Home

Ontwikkelingshulp is onmisbaar (voor Nederland)

Buitenlandpolitiek Schaf de ontwikkelingssamenwerking niet af, zoals rechtse partijen willen, maar zet haar voort, betoogt Frank Westerman. Is het niet uit solidariteit of barmhartigheid, dan toch ter versterking van de Nederlandse invloed in de wereld.

Demonstranten buiten het Capitool in Washington D.C. uit steun voor hulporganisatie USAID.Protestors gather outside of the U.S. Capitol for a rally in support of USAID in Washington, DC on

Met een pling verschijnt op mijn telefoon een éénregelig bericht: „Er zijn hier mensen die jou kennen!” Ik onderbreek mijn hardloopronde en denk aan Eusebio, mijn Peruaanse compadre die ik een kleine veertig jaar geleden voor het laatst heb gezien.

…aan het typen…

Frank Westerman is oud-redacteur van NRC en schrijver. Recent verscheen zijn boek Hotel De Wereld – ‘Wageningen, Suriname’ en andere postkoloniale tragedies.

Mijn dochter Vera (20) is in Peru. Ooit, in 1987, heb ik daar gewoond bij de Aymará-indianen. Nu zij door de Andes reist, bezoekt ze de nederzetting Cucho Esqueña, een kluitje leemhutten dat destijds nog niet op het lichtnet was aangesloten.

Er komt een Whatsappfoto binnen. Ik zie twee vrouwen met wollen mutsen en omslagdoeken.

Zou dit een aflevering van Spoorloos zijn, dan zagen we nu de licht verkleurde foto waarop ik (23 en vlasblond) een schaar zet in het zwarte haar van een sip kijkend meisje. Door een lok af te knippen, veranderde ze van een baby in een peuter – en ik in haar peetvader: iemand die financieel zou bijdragen aan haar toekomst.

„De vrouw in de rode trui is degene van wie jij het haar hebt geknipt.”

Mijn duim en wijsvinger vergroten haar gezicht uit, haar wenkbrauwen en mondhoeken, de blik in haar ogen. Het is Nayra.

„Ik heb ook haar vader Eusebio gevonden. Ik heb gezegd dat ik over een paar jaar terugkom en jou dan meeneem.”

Toen ik eind 1987 vertrok, had ik mijn plicht afgekocht met een jonge alpaca die wol, melk en uiteindelijk ook vlees en leer zou geven aan het gezin van Nayra. Twee jaar later studeerde ik af in de tropische cultuurtechniek. Als gediplomeerd landbouwingenieur kon ik een baan zoeken in het ontwikkelingswerk. Maar ik deed het niet.

Tweetaktmotor

Hoofdschuldige was Mario Vargas Llosa. Juist dat jaar stortte hij zich in de race om het presidentschap van Peru: als het enige alternatief voor de ‘volksoorlog’ van de maoïstische guerrilla Lichtend Pad. Als een stadse intellectueel stelde de schrijver vrede en voorspoed in het vooruitzicht, aangedreven door de tweetaktmotor van vrijhandel en liberalisme.

Ik twijfelde hevig aan het nut van het ontwikkelingswerk. Waarom zou ik het irrigatiestelsel van dorpen als Cucho Esqueña in kaart brengen, wanneer het lot van Nayra in Lima of nog verder weg op het wereldtoneel werd bepaald? In plaats van te solliciteren bij een ngo of ingenieursbureau deed ik verslag van de gooi van Mario Vargas Llosa naar het presidentschap, als ongediplomeerd journalist.

Net als Marx geloofde ik dat het erop aankwam de wereld te veranderen, maar eerst wilde ik snappen hoe ze in elkaar stak. Ik verruilde hand- voor hoofdwerk. Aanstormende wereldverbeteraars waren ongeduldig; ze hadden geen boodschap aan een oubollig ‘bezint eer ge begint’. Toch wist niemand hoe dat moest: een land of volk ‘ontwikkelen’. De term veronderstelde een richting, maar welke?

Als verslaggever legde ik ook mijn eigen engagement op de snijtafel. Ik voelde me betrokken, maar omdat ik niet goed wist bij wie of bij wat, kregen mijn reportages steeds vaker de ondertonen van een zoektocht. Toen ik nog een tropenstudent was, leek alles helder: je zette je in voor kleine boeren in arme landen. Maar wat als die kleine boeren het regenwoud kappen?

Naast toeschouwer werd ik beschouwer. Ontwikkelingshulp bleek niet opgewassen tegen etnisch geweld, Koude Oorlogsbemoeienissen, drugskartels, guerrillaoorlogen en militaire staatsgrepen, zoals die van sergeant Desi Bouterse in Suriname.

„Negen van de tien irrigatieprojecten mislukken”, hoor ik onze irrigatieprofessor in Wageningen nog zeggen. Zodra de westerse technici en sociologen vertrokken, viel datgene wat ze hadden opgezet (een microkrediet, de teelt van een nieuw gewas, een landbouwcoöperatie) doorgaans in handen van handige lieden, of stierf het een stille dood. In hun evaluatiejargon spraken de deskundigen van „een lage beklijving”. Ze vervingen het achtervoegsel ‘-hulp’ door het minder bevoogdende ‘-samenwerking’, maar de ontwikkeling bleef uit. Welke aanpak ook werd beproefd – programmatisch, projectgericht, participatief – niets bleek bestand tegen politieke grilligheid, corruptie en geweld.

In 2005 belichtte ik in NRC Handelsblad de opeenvolgende modes die het ontwikkelingswerk in de periode 1960-2000 kenmerkten. Dit tijdvak begon met het rücksichtslos overplanten van westerse technologie, naar het voorbeeld van de Marshallhulp. In Europa had de mechanisatie van de landbouw bijgedragen aan de wederopbouw, maar in de tropen liepen de dieseltractoren en draglines vast in hetzij de modder, hetzij het woestijnzand.

Van de weeromstuit zwoer de volgende generatie tropenwerkers bij ‘aangepaste technologie’ – liever een span ossen dat al rondjes lopend een waterstraaltje oppompt, dan een onderhoudsgevoelige dieselpomp. Dit houtje-touwtje-idee vond weerklank onder West-Europeanen die hun buik vol hadden van het consumentisme van hun ouders, maar helaas niet onder de verworpenen der aarde, voor wie vooruitgang vaak gelijk stond aan het bezit van een koelkast.

Vrouwenprojecten

Zodra bij ons de milieubeweging opkwam ging het roer opnieuw om, richting duurzaamheid ditmaal. Kringlopen konden korter, huisafval diende te worden verwerkt tot compost, terwijl kunstmest en bestrijdingsmiddelen uit het hulppakket verdwenen.

Tijdens de daaropvolgende feministische golf werden alle kaarten gezet op vrouwenprojecten. Een collega-ingenieur die ik in Guinee-Bissau bezocht, reed daar in 1995 rond in een Nissan-terreinwagen. Zijn taak? Islamitische Fula-vrouwen minder afhankelijk maken van hun mannen.

De wisselende modes in het ontwikkelingscircuit bleken afgietsels van ónze preoccupaties. Draaide de wind langs de Noordzeekust, dan herschreven de landen rond de evenaar subiet hun projectaanvragen.

Op het hoogtepunt van de ontwikkelingsboom (tussen 1980 en 1990) waren er naar schatting tachtigduizend buitenlandse experts op het Afrikaanse continent gestationeerd; meer dan er ooit koloniale ambtsdragers waren. Dit legioen aan ‘structurele’ hulpverleners is verslagen in de strijd tegen armoede en gebrek. Zo rond de millenniumwissel is de old skool ontwikkelingswerker (die drie jaar Bolivia afwisselde met drie jaar Zuid-Soedan) van het toneel verdwenen, bijgezet in het museum. Zij zijn vervangen door vliegende consultants, aanbieders van noodhulp bij rampen en waarnemers die tijdens verkiezingen toezien op het wortelschieten van nieuwe democratieën naar het Westminstermodel.

In het nieuwe millennium sprong ook de vredessoldaat, getooid met een blauwe VN-baret, in het gat dat de ontwikkelingswerker heeft achtergelaten. De ene na de andere vredesoperatie liep uit op een mislukking, met als Caribisch dieptepunt de in 2017 vastgelopen missie in Haïti, waar gewapende peacekeepers zich schuldig maakten aan seksueel wangedrag.

Haast ongemerkt raakte het geduld van westerse donorlanden op. Het nieuwe buzzword werd ‘good governance’: alleen landen die niet door dieven werden geleid, kwamen nog in aanmerking voor Westers donorgeld.

Inmiddels heeft het ressentiment in het mondiale Noorden een kritische massa bereikt. Met één hardvochtige pennenstreek is het Amerikaanse hulpprogramma USAID na ruim zestig jaar opgedoekt, hetgeen volgens een studie in The Lancet tussen 2025 en 2030 een verlies van veertien miljoen mensenlevens teweeg kan brengen.

In Nederland staat sinds 2024 het nationale belang weer voorop bij de besteding van hulpgelden. Het gaat dan om handel, veiligheid en migratie. Met dat laatste wordt in de praktijk ook remigratie bedoeld: voor het eerst op 16 september 2025 zette Nederland een chartervlucht in om 88 Syriërs, vrijwillig én voorzien van een vertrekpremie, naar hun herkomstland terug te vliegen.

Erop of eronder

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober dreigde ontwikkelingshulp te sneuvelen als een frontsoldaat. „Dan hebben de mensen in Afrika maar iets meer honger”, bepleitte de leider van de PVV. ‘Ga je mond spoelen’, zou mijn moeder hem gezegd hebben. Het als salonfähig geziene JA21 wil het ontwikkelingsgeld voortaan besteden aan het opzetten van ‘terugkeerhubs’ in Afrika.

Bij de huidige kabinetsformatie is het erop of eronder. Hoe kritisch ik ook ben op het effect van de hulp, reanimatie lijkt me van levensbelang. Op genoeg terreinen worden wel successen geboekt: onderwijs, eerlijke handel, gezondheidszorg, verzoening en wederopbouw na conflicten, waterbeheer.

Ontwikkelingssamenwerking is een soft power in de internationale diplomatie. Zet je haar bij het grofvuil, dan verliest Nederland nog meer invloed en gezag op het wereldtoneel. Niet voor niets valt Ontwikkelingshulp al decennialang onder Buitenlandse Zaken. Alleen al hierom dient Nederland een slagvaardig ontwikkelingsbeleid op te tuigen: om in de internationale arena weer gewicht in de schaal te leggen.

Met het wegvallen van USAID zijn veel hulporganisaties plotseling zelf hulpbehoevend; Nederland zou ze een reddingsboei kunnen toewerpen, niet alleen uit barmhartigheid, maar evenzogoed ter voorkoming dat landen als China en Rusland het werkveld straks voor zich alleen hebben.

Er is genoeg te doen. In het voorjaar van 2023, een half mensenleven nadat ik kortstondig in het ontwikkelingscircus had meegedraaid, meldde mijn dochter zich aan voor een stage in Ecuador. Ze kon terecht bij Heifer International, een ngo gerund door Ecuadorianen die arme boeren in de Andes niet aan melk helpen, maar aan een koe.

Een stuk zuidelijker, in Peru, zijn er intussen stroomkabels uitgerold over de pampa van Cucho Esqueña. Zowel Nayra als haar vader Eusebio wonen tegenwoordig in een huis van baksteen. Mijn peetoom bezit een motorfiets en een mobiele telefoon; hij noemt het een zegen dat de guerrillaoorlog is uitgewoed. Zijn grote zorg is het opdrogen van de waterbron in de vallei, waardoor er minder akkerland kan worden bevloeid.

Nayra is getrouwd met haar jeugdliefde Heriberto, met wie ze drie kinderen heeft. Ze verbouwt tuinbonen en aardappelen, en houdt fawnkleurige alpaca’s.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next