Met onvergetelijke films als Sinners, Weapons en 28 Years Later is 2025 een uitmuntend horrorjaar. Als films een reflectie zijn van de tijdgeest, is het misschien niet zo vreemd dat horror juist nu de dominantere stroming lijkt te worden.
is tv-recensent voor de Volkskrant en schrijft over film.
Elk tijdperk heeft zijn dominante filmstroming: de jaren veertig hadden de film noir, daarna kwamen de westerns, in de jaren zeventig hadden we de paranoiathrillers, de jaren tachtig waren voor de actie en de jaren tien van deze eeuw leken vrijwel exclusief het domein van de superheldenfilm.
Nu het superheldentijdperk zowel kwalitatief als commercieel steeds meer trekjes vertoont van de val van het Romeinse Rijk, is de vraag welk genre nu de stroming wordt waarop een groot deel van de bioscooppopulatie zich laat meevoeren.
De cijfers zeggen natuurlijk lang niet alles, maar geven wel een goede indruk van de populaire trends van dit filmjaar. Als we kijken naar de lijst met best scorende films aan de bioscoopkassa’s, zien we in de top 10 in eerste instantie vooral grote blockbusters als Lilo & Stitch, Jurassic World: Rebirth en Superman. In dat opzicht is er weinig nieuws onder de zon: dit zijn films die voortborduren op een bestaande reeks, en zelfs niet heel goed hoeven te zijn om toch een groot publiek te trekken.
Maar kijk naar de top 25 van dit jaar (tot nu toe), en het verhaal wordt een stuk interessanter. We treffen er maar liefst zes horrorfilms, met, op volgorde van succes: The Conjuring: Last Rites (plaats 11), Sinners (14), Final Destination: Bloodlines (15), Weapons (16) en 28 Years Later (25).
Ter vergelijking: in 2024 troffen we in die top 25 alleen Alien: Romulus (21) en A Quiet Place: Day One (24). In 2022 en 2023 was dat er met Smile (22) en Five Nights at Freddy’s (25) steeds slechts een.
Hiermee is 2025 het lucratiefste jaar voor horror uit de filmgeschiedenis, met titels die tot nu toe gezamenlijk al ruim 1,2 miljard dollar opleverden (en dan is het jaar nog niet eens voorbij). Dat komt deels voort uit bewezen succesvolle filmreeksen als The Conjuring en Final Destination, maar er zitten ook volstrekt originele films tussen, zoals Sinners en Weapons.
En dan hebben we succesvolle horrorfilms als Black Phone 2, The Monkey, I Know What You Did Last Summer en The Long Walk nog niet eens genoemd, die ook allemaal terug zijn te vinden in de lijst met vijftig best scorende bioscoopfilms van dit jaar.
De evolutie van het horrorgenre is de laatste jaren sowieso bijzonder boeiend. Een kleine tien jaar geleden dook de term elevated horror ineens te pas en te onpas op, als verzamelnaam voor diepgravende horrorfilms die niet alleen angstaanjagend of bloederig waren, maar ook iets te zeggen hadden over de samenleving van nu, zoals het met een Oscar voor beste scenario bekroonde meesterwerk Get Out.
Maar die term leek, naast een modetrend, ook vooral slimme marketing, want horror is al decennialang een genre dat veel meer te zeggen heeft dan de premisse vaak doet vermoeden. Al in de jaren zestig en zeventig waren titels als Night of the Living Dead en Dawn of the Dead naast zombiefilms toch ook vooral films die een diepere boodschap hadden, in dit geval over racisme en doorgeslagen kapitalisme.
Het gebruik van de term ‘elevated horror’ had daarmee iets irritants, maar was ook een bijzonder effectief trucje om het horrorpubliek drastisch te verbreden. In filmhuizen werd de horrorfilm steeds salonfähiger: wie wilde films als Midsommar, The Lighthouse en Longlegs nu missen? Door een gecreëerd gevoel van culturele fear of missing out werd horror plots iets om mee te pronken, en was het niet langer iets om smalend over te spreken als een soort guilty pleasure.
Toch was het lange tijd eerder een uitzondering als een horrorfilm het grote publiek bereikte en zowel publiek als critici kon bekoren. In 2018 schreef de Volkskrant bijvoorbeeld nog: ‘Het horrorgenre bestaat ruim honderd jaar, maar lijdt bij het grote publiek nog altijd onder een slechte naam.’
Die slechte naam is sindsdien evenwel aan het verdwijnen, en 2025 heeft zich nu zelfs ontpopt tot het jaar waarin het genre definitief doordringt tot de mainstream. Films als Sinners, Weapons en 28 Years Later laten zien dat horror misschien wel relevanter is dan ooit: critici zijn lovend, het publiek loopt massaal warm en heel in de verte gloort misschien zelfs een kans op een Oscar.
Wat ook helpt, is dat het genre de tijdgeest aan zijn zijde heeft. Angst is altijd de kern geweest van horror, en dat sluit uitstekend aan op de wereld van nu. Ik zal niet durven beweren dat we in ‘angstiger tijden’ leven dan ooit tevoren, maar er zijn meer dan genoeg hedendaagse thema’s en (existentiële) angsten die uitstekend tot hun recht komen in horrorfilms. Denk aan de angst voor de ander, de onmacht bij het onverklaarbare, de worsteling met de vooruitgang en de angst dat het onmenselijke (AI) steeds meer onze plek inneemt.
Ook in Nederland zien we mondjesmaat een opleving van het genre. Zo draait de film Vleesdag om een bloederige confrontatie tussen dierenrechtenactivisten en varkensfokkers. En met wat goede wil zou je Dick Maas’ horrorvervolg Amsterdamned II (vanaf december in de bioscopen) een voorzichtige reactie kunnen noemen op de angsten van deze tijd, bijvoorbeeld voor het doorgeslagen massatoerisme. ‘Een stad in verval is kwetsbaar’, horen we niet voor niets in die film.
Als films een reflectie zijn van de tijdgeest, is het misschien helemaal niet vreemd dat horror juist op dit moment de dominantere stroming wordt. Hoe meer angst, hoe meer horror. En dan hebben we in de bioscoop nog de luxe dat aan het eind van de rit de zaallichten altijd weer aangaan.
Dat maatschappelijke angsten doorwerken in horror is niet bepaald nieuw. Het nieuwe van de huidige horrorhausse zit vooral in de doorbraak naar een steeds groter publiek.
Dat leidt ook weer tot een ander vraagstuk. In de filmindustrie lijkt het nog altijd alsof horror niet alle waardering krijgt die het verdient. Neem alleen al de Oscars: in de 97-jarige geschiedenis van deze filmprijs werd slechts zeven keer een horrorfilm genomineerd voor beste speelfilm. Maar ook hier lijkt langzaam een kentering ingezet: dat een losgeslagen bodyhorrorfilm als The Substance een Oscarnominatie voor beste film in de wacht zou slepen, leek een jaar of tien geleden nog volstrekt ondenkbaar.
Wees daarom niet verbaasd als films als Sinners en Weapons in januari hoge ogen gaan gooien bij de Oscarnominaties. Horror is allang niet meer het domein van de bloedlustige nachtbrakers, het is de guilty pleasure voorbij. Horror is eindelijk een zaak van het grote publiek geworden. Kom maar door met dat gouden decennium.
Sinners groeide uit tot dé filmverrassing van het jaar, als een soort hitsige, voortreffelijk gemaakte vampierenmusical in Jim Crow-Amerika. Black Panther-regisseur Ryan Coogler maakt van zijn film een onvergetelijke, emotioneel gelaagde trip die na het zien nog lang nazindert. Dat is voor een belangrijk deel de verdienste van de muziek in de film, die een cruciale rol speelt in dit verhaal over een criminele tweeling (Michael B. Jordan in een dubbelrol) die in het zuiden een nieuwe muziektent willen openen.
Vooral de scène halverwege de film gaan we nooit meer vergeten: die waarin de tent (figuurlijk!) wordt platgebrand met een veelvoud aan muziekstijlen die dwars door elkaar lopen. Zelfs de wetten van tijd en ruimte worden even overboord gegooid, omdat in horror nu altijd net even wat meer mag dan in het gemiddelde drama.
Regisseur Zach Gregger had geen idee waarom dat enorme wapen ineens tot hem kwam tijdens het schrijven. Toch werd het een van de beeldbepalendste scènes van zijn sublieme horrorfilm Weapons, die draait om de verdwijning van een bijna complete schoolklas. De ouders tasten volledig in het duister, wat bij een wanhopige vader (Josh Brolin) leidt tot de nodige angstdromen waarin hij zijn verdwenen zoontje denkt te zien lopen. In die droom ziet de man ineens een enorm automatisch geweer boven zijn huis zweven.
Interpretaties zijn er in overvloed, maar het is niet moeilijk om de link te leggen met de tragische hoeveelheid school shootings in de VS , waarbij ook talloze kinderen verdwijnen zonder duidelijke reden. De beste horror heeft vaak iets metaforisch in zich, en hoewel Weapons uiteindelijk talloze andere paden insloeg, bleef toch vooral dat automatische geweer hangen.
Nee, voor het verfijndere karakterdrama hoef je de Final Destination-reeks meestal niet aan te zetten. De premisse van de filmreeks is al sinds de start in 2000 min of meer hetzelfde: tiener krijgt visioen over aanstaand ongeluk, grijpt net op tijd in en voorkomt daarmee een ramp. Maar de dood laat niet met zich sollen, en dus komen de tieners in de films op gruwelijke (doch zéér ingenieuze) wijze om het leven.
Na een pauze van liefst veertien jaar keerde Final Destination dit voorjaar terug met het zesde deel, dat direct het beste in de serie bleek. De dodelijke ongelukken waren creatiever dan ooit (nooit gedacht dat een MRI-scanner en een snoepautomaat zo dodelijk konden zijn), maar Final Destination: Bloodlines viel vooral op door het schitterende adieu van acteur Tony Todd.
Todd speelde in bijna alle films een mysterieuze lijkschouwer, en zal bij het grote publiek vooral bekend zijn door zijn rol als Candyman. Tijdens de opnamen van Bloodlines was Todd al ernstig ziek, maar toch sprak hij nog een laatste monoloog uit tegen de tieners, met woorden die een extra rauw randje kregen door zijn overlijden in november 2024:
‘Ik ben van plan te genieten van de tijd die me nog rest. En ik raad jullie aan hetzelfde te doen. Het leven is kostbaar. Geniet van elke seconde. Je weet maar nooit wanneer...’
Nog zo’n daverende verrassing in dit horrorjaar: het derde deel in de 28 ... Later-serie. Na het sterke 28 Days Later en het mindere 28 Weeks Later vond de zombiereeks verrassend veel nieuw leven met een diepgravend verhaal over een jonge eilandbewoner die met zijn vader voor het eerst afreist naar het Britse vasteland, waar zombies al decennialang de dienst uitmaken.
Dat resulteert allereerst in een bloedstollende survivalthriller, waarna het verhaal een verrassende wending neemt en de knul met zijn doodzieke moeder (Jodie Comer) op zoek gaat naar een verdwenen dokter (Ralph Fiennes) die krankzinnig lijkt te zijn geworden.
Terwijl we ons klaarmaken voor een zombieversie van Apocalypse Now, krijgen we een verrassend meditatieve derde akte over dood, waardigheid en menselijkheid in een ontmenselijkte wereld. Natuurlijk, als we het hebben over Ralph Fiennes en zijn schedeltempel zal dat vast wat wenkbrauwen doen fronsen, maar in de context van deze horrorfilm wordt het iets onvergetelijks.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant