Vrouwenrechten De toegenomen druk op vrouwenrechten is niet een tijdelijke heropleving, maar het resultaat van nog steeds aanwezige structuren, schrijft Annelien de Dijn.
Dolle Mina-protest in Nijmegen na de moord op de 17-jarige Lisa.
Vrouwenrechten staan wereldwijd onder druk, zo rapporteerde de VN. Voorbeelden die die stelling ondersteunen zijn maar al te makkelijk te vinden. In Rusland is het sinds 2017 niet langer een misdrijf om je vrouw in elkaar te slaan. In de Verenigde Staten kwamen met de verkiezing van Donald Trump in 2016 religieuze conservatieven aan de macht. Abortus is daardoor sinds 2022 niet langer een grondwettelijk recht. Ook in zijn tweede termijn heeft Trump verschillende maatregelen genomen om vrouwenrechten terug te draaien. Pete Hegseth, Trumps minister van Defensie, wil vrouwen uit het Amerikaanse leger weren. Hegseth lijkt bovendien openlijk te betwijfelen of vrouwen wel stemrecht moeten hebben. In Nederland loopt het voorlopig nog niet zo’n vaart, maar ook hier staat het recht op abortus weer ter discussie. Politici zoals Forum-oprichter Thierry Baudet stellen emancipatie – het feit dat vrouwen kunnen werken en financieel onafhankelijk zijn – ter discussie.
Annelien de Dijn is hoogleraar moderne politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.
Vaak wordt de aanval op vrouwenrechten geduid als een backlash, een kortstondige heropleving van achterhaalde patriarchale normen en waarden.
Volgens VN-secretaris-generaal António Guterres bijvoorbeeld voert „het patriarchaat” een „achterhoedegevecht” tegen gendergelijkheid. Maar in die strijd zullen tegenstanders van gendergelijkheid het onderspit delven. De onderdrukking van vrouwen en meisjes hoort namelijk thuis „in het verleden”. Harvard-wetenschapper Steven Pinker is nog stelliger. In zijn Enlightenment Now! – een boek verschenen kort na de eerste verkiezingsoverwinning van Trump – schreef Pinker dat seksisme, racisme en homofobie tot het verleden behoren. Ook al vond er nu misschien een heropleving plaats van deze kwalijke gewoontes, die zou slechts tijdelijk zijn; voorstanders van het patriarchaat hadden hun strijd al langgeleden verloren.
Deze manier van denken heeft diepe wortels. Al in de negentiende eeuw voerde de Britse rechtsgeleerde Henry Maine aan dat het patriarchaat – een samenlevingsvorm waarbij de pater familias het absolute gezag uitoefent over zijn familie, inclusief vrouwen en volwassen kinderen – kenmerkend was voor primitieve, onontwikkelde samenlevingen. Naarmate samenlevingen moderniseerden, emancipeerden individuen zich van deze vaderlijke macht. Sociale relaties werden niet langer bepaald door iemands status, maar kregen een vrijblijvender karakter, op basis van vrijwillige overeenkomsten. De geschiedenis werd met andere woorden gekenmerkt, zo vatte Maine het samen in een beroemde slagzin, door een evolutie „van status naar contract”.
Vrouwenemancipatie was volgens Maine het voorbeeld bij uitstek van deze ontwikkeling. In moderne West-Europese samenlevingen, zo beargumenteerde hij, waren vrouwen veel vrijer dan in pakweg Indië, waar weduwes bijvoorbeeld onder het gezag van hun zoons kwamen te staan. Natuurlijk besefte Maine dat ook in het Groot-Brittannië van zijn tijd de onafhankelijkheid van vrouwen nog niet bepaald een voldongen feit was. Zo verloren getrouwde vrouwen hun recht op hun eigen bezit en inkomen, en moesten zij alle belangrijke beslissingen van rechtswege overlaten aan hun echtgenoot. Maar dat was volgens Maine een restant uit het verleden; deze patriarchale wetgeving was niet meer geschikt voor een moderne samenleving zoals Groot-Brittannië, en moest daarom verdwijnen.
Maines ideeën hadden een grote invloed op de grondleggers van de moderne sociologie. Denkers zoals Ferdinand Tönnies, Max Weber en Emile Durkheim meenden net zoals Maine een historische evolutie te bespeuren van hiërarchische naar meer geïndividualiseerde samenlevingen – een gevolg, zo stelden zij, van de toenemende industrialisatie – en benadrukten dat vrouwenemancipatie hiervan een belangrijk voorbeeld was. Ook na de Tweede Wereldoorlog bleven deze ideeën dominant binnen de sociale wetenschappen. In 1963 stelde de invloedrijke socioloog William Goode bijvoorbeeld aan de hand van mondiale data dat industrialisatie steevast leidde tot groeiende gendergelijkheid. Zo’n veertig jaar later waren deze ideeën nog steeds gemeengoed in de sociologie, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het boek Rising Tide van Pippa Norris and Ronald Inglehart. In traditionele samenlevingen, zo betoogden Norris en Inglehart, „ondersteunen sociale normen de traditionele familiewaarden en patriarchale normen van mannelijke dominantie”, terwijl de moderniteit „een grotere gendergelijkheid” met zich meebracht.
Sociale wetenschappers houden ons met andere woorden al anderhalve eeuw lang voor dat gendergelijkheid vanzelf voortvloeit uit modernisering. Nu is het natuurlijk waar dat sinds de publicatie van Maines boek vrouwen niet alleen in het Westen maar ook in andere delen van de wereld een veel grotere mate van zelfbeschikking hebben gekregen. Maar het moderniseringsverhaal slaat de plank op twee belangrijke punten mis. Vrouwenrechten zijn niet automatisch toegenomen in kielzog van industrialisatie of groeiende welvaart, maar zijn verworven in de context van een lange en bittere strijd, gevoerd door activisten zoals de suffragettebeweging of, in een later stadium, de Dolle Mina’s.
Bovendien is die strijd nog lang niet gewonnen. Slechts 15 van de 100 rijkste mensen van de wereld zijn vrouwen. Meer algemeen verdienen vrouwen nog steeds een stuk minder dan mannen, en die loonkloof lijkt ook gestagneerd te zijn. Vrouwen blijven ook ondervertegenwoordigd in de politiek: wereldwijd hebben van alle 195 landen slechts 29 een vrouwelijk staatshoofd. Ook Nederland heeft nog steeds geen enkele vrouwelijke minister-president gehad. Geweld tegen vrouwen blijft ten slotte een hardnekkig probleem. Volgens het WHO wordt een op de drie vrouwen slachtoffer van fysiek of seksueel geweld.
Als we focussen op de blijvende ongelijkheid tussen mannen en vrouwen wordt de recente aanval op vrouwenrechten veel makkelijker te duiden. Om slechts één voorbeeld te geven: als de tien rijkste personen in de VS niet allemaal mannen waren geweest, maar vrouwen, dan had een uitgesproken seksist zoals Donald Trump het misschien wel veel moeilijker gehad om zijn verkiezingskas te spekken, en dus om herkozen te worden. De Trumps en Baudets van deze wereld zijn met andere woorden niet gewoon een uiting van een „backlash” of „achterhoedegevecht”. Het patriarchaat is helemaal niet terug van weggeweest – het is gewoon nooit verdwenen.
Dit stuk werd geschreven bij de Meindert Fennema-lezing ‘De wording van het patriarchaat’ die Annelien de Dijn dinsdag 25 november geeft in debatcentrum De Balie in Amsterdam.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Volg de laatste politieke ontwikkelingen in de VS op de voet
Source: NRC