Kunstveiling Aldo van Eyck werd ‘de belangrijkste naoorlogse architect van Nederland’ genoemd. Hij liet zich inspireren door zowel het werk van avant-gardekunstenaars als Picasso, Mondriaan en Brancusi, als door de gebruiksvoorwerpen van niet-westerse culturen. Zijn verzameling wordt nu geveild.
Aldo en Hannie van Eyck met de kunstenaar Tajiri bij een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1967.
Een lezing over architectuur als stand-upcomedy? Congresorganisaties wisten dat ze met Aldo van Eyck een spreker in huis haalden die voor hilariteit zorgde. Kijk op YouTube hoe de Nederlandse architect in 1987 de show stal op het internationaal designcongres Indesem in Delft. In verrukkelijk bekakt Engels gaf de toen 69-jarige Van Eyck een uur lang losjes commentaar bij zo’n 75 dia’s die hij eerder die dag bij elkaar had gezocht.
Hij begon zijn betoog met foto’s van „de meest gruwelijke architectuur die men zich kan voorstellen”: nieuwe gebouwen in postmodernistische stijl, met veel zuilen en vaak een eenvormig grid van kleine raampjes. Met deze in zijn ogen modieuze en geestdodende ontwerpen dreef Van Eyck op even geestige als vileine wijze de spot. Met een penseel had hij de foto’s versierd met decoraties, om de gebouwen „nog enigszins draaglijk te maken”. En de achternamen van de betrokken architecten, beroemdheden als Philip Johnson en Robert Venturi, kortte Van Eyck in tot een initiaal: „I never mention criminals by their full name.”
Halverwege zijn lezing stopte Van Eyck met schimpen en becommentarieerde hij liefdevol vijftig voorwerpen uit zijn privéverzameling volkenkundige voorwerpen. Bijvoorbeeld Mexicaanse keramische bakjes uit de vijfde eeuw, bamboe-kokertjes van de Sepik uit Papoea-Nieuw-Guinea, ivoren gebruiksvoorwerpen van de Inuit, het eskimovolk, en weefsels uit Zuid-Afrika.
Van Eyck bood zijn toehoorders geen antropologische achtergrond of culturele toelichting, maar sprak vooral over de verbazingwekkende vormentaal van niet-Westerse culturen, het vermogen om te spelen met getallen, intervallen, patronen, ritme en de manier waarop de anonieme makers vorm en tegenvorm in evenwicht brachten. Aspecten die hij prees en waarvoor hij in zijn eigen werk ook oplossingen zocht. Architecten konden inspiratie putten uit de decoraties op zo’n eeuwenoud Mexicaans bakje, hield Van Eyck zijn gehoor voor.
De lezing krijgt ruim een kwart eeuw na zijn dood nieuwe actualiteit. Veilinghuis De Zwaan in Amsterdam verkoopt op 11 en 12 december namelijk de kunstcollectie van Aldo van Eyck (1918-1999) en Hannie van Roojen (1918-2018), zijn echtgenoot en zakenpartner. Het gaat om zo’n duizend etnografische en archeologische voorwerpen van over de hele wereld, plus een bijzondere collectie moderne kunst, vooral vroege Cobra-werken. Het veilinghuis verwacht dat de 567 aangeboden kavels in totaal zeker een miljoen euro zullen opbrengen.
Acht centimeter hoge ivoren hanger van de Hungana-stam uit Kongo. Richtprijs: 8.000-12.000 euro
Eerder, afgelopen maandag, veilde Bubb Kuyper in Haarlem onder de noemer Van Dada tot Cobra, tweehonderd vaak zeer zeldzame boeken en tijdschriften uit de bibliotheek van het echtpaar. Die veiling resulteerde in een opbrengst van 120.000 euro, exclusief veilingkosten. Het belang van deze twee veilingen zit niet alleen in de kwaliteit van de aangeboden stukken. Ze bieden beide ook inzicht in de inspiratiebronnen van de Van Eycks.
Aldo van Eyck was de zoon van de Britse NRC-correspondent P.N. van Eyck, die als dichter bekend werd met ‘De tuinman en de dood’. Hij groeide op in Londen in een met kunst en cultuur doordrenkte omgeving. Vanaf 1938 woonde Van Eyck tot het einde van de oorlog in Zürich, waar hij op een architectuuropleiding zijn toekomstige echtgenote Hannie leerde kennen. In Zwitserland verkeerden de Van Eycks in culturele kringen en ontmoetten zij enkele van de belangrijkste avant-gardekunstenaars van hun tijd, zoals Kurt Schwitters, Fernand Léger, Hans Arp, Alberto Giacometti, Wassily Kandinsky, Alvar Aalto en Marcel Breuer. De vele boeken met persoonlijke opdrachten bij veilinghuis Bubb Kuyper getuigen van hun levenslange band met toonaangevende kunstenaars en schrijvers. Karel Appel schreef in 1965 in een catalogus: „Voor Aldo de king, voor Aldo mijn vriend, voor Aldo de grote.”
Terug in Nederland ging Van Eyck openbare speelplaatsen ontwikkelen voor de Amsterdamse Publieke Werken. Tussen 1947 en 1978 zou hij 700 speelplaatsen in de hoofdstad ontwerpen. Niet met schommels en wippen, zoals toen gebruikelijk was, maar met steeds andere composities van massieve betonnen elementen en klimrekken die kinderen uitnodigden om te bewegen.
Vanaf 1951 had Van Eyck een eigen architectenbureau. Hoewel hij niet zoveel gebouwd heeft, is hij in deze krant door architectuurcriticus Max van Rooy herhaaldelijk „de belangrijkste naoorlogse architect van Nederland” genoemd. Het bekendste van zijn nog geen tien grotere gerealiseerde projecten is het in 1960 voltooide Burgerweeshuis in Amsterdam, een naar alle kanten uitwaaierend gebouw van geschakelde doosjes met dakkoepels – een huis als een stad, zoals Van Eyck het zelf noemde.
Vingermasker van de Joepiks, het Eskimovolk.
De grote betekenis van Van Eyck zit hem ook in zijn leidende positie in de naoorlogse vernieuwingsbeweging in de architectuur. Als hoogleraar, auteur van vele artikelen en spreker maakte Van Eyck zich sterk voor wat Van Rooy ‘poëtisch modernisme’ noemde. De grootschalige naoorlogse architectuur liet volgens Van Eyck veel te weinig ruimte voor individuele expressie. Bij zijn zoektocht naar architectuur die ontmoeting en verbinding centraal stelde, putte hij zowel inspiratie uit het werk van avant-gardekunstenaars als Picasso, Mondriaan en Brancusi, als uit de gebruiksvoorwerpen van niet-westerse culturen die hij zo hartstochtelijk verzamelde. De decoraties op een ceremoniële lap van de Kongolese Kuba-stam en een houten schaal van de Fiji-eilanden inspireerden hem bijvoorbeeld mede tot de honderden dakkoepels van het Burgerweeshuis.
De kunstcollectie van de Van Eycks bevond zich tot voor kort nog gewoon in hun woonhuis, een historisch pand in het centrum van Loenen aan de Vecht waar het gezin vanaf 1964 woonde. Tess van Eyck, de 80-jarige dochter, vertelt dat ze na het overlijden van haar moeder zeven jaar geleden vergeefs op zoek is gegaan naar een organisatie die van het door haar vader verbouwde huis een studiecentrum voor architecten wilde maken. De kunstcollectie, was het idee, zou in dat centrum een plek krijgen.
In juli verkocht Tess van Eyck al 23 maquettes uit het archief van haar ouders aan het Nieuwe Instituut in Rotterdam, en ook schonk ze het museum vele ontwerptekeningen van bouwprojecten. Toen vorige maand ook de kunst uit het huis verdween, moest ze wel even slikken, zegt ze. „Het voelt alsof mijn ouders nu pas echt zijn vertrokken, samen met hun dierbare bezittingen. De ziel is nu uit het huis.” De leegte biedt volgens haar wel de kans om de architectonische kwaliteit en ruimtelijkheid van het ontwerp van haar vader te herstellen.
Een houten beeld van een moeder en kind, vermoedelijk voor een inwijdingsrite van een vrouw op Papoea Nieuw-Guinea. Richtprijs: 8.000-12.000 euro
Een negentiende-eeuws voorouderbeeld, een zogenoemde korwar, uit Papoea Nieuw-Guinea. Richtprijs: 3.000-5.000 euro
Tess van Eyck sprak eerst met Christie’s over verkoop van de collectie. Omdat het Britse veilinghuis alleen de topstukken wilde verkopen, koos ze voor De Zwaan. Ze vond het belangrijk, zegt ze, dat alle door haar ouders verzamelde objecten nog één keer publiekelijk in samenhang getoond zouden worden. Hoewel haar ouders veel moderne kunst aan de muur hadden – zelfs een schilderij van Mondriaan – en kasten vol met etnografische voorwerpen uit alle hoeken van de wereld, heeft ze nooit het gevoel gehad dat haar vader een collectioneur was. „Ik zag het meer als een bewijs van zijn affiniteiten, die zijn interesses weerspiegelden en hem inspiratie gaven.”
De Van Eycks verkochten soms moderne kunst om nieuwe etnografica te kunnen kopen, zegt hun dochter. „Mijn vader was fel gekant tegen het overheersende en arrogante concept van de ‘westerse beschaving’, dat niet-westerse culturen uitsloot en vaak als ‘primitief’ bestempelde. Het gebruik van dat woord maakte hem woedend.”
Michiel Boerma, bij De Zwaan verantwoordelijk voor de Tribal Art, spreekt van een ‘droomcollectie’. Tijdens het werken aan de veilingcatalogus heeft Aldo van Eyck hem weten te verrassen, zegt hij. „Hij had zo’n goed oog en zag in sommige kleine objecten onvermoede kwaliteiten. Door deze collectie ben ik zelf met meer aandacht en rust gaan kijken naar decoraties op etnografische voorwerpen.”
Schilderij uit 1949 van Karel Appel, dat jaar cadeau gedaan aan Tess, de 4-jarige dochter van Aldo en Hannie van Eyck.
Veiling The Aldo and Hannie van Eyck Art Collection op 11 en 12 dec. bij De Zwaan in Amsterdam. Kijkdagen 4 t/m 7 dec. van 10-17. Online catalogus: dezwaan.nl
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC