In de vijftig jaar nadat ze als 7-jarige Suriname had verlaten, zag Sheila Sitalsing haar geboorteland herhaaldelijk transformeren. Door repressie en corruptie, veerkracht en hoop. Nieuwe olievondsten duwen het jubilerende land naar weer een transformatie, met een onzekere toekomst.
is podcastpresentator en columnist voor de Volkskrant.
Toen we uit Suriname vertrokken was ik trots, want ik had een eigen koffertje. Ik was 7 en over acht weken zou het land onafhankelijk worden. Er lag een groot feest in het verschiet, maar dat zouden wij niet meemaken, want volgens mijn vader viel er niks te vieren.
In mijn herinnering was mijn koffertje donkerblauw en vierkant. Maar herinneringen zijn verraderlijk, want een tijdlang meende ik ook dat we over de startbaan van het vliegveld naar een KLM-toestel zijn gelopen dat ons voorgoed weg zou voeren (het was geen KLM, want we gingen niet naar Nederland zoals bijna alle andere vertrekkers, wij vlogen naar Curaçao. Ik denk dat het Curaçao werd omdat mijn Surinaams-Hindostaanse vader een laag vertrouwen in de soevereiniteitsoverdracht combineerde met een hekel aan Nederland – die zaken kunnen samengaan).
Dit verkeerde herinneren komt door alle foto’s en filmopnamen die later over mijn eigen beelden heen zijn gelegd, van de onafzienbare stroom mensen – mannen, vrouwen, kinderen, heel veel kinderen – lopend over Zanderij met een grote tas in de hand, op weg naar een KLM-blauwe jumbojet.
In het onafhankelijkheidsjaar 1975 emigreerden 40 duizend Surinamers naar Nederland – meer dan honderd per dag, elke dag. In de jaren vlak ervoor en vlak erna waren het er ook veel; het CBS heeft uitgerekend dat er in de afgelopen vijftig jaar in totaal 250 duizend mensen uit Suriname naar Nederland zijn gekomen om te blijven.
Ze wilden de economische onzekerheid en de hoge werkloosheid ontvluchten, ze waren gehecht aan hun Nederlandse paspoort, ze hadden weinig fiducie in de politieke leiders en ze wilden weg van de etnische spanningen – wat een mooie manier is om te zeggen dat Hindostanen lelijke dingen zeiden over creolen en omgekeerd.
In het Nederland van nu zou de halve politiek aan de beademing liggen bij zoveel belangstelling, toen werd dat met vrolijke volharding geschafft. In een reportage van het Polygoonjournaal uit begin 1975 zie je volgeladen bussen die de net-nog-rijksgenoten van Schiphol naar het opvangcentrum brengen.
Daar krijgen ze winterkleren, wordt ze uitgelegd hoe je handschoenen aandoet en waar een sjaal voor dient, en roept een medewerker om: ‘Ik ga u vragen waar u in de toekomst in Nederland wil wonen. Eén ding: u kunt niet naar Amsterdam, niet naar Den Haag, niet naar Rotterdam en niet naar Utrecht. Die plekken zitten mudvol.’
Op Curaçao hoefden we geen sjaal om. Mijn moeder hing de houten indiaan op die iedere Surinamer waar dan ook ter wereld aan de wand heeft hangen en mijn vader liet vloerplanken van basralokus, tropisch hardhout uit de Amazone, overkomen. Zo woonden we nog steeds op Surinaamse bodem.
Terugreizen voor een bezoek was makkelijk, snel en niet duur. Elk jaar reisde mijn vader erheen om te vissen en te jagen, mijn (Hollandse) moeder hoefde niet zo nodig. Na terugkeer klaagde mijn vader dan wekenlang steen en been over de toestand waarin hij het land had aangetroffen – grootse plannen die alwéér nergens toe hadden geleid, geld dat alwéér zoek was geraakt, politici die elkaar alwéér weinig hadden gegund, mensen die nog ontevredener en teleurgestelder waren dan een jaar eerder – om het jaar daarop opnieuw opgewonden met hengel en jachtgeweer af te reizen, want Suriname bleef het mooiste land ter wereld.
De laatste keer dat we er waren voordat het gruwelijk misging, was het 1980, de staatsgreep was al gepleegd. Er liepen gewapende militairen over straat, maar in mijn herinnering voelde het niet serieus. Misschien omdat de volwassenen het niet allemaal even serieus leken te nemen. Een kleine aberratie was het misschien, een tijdelijke oprisping van overmoedige, jonge sergeanten die even orde op zaken waren komen stellen en snel zouden terugkeren naar de kazerne.
In Latijns-Amerika werd in die jaren overal als een dolle gevochten, mensen verdwenen in massagraven en werden uit vliegtuigen in zee gegooid, achter elke mensenrechten schendende generaal bleek een geheim agent van de CIA of een Sovjetspion aan de touwtjes te trekken, maar, zo bezwoer men, Suriname was ánders. Het is de bezweringsformule waarmee het land zich al vijftig jaar op de been houdt – Suriname is ánders – en die telkens opnieuw wordt gelogenstraft.
Ook toen bleek Suriname heel gewoon te zijn, en het patroon te volgen van elke ordinaire dictatuur: repressie, machtsmisbruik, corruptie, zelfverrijking en executie van politieke tegenstanders onder de vlag van ‘revolutie’. Later kwamen daar georganiseerde drugscriminaliteit en massamoord op burgers in het binnenland bij.
Mijn vader is in die jaren nog één keer teruggevlogen om te helpen bij het vrijpleiten van een door de militairen opgepakte zwager en verkondigde daarna dat we nooit meer naar dat ellendige rotland zouden gaan.
In zijn omvangrijke Surinamica-collectie vond ik Veil: The Secret Wars of the CIA 1981-1987, een schandaalkroniek van de bloedsporen die het Amerikaanse interventionisme door de wereld heeft getrokken. In Veil beschrijft Bob Woodward, de grote Amerikaanse onderzoeksjournalist van het Watergateschandaal, dat de directeur van de CIA in 1983 graag een haalbaarheidsstudie wilde doen naar de mogelijkheid het regime-Bouterse (‘Nothing but leftist trouble’) te wippen.
Het plannetje kwam voor de Senaatscommissie die over de veiligheidsdiensten gaat, waar verbijsterd werd gevraagd waarom de VS zich in godsnaam zouden mengen in een land ‘zonder betekenis’. Met een bevolking die met toen 400 duizend man net zo klein was als die van Tucson, Arizona, en inwoners die net zo ‘primitief en vriendelijk’ waren ‘als die van Tahiti’. Met de woorden van een van de Senatoren, ‘This is the dumbest fucking idea I ever heard of in my life’, zijn de plannen van tafel geveegd.
Daar kwam het ellendige rotland van mijn vader goed weg. Suriname moest zich aan de eigen haren uit het moeras omhoogtrekken. En dat deed het.
Van buitenaf was dat niet altijd even goed te zien, en, toegegeven, van binnenuit ook niet. Na elke centimeter die het land omhoogklom, richting herstel van de democratie, naleving van de rechtsstaat, economische zelfstandigheid, evenwichtige welvaartsverdeling, functionerende gezondheidszorg, stimulerend onderwijs, verantwoordelijk grondstoffenbeheer en alle andere dingen die je een land als Suriname zou kunnen toewensen, gleed het een halve centimeter terug. Soms twee, als het tegenzat.
Mijn vader verloor in de loop der tijd niet zozeer zijn belangstelling voor het land als wel het vermogen om de zonzijde ervan te zien. Het was allemaal ellende, vond hij, vroeger was alles beter, nu was er gebrek. In de jaren negentig moesten mensen vieze stukken aluminiumfolie afwassen voor hergebruik en met één kippenpoot een pom voor zes personen maken. In de jaren nul leken de rechtszaken over alles wat er was gebeurd onder de dictatuur te stranden voordat ze goed en wel van start waren gegaan. In de jaren tien kozen de mensen hun oude dictator als president. Als iemand ‘ja maar Suriname is ánders’ zei, antwoordde mijn vader: het is een gewoon derdewereldland, waar je doodgaat als je ziek bent omdat in het ziekenhuis niets functioneert.
Daarmee toonde hij zich een typisch lid van de diaspora, die omvangrijk en bemoeizuchtig is en elke gelegenheid aangrijpt om de Surinamers die zijn gebleven te wijzen op alles wat ze verkeerd doen. Van hun politieke keuzes tot hun rekbare begrip van tijd. (De diaspora vindt het overigens onbegrijpelijk dat ze niet geliefd is onder Surinamers die in Suriname zijn gebleven.)
De verzuchtingen over een land waar niets goed gaat, vormen maar de helft van het verhaal. De andere helft gaat over veerkracht en hoop en losbreken uit oude verbanden.
Over een rechtsstaat waarin rechters zo soeverein konden opereren dat ze een zittende president hebben durven veroordelen voor meervoudige moord.
Over een land dat zich dankzij Chinese financiering zelfstandiger en zelfverzekerder tot de wereld is gaan verhouden, want terwijl het Westen met zichzelf bezig was, heeft China het hele mondiale Zuiden op sleeptouw genomen en opgestoten in de vaart der volkeren. Dat zal zo blijven zolang het Westen daar weinig anders tegenover zet dan gefronste wenkbrauwen, geschrapte hulpprogramma’s en zelfbeklag.
Over een land dat zich mede daardoor elk jaar een stukje verder van het Nederlandse verleden verwijdert, en langzaamaan wegdrijft van de notie dat Nederland een speciaal buitenland is. Over mensen die zo goed zijn in samenleven met verschillen dat ze er college over zouden kunnen geven aan laffe Nederlandse politici die enkel nog in ophitsende termen kunnen communiceren.
Over een bevolking die zo jong is – er zijn meer mensen ná de onafhankelijkheid geboren dan ervoor – dat het er barst van de levenslust en de energie. Over gelukzoekers die uit Brazilië, China of Cuba komen, omdat er goud en kansen liggen, en die avontuur en vrolijkheid meebrengen. Over een middenveld van betrokken burgers die het er niet bij laten zitten en de gaten dichtlopen die de matig functionerende overheid laat vallen.
Door zelf speciaal onderwijs te organiseren voor kinderen met dyslexie of autisme, door zelf gezondheidszorg naar kwetsbare burgers te brengen, door zelf vangnetten te organiseren voor burgers die hulp nodig hebben, door aan de samenleving te bouwen met een creativiteit en een werklust waar je in rijke landen met een lampje naar moet zoeken.
Mijn vader was al dood en het huis met de basralokusvloer was al verkocht toen de grote olievondsten voor de wilde kust werden gedaan. Binnen afzienbare termijn gaat die olie stromen, de energietransitie ten spijt, samen met de bijbehorende miljarden. De opwinding is tastbaar, alles ritselt en bruist, zeggen mensen die er dichtbij staan.
Van over de hele wereld stromen bedrijven toe die platformen op zee gaan bouwen, de olie gaan oppompen, de infrastructuur gaan verzorgen, ondersteuning gaan leveren, of gewoon op de reuring afkomen. Een olie- en gasconsortium met een beurswaarde die groter is dan het bruto nationaal product van Suriname strijkt er neer. De een zoekt negenduizend man personeel, de ander nog meer. Van overal zullen mensen worden gehaald.
Suriname is altijd een land van de kleine schaal geweest: op een bevolking van 640 duizend inwoners van wie een aanzienlijk deel straatarm is, valt geen bruisende metropool draaiende te houden vol concertpodia, clubs, bioscopen, restaurants, winkels, debatcentra, boekhandels, festivals en musea. De komst van zoveel nieuwe mensen die iets te besteden hebben, zal iets doen met het aanbod, de looiige bureaucratie en de dorpse sfeer in het land.
Er wordt al als een gek gebouwd, ruime huizen met zwembad voor welvarende expats. De grootste oliebedrijven overwegen voorzieningen als eigen medische klinieken en scholen op te tuigen om de professionals die ze nodig hebben te lokken. Voor wie in kansen denkt, is Suriname braakliggend terrein waarop een nieuwe wereld kan verrijzen.
Het dubbeltje kan nog alle kanten op rollen. Noorwegen is het gedroomde voorland. De gas- en oliewelvaart wordt daar superverantwoord en netjes beheerd en verdeeld via een staatsfonds. Angola is het schrikbeeld, met honger en kleptocratie van de buitencategorie. Over Qatar hoor je ook weleens: een rijke bevolking die het zware werk laat doen door wegwerparbeiders met wurgcontracten.
Iets daartussenin moet mogelijk zijn, hopelijk iets meer Noorwegen dan Angola, of Qatar zonder de moderne slaven, zo is de vaak geuite hoop. Een land dat zichzelf bedruipt, waar de bonnetjes misschien af en toe kwijt zijn, maar waar wel goed voor alle mensen wordt gezorgd. Een land waar de vliegtuigen niet landen om mensen op te halen en voorgoed weg te voeren, maar om mensen te brengen, die zullen blijven. Een land dat niet anders is, maar gewoon Suriname.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant