Home

Wat te doen tegen rampen? Koop een tas met spullen en praat met je buurvrouw

Noodpakket Wat zegt de overheid nou eigenlijk in de brochure over noodsituaties die alle Nederlanders vanaf volgende week krijgen, vraagt Christiaan Weijts.

‘Wij hopen dat er geen oorlog komt. Wij hopen, dat als een oorlog onvermijdelijk blijkt, het geen kernwapenoorlog zal worden. Maar ook in dat geval mag u niet machteloos zijn; en hoeft u het ook niet te zijn.’ Zo klonk het in 1961, toen de dienst Bescherming Bevolking aan elk huishouden een brochure stuurde: Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf. Vanaf komende week valt er weer zo’n boekje in elke brievenbus – voor het eerst in 64 jaar (twee medische folders, over de Mexicaanse Griep, 2009, en de corona-vaccinaties, 2021, even buiten beschouwing gelaten).

Christiaan Weijts is is schrijver en essayist

„Het is op dit moment geen oorlog in Nederland, maar ook geen vrede,” lezen we nu. De taal van beide boekjes vergelijken is fascinerend, omdat die zowel moet geruststellen als waarschuwen. U hoeft niet machteloos te zijn, was toen de formule. Nu klinkt het dat we ons „juist nu” moeten voorbereiden: „Niet omdat we bang zijn, maar om samen sterk te staan.”

Alstublieft, uw gasmasker. Niet om u te verontrusten, maar gewoon, een feestelijke accessoire om je beter te voelen.

„Het zal uw wel duidelijk zijn, dat het niet mogelijk is, er voor te zorgen dat u straks in uw huis of schuilkelder even uitgebreid en gevarieerd warm en koud eet als nu. Dus nu gaan wij nog eens opschrijven alle zaken, die u bepaald nodig hebt of waar u in ieder geval nut van kunt hebben.” Dit is werkelijk hoe de overheid van 1961 communiceerde. Het bezorgde bij Harry Mulisch een driedaagse ‘woede- en lachaanval’, die uitmondde in een parodieboekje: Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf, tijdens de jongste dag. Daarin tilde hij de dreiging op naar een metafysisch toneel: „Wanneer u dit boekje zorgvuldig hebt doorgelezen zult u zien, dat u veel meer tegen het Laatste Oordeel kunt doen dan u dacht.” Vervolgens geeft Mulisch adviezen tegen de verschillende fasen van de Apocalyps. (De engelen? ‘Lawaai maken’, bij voorkeur met een speciale ‘ratel’.) Impliciete boodschap: je kunt je niet verweren tegen een atoomoorlog, en de toon van de overheid is absurd bevoogdend.

Checklist en stappenplan

De brave jaren-vijftig-burger van toen is inmiddels veranderd in een zelfbewust individu. Die laat zich niet sussen met een geduldige uitleg over de atoombom. Die wil een checklijst, een stappenplan en een pragmatische coach.

Dus hebben we nu een overheid die zich opstelt als empathische procesbegeleider tijdens de catastrofe. Althans, tijdens de eerste 72 uur daarvan. Dan moet de burger zichzelf kunnen redden: ‘in die tijd kan de overheid hulp beter organiseren’, mocht het allemaal langer duren.

Die drie dagen kom je door met drie stappen – een noodpakket, vooraf een noodplan maken en met elkaar praten – elk weer onderverdeeld in tussenstapjes. Een noodpakket samenstellen? „Doe daarvoor de volgende dingen: 1. Kijk welke spullen je al in huis hebt. 2. Schrijf op wat je nog in huis moet halen. Denk ook aan spullen specifiek voor jouw situatie. 3. Haal de ontbrekende spullen in huis.”

Hier miste ik nog het tussenstapje 2b: mocht je dit niet kunnen betalen, vraag dan je werkgever die spullen te geven als kerstpakket. Die oproep deed de veiligheidsregio Kennemerland al.

Of 2c: wacht op gulle stichtingen die geld voor noodpakketten inzamelen, zoals in Wijchen, waar de gemeente het bedrag dan van verdubbelt.

Anders rest alleen nog 2d: bestel je noodpakket op Sinterklaasjournaal.nl. Daar is een dreigende noodsituatie nu ook het thema. Maar juist het geruststellende waarschuwen van de jongste preppertjes joeg ouders op de kast: het was ze allemaal net iets té echt.

De noodlijst uit 1961 omvatte beddengoed, drinkwater, noodverlichting, zeep, maar ook ‘lectuur’ en ‘spelletjes’. Nu staan er ook checkboxjes met ‘opgeladen powerbank’, ‘contant geld’ (70 euro per volwassene, 30 per kind), ‘plattegrond of kaart’, ‘fluitje om aandacht te trekken’, ‘gereedschap, zoals hamer, zaag en kniptang.’

Stap 6: ‘Check elke zes maanden de inhoud van je noodpakket. Zet dit ook in je agenda.’ Check je overlevingspakket bij volle maan. Maak het onderdeel van je ochtendroutine. Test je fluitje tijdens elk luchtalarm.

En de honkbalknuppel?

Items als de ‘honkbalknuppel’ en de ‘pepperspray’ staan dan weer niet op de lijst. Zeker als de ontwrichtingen zich niet houden aan de 72 uur uit de folder, hoe reëel is dan het risico van plunderingen? Dat het dit voorjaar in Spanje níet gebeurde tijdens de stroomuitval, wil niet zeggen dat wij daar ook gerust op kunnen zijn. In 1984 sloegen groepen jongeren in Groningen bijvoorbeeld massaal aan het vernielen en plunderen tijdens een stroomstoring.

Dat de folder zwijgt over de fysieke vormen van ‘weerbaarheid’ – het buzzwoord op allerlei ministeries – verraadt een diepere lacune onder al dit aansturen op vooral huiselijke en procedurele paraatheid: de sociale dimensies. Bij eerdere aansporingen om noodpakketten aan te leggen, klonk er al kritiek dat daar al te weinig oog voor was.

Ogenschijnlijk is dat bepaald niet tegen dovemans oren geweest. Als de beproevingen daar zijn, resten ons de drie heilige p’tjes: een pakket, een plan en het praten, maar de grootste daarvan is toch wel dat praten.

In het hart van ons rampenboekje vinden we twee pagina’s tekstballonnetjes met suggestievragen, die je spontaan en terloops aan je buurman kunt stellen: „Wie in onze omgeving heeft extra hulp nodig in een noodsituatie?” „Met wie moeten we nog meer in gesprek om samen beter voorbereid te zijn?”

In gesprek gaan, in gesprek blijven. Als de bom valt veranderen we in een nationale praatgroep. Dit impliceert een publiek dat in wezen nog even inschikkelijk en eensgezind is als de wederopbouwgeneratie in 1961. De realiteit is anders. In de online-reacties op het boekje en de bredere ‘Denk Vooruit’-campagne merk je nu al een kloof tussen degenen die pleiten voor burgerreservetroepen met wapens en degenen die zweren bij meer buurtfeesten.

De folder noemt in de inleiding weliswaar dreigingen als „nepnieuws” „via internet” van „andere landen”, maar heeft tegen zulke verregaande sluipaanvallen geen sterker verhaal dan gesprekstherapie. Als noodverband tegen de afgebrokkelde sociale structuren is dat nogal pover. Twee derde van de lokale verenigingen en bijna de helft van de sportclubs meldde vorig jaar in het Nationaal Verenigingsonderzoek 2024 te vrezen voor het eigen voortbestaan. Wie heeft er nog tijd, laat staan animo, voor vrijwilligerswerk? Buurthuizen verdwenen door bezuinigingen. Sportvelden en -hallen moesten in grote steden wijken voor kantoren en woningen. Kortom, de overheid stuurt folders die zeggen dat we elkaar moeten helpen, terwijl de gemeente de plekken verkoopt waarin dat vanzelf had kunnen gebeuren.

Vrijheid, blijheid

Met dat in gedachten lees ik Mulisch’ parodie ook wel met enige aarzeling. Het was een reactie op een overheid die zich als gezinshoofd tot de verzuilde inwoners richtte. Weg met de betutteling, leve het individu. Vrijheid, blijheid. Het ene ik-tijdperk na het andere volgde zich op. We hebben de paternalistische overheid verjaagd, de gemeenschappelijke structuren ontmanteld, en nu zitten we met een folder die vraagt: „Hoe kunnen we mensen helpen die hier nog niet mee bezig zijn?”

Collectieve zorg is veranderd in individuele verantwoordelijkheid. Dreigt er een ramp? Koop een tas met spullen en praat met je buurvrouw. „Waar maak je je zorgen over?” Een fluitje, een kniptang en een kletspot vol vragenkaartjes: zo komen we het armageddon wel door.

Alles komt samen in de voorbeeldcasus uit de folder: een stroomuitval die zich keurig schikt naar die voorgeschreven 72 uur. Dag 1 is even schrikken: „Je eet de soep koud, in het donker. Hoelang gaat dit nog duren?” Dag 2 is doorbijten: de wc spoelt niet meer door. Maar gelukkig heb je op dag 3 „afspraken gemaakt met je buren om elkaar te helpen”: „Je bent moe, maar ook trots. Je redt het wel.” Je ervaart tegenslag, maar hebt ook je kernkracht ontdekt. We weten niet welke ramp ons treft, maar één ding is zeker, hij maakt ons allemaal tot sterkere versies van onszelf.

In 1961 deed de overheid aan opvoeding, nu vooral aan empowerment. „Luister maar naar ons,” zei ze toen. Nu is dat: „praat vooral met elkaar”. Terwijl zij zelf vanaf een afstandje toekijkt. Niet omdat we bang zijn, maar om samen sterk te staan.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next