Lobos, alwaar de cast telkens weer naar terugkeert na in de frisse buitenlucht opnieuw een absoluut non-avontuur te hebben beleefd. Iets van een boog of verhalende ontwikkeling zit er trouwens ook in het boek: een van de bejaarden is op zoek naar een verloren gewaande zoon. Die wordt uiteindelijk gevonden, maar zonder dat een van de betrokkenen daar ook maar iets van opknapt.
Vaak moppert men op Brusselmans in emancipatoire tijden. Een en ander moet anders, die of die van die of die groep heeft recht op een beter bestaan en als we er maar voor gaan met z’n allen dan is er straks zonlicht voor iedereen. Maar Brusselmans is als literator geen lid van de kerk van de vooruitgang en doet in zijn positionering een beetje denken aan wat de Amerikaanse denker Thomas Sowell ooit zei over hoe een conservatief het leven ziet, namelijk dat het altijd al een zootje was en dat we ons er maar bij neer moeten leggen dat er niet meer in zit dan de schade te beperken. Vertaal dit naar de letteren en je komt uit bij die iconische zin van Gerard Reve, Brusselmans’ grote voorbeeld: „Vooruitgang bestaat niet, en dat is maar goed ook, want zoals het is, is het al erg genoeg.”
De personages in deze laatste Brusselmans streven wel wat na soms, maar ze hadden het net zo goed niet kunnen doen. Stilistisch komt dat tot uiting in het veelvuldige gebruik van de tandem opleving-anticlimax, waar de schrijver vaak nog geen alinea voor nodig heeft: „Wij hadden ooit een poes die kon denken”, zei Mona, „maar dat deed ze niet vaak. Ze is overreden door een Opel Manta.”
Heel even hing er iets wonderlijks in de lucht (een denkende poes!), maar het is nog niet gezegd of het beest is al dood. Even hangt er liefde in de lucht tussen de personages Donckie en Arletta, maar daar komt een resoluut einde aan als de laatste het waagt om over sport te beginnen en een ouderwets woord te gebruiken. „Donckie nam nog twee slokken, en overhandigde haar het lege glas. Ze liep naar de keuken. Een po, dacht Donckie, ik wist niet eens dat het een woord was en ik wil het niet eens weten ook. Mensen die dat soort woorden gebruiken zijn aanstellers. Ja, ze is een aansteller. Met haar vraag over de wedstrijd. Ik durf te wedden dat ze de wedstrijd niet eens bekeken heeft. Met haar dikke kop.”
Ze zijn simpel, de personages van Brusselmans, ontegenzeggelijk simpel, maar ze zouden zich in electorale tijden nooit laten meevoeren door de denkbeeldige handel in hoop en toekomstige voorspoed. Daar is ook wat voor te zeggen. En los daarvan: zijn er verder nog wel geestige Nederlandstalige schrijvers? Bijna zeventig is hij, en hij heeft het rijk zo goed als alleen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC