De snelheid die Femke Kok afgelopen zondag in Salt Lake City haalde bij haar wereldrecord op de 500 meter, biedt perspectief voor haar mannelijke sprintcollega’s. Die laat namelijk zien dat het bij hen ook sneller moet kunnen.
is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, atletiek en roeien.
Bijna drie tienden van een seconde haalde Femke Kok afgelopen zondag af van de oude toptijd (36,36) op de 500 meter, een afstand waarbij het meestal om honderdsten gaat. Wie in de cijfers duikt, kan concluderen dat haar wereldrecord (36,09) scherper is dan de toptijd op de 500 meter bij de mannen.
Het is complex om wereldrecords op verschillende afstanden en tussen mannen en vrouwen met elkaar te vergelijken. Dat is goochelen met minuten, seconden, tienden en rondes. Iets meer houvast biedt de gemiddelde snelheden die de wereldrecordhouders haalden tijdens de races die de boeken in zijn gegaan.
Ook al is de 500 meter de kortste afstand, het is niet het vlotste onderdeel op de langebaan. Het op gang komen vanuit stilstand maakt een relatief groot deel uit van de inspanning; pas bij het ingaan van de tweede bocht komen de schaatsers echt op stoom, en dan komt de finish al in zicht. Dat drukt de gemiddelde snelheid.
Kok haalde zondag over 500 meter een gemiddelde van 49,88 kilometer per uur, terwijl Brittany Bowe in 2019 tijdens haar wereldrecordrace op de 1.000 meter (1.11,61) gemiddeld 50,27 kilometer per uur reed. Het snelheidsverschil tussen Koks 500 meter en Bowes 1.000 meter bedroeg dus slechts 0,39 kilometer per uur.
Opvallend is de vergelijking met de 1.500 meter, waar sprinters en stayers elkaar treffen en dat daarom als ‘koningsnummer’ geldt. Kok was afgelopen zondag rapper dan wereldrecordhouder Miho Takagi in 2019 over 1.500 meter was. De Japanse haalde met 1.49,83 een gemiddelde snelheid van 49,17 kilometer per uur.
Een blik op de tijden bij de mannen onthult dat Kok in relatieve zin haar mannelijke collega-sprinters voorbij is gestreefd. Het wereldrecord op de 500 meter van Pavel Koelizjnikov (33,61) is in een duidelijk lager tempo gereden dan het wereldrecord op de 1.500 meter van Kjeld Nuis (1.40,17). De Rus ging in 2019 met 53,56 kilometer per uur over het ijs, de Nederlander in datzelfde jaar met 53,91 kilometer per uur.
Koelizjnikov ging op zijn 500 meter bovendien ruim 1,5 kilometer per uur trager dan Jordan Stolz in 2024 bij zijn wereldrecord op de 1.000 meter (1.05,37). De Amerikaan haalde een moyenne van 55,07 kilometer per uur, het snelste gemiddelde van allemaal.
Dat Kok de verhoudingen tussen 500, 1.000 en 1.500 meter heeft opgeschud, zegt iets over haar bijzondere prestatie, maar het kan ook als motivatie dienen voor de mannen. En dus voor Koks ploeggenoot Jenning de Boo.
Die bleef in Salt Lake City met 33,63 slechts 0,02 seconden verwijderd van de toptijd van Koelizjnikov. Op de snelle ijsbaan van Calgary heeft De Boo op zaterdag en zondag opnieuw twee kansen. Koks prestatie indachtig weet De Boo dat het wereldrecord op de 500 meter ruimte biedt voor verbetering.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant