De envelop bevatte een rouwkaart. Op de kleurenfoto een bekend, maar lang niet meer gezien gezicht van een bejaarde vrouw in ogenschijnlijk nog goede gezondheid. C. bleek op 91-jarige leeftijd overleden. Zij was lange tijd een van de beste vriendinnen van mijn vrouw.
De inleidende zin luidde: „Met gemengde gevoelens van verdriet en opluchting, dat verder lijden haar bespaard is gebleven, geven wij u kennis van het overlijden van…”
Die ‘opluchting’ wordt vaak weggelaten op zulke kaarten, maar zal voor velen een herkenbaar aspect zijn. Ik denk aan een passage uit Een zachte dood, een indringend boek van Simone de Beauvoir over de dood van haar moeder. Ze herinnert zich een oom uit haar jeugd die aan maagkanker was gestorven nadat hij dagenlang had gebruld: „Maak me af! Geef me mijn revolver! Heb toch medelijden met me!”
Nu lag haar eigen moeder te sterven en zei ze tegen de arts: „Kwel haar toch niet.” Hij had haar afgesnauwd „met de hooghartigheid van een man die weet wat zijn plicht is”. En dus moest haar moeder haar strijd strijden „in de eenzaamheid van de mens”. Haar dochter constateert moedeloos: „Haar hardnekkige wil om te genezen, haar geduld, haar moed, het was allemaal bedrog. Niets van haar lijden zou worden beloond.”
Ik nam de rouwkaart van C. mee naar mijn vrouw in haar verpleeghuis. Zij waren een jaar of veertig tennisvriendinnen geweest in een groepje van vier, vijf vrouwen. Een opgewekt gezelschap dat elke week een middagje met overgave, maar niet al te fanatiek tenniste. Ook buiten de baan waren er regelmatig hartelijke contacten. Ik was er af en toe bij en leerde C. kennen als een sympathieke, bescheiden vrouw.
Mijn vrouw bleef komen, ook nadat ze verhuisd was en de trein moest nemen. Toen brak de onherroepelijke periode aan waarin de vriendinnen elkaar alleen nog op begrafenissen zagen. Mijn vrouw en C. verdwenen naar verpleeghuizen en hadden geen contact meer met elkaar.
Ik liet mijn vrouw de rouwkaart zien. Ze viel even stil en keek perplex naar de foto. Ze kon geen naam meer bij het gezicht vinden, toch moet iets haar bekend zijn voorgekomen. Ik vertelde wie het was, maar verzweeg dat C. was overleden. Eerder had ik gemerkt dat het woord ‘dood’ haar onaangenaam kon treffen, als een onverwachte naald in haar huid.
Ze luisterde naar mijn toelichting over de rol van C. in haar leven, maar was weer snel met haar aandacht elders. Ze liep naar haar bed waar ze twee poppen keurig naast elkaar tegen het kussen had gevlijd: een aapje en een baby. Ze hurkte er naast als een moeder die haar kinderen vertederd bekijkt. ,,Zijn ze niet lief?’’ vroeg ze.
Toen ik wegging liet ik haar nog één keer de foto bekijken. Ze zei: „Mooi. Stevig.”
Op de terugweg zag ik dat vriendinnengroepje van weleer weer voor me. Er waren er nog maar twee in leven. Zoveel licht toen, zoveel donkerte nu. Ze stierven zonder het van elkaar te weten.
Ik vroeg me onwillekeurig even af: zou mijn vrouw mij missen als ik om een of andere reden nooit meer kwam? Zou ze nog weleens naar mij vragen?
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC