John Jagt | paleontoloog Het geologische tijdperk Maastrichtien is nu door paleontoloog John Jagt gemarkeerd met een zilveren spijker. ‘Hier in Limburg is de laag uitzonderlijk goed te bestuderen.’
Paleontoloog John Jagt van het Natuurhistorisch Museum Maastricht.
Normaal gesproken haalt paleontoloog John Jagt, conservator bij het Natuurhistorisch Museum Maastricht (NHMM), vooral objecten úít de kalksteenwand van de ENCI-groeve: fossiele zee-egels, vuursteenknollen, de kaak van een mosasaurus. Maar op 14 september jongstleden sloeg hij er voor de verandering eens wat ín. Een kloeke verzilverde spijker met daarop in kapitalen: HET MAASTRICHTIEN.
Een knipoog naar de internationale golden spike, vertelt Jagt, wandelend door de voormalige groeve van de Eerste Nederlandse Cement Industrie – van 1926 tot 2018 werd hier kalksteen gewonnen. „Die gouden spijkers vormen binnen de geologie het ijkpunt waarmee het begin of einde een geologisch tijdvak wordt vastgelegd. Hier, in de groeve, ontbreken de basis en de bovenkant van het Maastrichtien weliswaar, maar krijg je wel een uniek inkijkje in het tijdvak – niet voor niets is het naar deze locatie vernoemd. Daarom leek een zilveren spijker me een mooi alternatief.”
Het Maastrichtien is beroemd als laatste fase van het Laat-Krijt, die duurde van pakweg 71 miljoen tot 66 miljoen jaar geleden. Jagt: „Toen maakte de meteoriet op Mexico, bám, een einde aan alle dino’s.” Op de plek van het huidige Nederland en België lag destijds een ondiepe, tropische zee waarin zee-egels en slangsterren leefden en reptielen van ruim tien meter lang rondzwommen: mosasauriërs. „Een van de eerste mosasaurusschedels die ooit hier in de Sint-Pietersberg werd gevonden is eind achttiende eeuw door de Fransen meegenomen naar Parijs.” Het was een cruciaal fossiel voor de paleontologie, omdat de beroemde natuurwetenschapper Georges Cuvier daarmee voor het eerst het bewijs in handen kreeg dat soorten konden uitsterven.
Het slaan van de spijker, op Open Monumentendag, vond plaats op een voor Jagt emotioneel moment. Twee dagen eerder was zijn moeder overleden. „Maar we hebben de feestelijkheden laten doorgaan, dat had ze zo gewild. Ze wíst hoe belangrijk het Maastrichtien voor mij is.” Want Jagt is door en door Maastrichtien-man. In 2000 promoveerde hij, oorspronkelijk opgeleid als Engelse taal- en letterkundige, aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op een proefschrift over de stekelhuidigen van het Laat-Krijt en Vroeg-Paleogeen: de zee-egels, zeelelies, zeesterren en slangsterren die óók in die zee leefden. „Ik geloof niet in een schepper, maar de slangster zit zó mooi in elkaar, daar klopt echt alles aan…” Enthousiast: „En wist je dat sommige neolithische graven met zee-egels zijn versierd? Vanwege hun vijfzijdige symmetrie leken ze op een natuurlijk pentagram.”
De zilveren spijker in de mergellaag tussen vuursteenbank 10/11 en 12 in de ENCI-groeve bij Maastricht.
Hij schreef tal van wetenschappelijke publicaties over het Maastrichtien, woonde tientallen congressen bij. Zijn decennialange toewijding aan het Laat-Krijt leverde hem recent twee belangrijke Belgische geologieprijzen op, die in oktober in Brussel werden uitgereikt. In het Museum voor Natuurwetenschappen te Brussel – „in dezelfde zaal waar ik dertig jaar geleden mijn vrouw Elena leerde kennen, zij is ook paleontoloog” – ontving hij de André Dumont-medaille, een prijs die jaarlijks wordt uitgereikt aan een niet-Belgische wetenschapper die gedurende zijn loopbaan een significante bijdrage heeft geleverd aan de aardwetenschappen. Daags erna kreeg hij van de Vrije Universiteit Brussel de Paleontologica Belgica Award – een erkenning voor paleontologen die actief samenwerken met citizen scientists én het brede publiek betrekken bij wetenschappelijk onderzoek.
Recent nog is Jagt toegetreden tot een commissie die zich opnieuw zal buigen over de ondergrens van het tijdvak. „Bij Tercis-les-Bains, in het zuidwesten van Frankrijk, is die bijna dertig jaar geleden vastgelegd met een golden spike. De grens is mede bepaald op basis van de aanwezigheid van één bepaalde ammonietensoort, een uitgestorven inktvisachtige. Maar dat zogeheten gidsfossiel blijkt nu helemáál niet zo kenmerkend voor het begin van het Maastrichtien. De vraag waarover wij ons nu gaan buigen is wat die grens dan wél definieert.”
Jagt wijst op de spijker. Daar staat óók de naam André Dumont op, de naamgever van de medaille die hij net heeft gekregen. „Hij was, in 1849, de eerste die de naam Maastrichtien opperde en deed als geoloog en mijnbouwkundige ook onderzoek. Hier in Limburg is de laag uitzonderlijk goed te bestuderen; in Amsterdam bijvoorbeeld moet je er al 700 meter diep de grond voor in. Maar nog altijd weten we maar zó’n klein beetje” – hij houdt duim en wijsvinger een centimeter uit elkaar – „van het Maastrichtien.”
Om die reden is hij met collega’s van de Universiteit Maastricht, de Vrije Universiteit Brussel en de Katholieke Universiteit Leuven zes jaar geleden het Maastrichtian Geoheritage Project begonnen. „Ons doel was om op basis van onder andere drone-onderzoek en gesteentemonsters een zo gedetailleerd mogelijk beeld van de kalksteenwand in de groeve te krijgen. Zo hebben we inmiddels achterhaald dat er tussen de verschillende horizontale vuursteenbanken, die zich op regelmatige afstand van elkaar in het kalksteenpakket bevinden, steeds een periode van 21.000 jaar zit. Een duidelijke ritmiek die gekoppeld lijkt te zijn aan de zogeheten precessiebeweging van de aardas. In iets meer dan 21.000 jaar wiebelt de aarde als een soort tol om de eigen as heen, en dat zorgt voor variaties in het klimaat. Wij vermoeden nu dat íéts in die klimaatschommeling tot een grootschalige reactie tussen silicium en zuurstof zorgt, waarbij extra veel vuursteen ontstaat. Maar wat dat precies is moeten we nog achterhalen: je kunt vuursteen niet zomaar namaken in het lab.”
De Zilveren Spijker heeft hij tussen vuursteenbank 10/11 en 12 geslagen, een periode waarin er een abrupte opwarming plaatsvond. „Je ziet aan de fossielensamenstelling dat er een wisseling van de wacht plaatsvond: eerst kwamen er veel zee-egels van het geslacht Echinocorys voor, maar in de warmere zeeën kreeg het geslacht Hemipneustes de overhand.”Het bemonsteren van de wand gaat heel gestructureerd, vertelt hij: om de 5 centimeter wordt er een gesteentemonster genomen. Met een verlangende blik op de kalksteenbank: „Soms zie je de zee-egels zó goed zitten… Dan kost het echt zelfbeheersing om ze er niet ter plekke direct uit te hakken.”
Op het terras naast de groeve, in de herfstzon, praten Jagt en fotograaf Chris Keulen over het verschil tussen kijken en waarnemen: dat je ergens naar kijkt betekent immers niet direct dat je het ook echt zíét. Net als in de fotografie is in de paleontologie juist dat zien essentieel, benadrukt Jagt. „Je moet soorten soms op basis van minieme details van elkaar kunnen onderscheiden. Kunstmatige intelligentie is naar mijn mening ook echt een probleem als het op taxonomie aankomt. De computer wekt de indruk dat hij soorten perfect op naam kan brengen, maar dat is lang niet altijd het geval. De menselijke waarneming blijft essentieel, al die kennis mag niet verdwijnen. Anders loop je straks het gevaar dat paleontologen niet eens meer een bivalve [een tweekleppig schelpdier, GV] van een brachiopode [een ánder tweekleppig schelpdier] kunnen onderscheiden.”
Zelf begon hij al op jonge leeftijd met nauwkeurig waarnemen: als zevenjarige hoorde hij op school in Venlo van een docent over fossielen in Naamse hardsteen, een grijze, fijnkorrelige kalksteensoort. „Mijn oma had thuis precies zo’n blok in de tuin liggen dus dat heb ik – zonder haar toestemming – direct kapotgehamerd. Ik vond een stuk koraal, mijn allereerste fossiel.”
In de ENCI-groeve nabij Maastricht zijn veel fossielen uit het Maastrichtien gevonden.
Later kocht hij in een souvenierwinkeltje in Valkenburg zijn eerste fossiele zee-egel. En als middelbare scholier reisde hij per trein naar Zuid-Limburg en wandelde tientallen kilometers langs oude groeven, op zoek naar fossielen. „Dan kwam ik thuis met 35 kilo paleocene kalksteen in mijn rugzak.”
Hetzelfde enthousiasme ziet hij bij veel jonge museumbezoekers. „Die zijn zó geïnteresseerd. Ja, soms zijn ze even teleurgesteld als ze ontdekken dat de mosasauriërs in onze collectie geen echte dino’s zijn. Maar een reusachtig in zee levend reptiel vinden ze uiteindelijk minstens zo cool.” Lachend wijst hij naar een groepje eenden. „Kijk, dáár heb je nog wat levende dino’s!”
De werknemers van het Natuurhistorisch Museum Maastricht vormen een hecht team, dat niet alleen uit vaste krachten bestaat maar ook uit tientallen vrijwilligers, zegt Jagt. „Ik kan niet vaak genoeg benadrukken hoe belangrijk ze voor ons zijn – bij het prepareren, bij het ontwikkelen van digitale animaties, maar ook bij het zoeken naar nieuwe fossielen.” Het woord amateur heeft ten onrechte een negatieve bijklank, benadrukt hij. „Zelf ben ik uiterst trots om amateur te zijn, om liefhebber te zijn.”
Momenteel werkt het team aan een nieuwe opzet voor het museum. In het museumcafé licht Jagt met zijn collega, hoofdconservator Astrid Smeets, de plannen toe: de inrichting zoals die nu is gaat helemaal op de schop. „Die is nu al decennialang vrijwel ongewijzigd. Daar gaan we verandering in brengen”, zegt Smeets. „De nadruk zal veel meer komen te liggen op de biodiversiteit. We willen het grotere verhaal vertellen van het leven gedurende het Krijt – naast de mosasauriërs zwom en kroop er nog zoveel meer interessants rond in die tropische zeeën.” Jagt: „Al blijft Bèr natuurlijk wel onderdeel van de collectie.” Die 11-meter-lange mosasaurus werd in 1998 opgegraven in de ENCI-groeve.
In het depot herbergt het uit 1912 stammende museum nog allerlei schatten die zelden of nooit zijn tentoongesteld, zegt hij. „Denk aan brieven van Eugene Dubois, de Limburger die later in Indonesië de eerste overblijfselen van Homo erectus ontdekte. Aan de collectie van Mien van de Geijn, die in 1937 promoveerde als een van de eerste vrouwelijke paleontologen. Of aan de Wasmann-collectie, een mierenverzameling die tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdelijk door de Duitsers is ontvreemd.” Onder anderen Heinrich Himmler had interesse in insecten, al was het geen pure liefhebberij: hij wilde ook kijken hoe ze konden worden ingezet om ziektes over te brengen. Wat niet in de nieuwe tentoonstelling terechtkomt zal worden overgeplaatst naar een open depot in het nabijgelegen Centre Céramique, zegt Smeets. „Daar kunnen studenten, onderzoekers en vrijwilligers de verzameling raadplegen. Wat zo leuk is, is dat alles uit de collectie uit de omgeving afkomstig is.”
Over 2,5 jaar moet Jagt met pensioen bij het museum, zegt hij met weemoed in zijn stem aan het eind van het gesprek. Maar aan ophouden denkt de man die in zijn loopbaan al ruim 275 nieuwe fossiele soorten, geslachten en families beschreef nog lang niet. „Paleontoloog blijf je voor het leven.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC