Oorlog Europa moet zich, net als Israël, verhouden tot oorlog en kwaad, zonder in de val te trappen van grove versimpelingen, zegt Geert Mak. De geschiedenis herhaalt zich maar is tegelijk anders.
Ultraorthodoxe joden op de Chords Bridge in Jeruzalem tijdens een protest tegen de dienstplicht.
Op de vroege ochtend van 24 februari 2022, toen de tanks Oekraïne binnenrolden, schreef de Russische oorlogsfotograaf Oleg Klimov aan zijn vrienden in het Westen: „Iedereen wachtte op oorlog, maar niemand geloofde erin.” En hij voegde daaraan toe: „Om de een of andere reden kunnen mensen geloven in God en in het goede, maar ze kunnen niet geloven in oorlog en in het kwaad.”
In diezelfde fase zitten wij, in West-Europa, nu ook, ruim drie jaar later: we wachten op een oorlog, en tegelijk geloven we er niet in. Alles herhaalt zich en tegelijk is alles anders. Ja, het kwaad bestaat, het springt weer op onze rug en bijt zich in onze nek, maar het is een fenomeen dat voortdurend beweegt en verandert, het is een geschiedenis die hier en daar herkenning oproept maar die ons tegelijk voert langs nieuwe en onbetreden paden.
Geert Mak is schrijver.
We zien hoe de twee imperia die decennia de wereld bepaalden, het Russische en het Amerikaanse, hun vanzelfsprekende posities verliezen of al hebben verloren. Nostalgische agressie, in allerlei soorten en maten, is het gevolg. Ruslands eerste en grootste slachtoffer is Oekraïne, met de rest van Europa verkeert het land in de beginfase van een hybride oorlog. In de Verenigde Staten herleeft het traditionele isolationisme, de ‘America First’-beweging uit de jaren dertig zet er opnieuw de toon, het internationale vredessysteem van president Roosevelt is na tachtig jaar overboord gezet.
Daarbij komt nog eens de ongekend bloedige pogrom van Hamas op 7 oktober 2023, waarna Israël wraak nam met een orgie van dood en verderf die tot de dag van vandaag voortduurt. Die speelt zich af voor het oog van de hele wereld maar de meeste Europese landen, militair en historisch sterk verbonden met Israël, bleven veel te lang zwijgen en wegkijken.
Gaza betekende een fatale klap voor het morele gezag van Europa in de niet-Westerse wereld, de befaamde Europese soft-power, juist in een periode dat dat gezag overal keihard nodig was. De Indiase historicus Pankaj Mishra vroeg zich af waarom het Westen, dat Oekraïne zo fel verdedigde, de Palestijnen zo nadrukkelijk uitsloot van het verbond van humanitaire plicht en verantwoordelijkheid. Volgens de Egyptisch-Canadese schrijver Omar El Akkad zal Gaza „worden herinnerd als het moment waarop miljoenen mensen naar het Westen keken, naar de op regels gebaseerde orde en zeiden: Hier wil ik niets meer mee te maken hebben.”
Allemaal antisemitisme hoor ik sommigen roepen, alsof die hele complexe situatie in het Midden-Oosten kan worden samengewrongen in één term, alsof het antikoloniale verzet in de rest van de wereld, dat totaal andere wortels heeft, niet legitiem is, alsof het recht op vrede, waardigheid en gerechtigheid niet geldt voor ieder mens op aarde.
Laat ik duidelijk zijn: antisemitisme is een oeroude gruwel die nog altijd zeldzaam veel angst en pijn veroorzaakt, een kwaad dat permanent en systematisch moet worden bestreden. Dat kwaad loert soms ook achter bepaalde kritiek op Israël. Toch is het een gevaarlijke simplificatie om antizionisme automatisch gelijk te stellen aan antisemitisme. Laat staan dat pleidooien voor de Palestijnse zaak dat etiket verdienen.
Wij, in het Westen, vinden de keuze voor Palestina als Joods thuisland vanuit historisch en religieus oogpunt volkomen logisch. Daar moest de nieuwe Joodse staat komen, en nergens anders. In de rest van de wereld werden daar direct al de nodige vragen bij gesteld.
Tekenend is de korte ontmoeting van president Roosevelt met koning Ibn Saoed, stichter van het nieuwgevormde Saoedi-Arabië, in februari 1945. Er was daar net een verpletterende hoeveelheid olie aangetroffen en er moesten snel afspraken worden gemaakt om de Britten en andere kapers op de kust voor te zijn. Maar Roosevelt had nog een ander doel: hij wilde dat Saoed groen licht gaf voor de immigratie van tienduizenden Joden naar de nieuwe nederzettingen in Palestina. Saoed weigerde dat categorisch, ondanks de hoffelijke sfeer. „De schade na een oorlog moet worden betaald door de dader, niet door de omstanders,” vond hij. „Welke schade hebben de Arabieren berokkend aan de Joden in Europa? Het zijn de ‘christelijke’ Duitsers die hun huizen en hun levens hebben afgepakt. Laat de Duitsers betalen.” Kortom: dit is hun probleem, hun schuld, niet het onze.
Voor het Westen vormde Palestina de afkoop van de Holocaust. In de ogen van de rest van de wereld was het vooral een typisch koloniaal project, een agressieve vorm van zogenaamd ‘settlerkolonialisme’ waartegen overal het verzet groeide.
Maar wat moeten we dan zeggen tegen Jean Améry, de Oostenrijkse schrijver die als Jood Auschwitz en de Belgische martelkamers overleefde en die dat altijd met zich mee bleef dragen? Voor hem was Israël het enige toevluchtsoord voor alle vernederde en belasterde Joden van over de hele wereld. Linkse critici vond hij „lichtzinnig en gewetenloos”, hun beschouwingen waren in zijn ogen niets anders dan de zoveelste uitingen van de eeuwenoude Jodenhaat. Wie ooit was gemarteld, zoals hijzelf, bleef levenslang gemarteld, de nazimisdaden en de trauma’s die ze veroorzaakten waren onherroepelijk.
Met het land Israël en het Joodse geloof had Améry weinig affiniteit, allesbepalend waren voor hem de cijfers die in Auschwitz in zijn linkerarm waren getatoeëerd. Als Jood, schreef hij, ben je „een dode man met verlof”, iemand die is gebrandmerkt om te worden vermoord. De staat Israël was het enige veilige baken.
Het was en is een gevoel dat talloze Joden herkennen, ook jongere generaties, binnen en buiten Israël. Toch was die veiligheid maar betrekkelijk. En Israël veranderde, veranderde sterk, uiterlijk en innerlijk.
Een oude vriend die als ondergedoken jongetje nauwelijks de oorlog overleefde en daarna met zijn ouders naar Israël verhuisde, nam na zijn dienstplicht het besluit om dit veilige, beloofde land toch weer te verlaten: „Ik logeerde bij vrienden in een prachtig huis in Jeruzalem, gewoon geroofd van een Arabische familie en opeens realiseerde ik me: er deugde hier iets totaal niet.” Een Israëlische collega vertelde me jaren geleden al dat veel mensen in zijn omgeving stilletjes op zoek waren naar een geschikt alternatief elders in de wereld: „Er is in het huidige Israël, met de huidige mentaliteit, geen toekomst.”
En de Israëlische journalist Ari Shavit begint nu zijn schitterende boek over de triomf en de tragedie van zijn land met de zin: „Zolang ik me kan heugen herinner ik met angst – existentiële angst.”
Iedere natie, zo wordt wel gezegd, is een ‘verbeelde gemeenschap’, met een gedeelde geschiedenis, gezamenlijke idealen, een gezamenlijke toekomstdroom. Maar zo’n ‘verbeelde gemeenschap’ kan sterk veranderen, en in de nieuwe Joodse staat hing die verbeelding nauw samen met de elkaar opvolgende immigratiegolven die elk hun eigen cultuur meenamen.
De verbeelde gemeenschap van het pionierende Israël was nog vervuld van Europese sociale idealen. Het was, ondanks alle spanningen en geweld, een inspirerende, energieke en hoopvolle natie. Pankaj Misra schrijft hoe zelfs bij hem, in het verre New Delhi, een portret van de Israëlische legerleider en politicus Moshe Dajan op zijn studentenkamer hing.
In de jaren daarna sloeg die sympathie totaal om. De Zesdaagse Oorlog en het geweld dat daarop volgde – inclusief de wrede terreur van Hamas en andere groepen – schiepen de voedingsbodem voor een totaal andere mentaliteit. Met name door de immigranten uit de Arabische wereld en de voormalige Sovjet-Unie werd een nieuwe toon gezet: strijdbaar, hard en compromisloos. Israël veranderde zo gaandeweg van een burgerproject in een nationalistisch project waarin de ‘verbeelde gemeenschap’ zich concentreerde om die ene allesbepalende gebeurtenis, de Holocaust. Het werd een collectief geheugen vol dood en trauma dat het land voortdreef, een verhaal waarmee alle problemen van het Midden-Oosten worden weggeveegd, waarin al die botsingen, in al hun complexiteit, worden gevangen in dat ene frame.
Anders gezegd – en zo wordt het soms ook uitgesproken, onlangs nog door Netanyahu zelf: de Arabieren en Palestijnen werden simpelweg de nieuwe nazi’s.
Vanuit de Joodse wereld klonken al snel felle protesten tegen dit nieuwe nationale verhaal. Ook Jean Améry protesteerde tegen de nieuwe lijn van premier Begin, die ‘met de Thora in de hand en teruggrijpend op Bijbelse beloften’ openlijk sprak over het stelen van Palestijns land. Net als zijn lotgenoot Primo Levi waarschuwde Améry dat zoiets de solidariteit tussen Israël en de diaspora op den duur ernstig op de proef zou stellen. „Jullie vrijheid kan alleen verwezenlijkt worden mét jullie Palestijnse neef,” schreef hij zijn Israëlische geestverwanten. „Niet door hem te bestrijden.”
Toen in 1977 persberichten verschenen over systematische marteling van Arabieren en Palestijnen in Israëlische gevangenissen begon Améry steeds meer te twijfelen. Onder de veelzeggende titel ‘De grenzen van solidariteit’ riep hij in Die Zeit „alle Joden die mens willen zijn” op tot een scherpe veroordeling van systematische marteling. Hij deelde het leed, schreef hij, „van iedere gemartelde, ook al is dat een Arabische terrorist met bloed aan zijn handen.” Hij had al eerder gewaarschuwd voor de effecten van martelingen, hij had dat allemaal zelf meegemaakt: „Bij de eerste slag stort het vertrouwen in de wereld in. De visie op een wereld die geregeerd wordt door het principe van de hoop wordt geblokkeerd. Wie is gemarteld is een weerloos slachtoffer van angst.” Voorgoed.
Zijn geestverwant Primo Levi had bovendien grote moeite met de tendens om in het nieuwe Israëlische verhaal alle nuance en complexiteit te vermijden en alles terug te brengen tot een simpele tweestrijd, een ‘wij’ en een ‘zij’. Hij zag hoe een slachting onder Palestijnse vluchtelingen in Libanon, gesteund door het Israëlische leger, een nieuwe golf aan dodelijke vooroordelen teweegbracht. Hij was zo woedend en teleurgesteld dat hij op een bijeenkomst in New York riep dat Israël, historisch gezien, „een vergissing” was. Prompt ontstond een enorm tumult, ‘antisemiet’ klonk het vanuit de zaal. Levi liet zijn arm zien, met het getatoeëerde kampnummer uit Auschwitz. „En dit dan, dit dan, ben ik een antisemiet?”
Het intellectuele geweld van de Amerikaanse zionisten overweldigde hem. Het had, gaf hij later toe, „zijn wil om te leven gedoofd.”
Het nieuwe Israël bood, uiteindelijk, geen barmhartigheid, geen troost, geen redding. Jean Améry vond zijn leven in deze situatie ondragelijk. Een jaar na zijn artikel in Die Zeit koos hij voor de dood in 1978. Primo Levi volgde hem daarin negen jaar later, in 1987.
„Om de een of andere reden kunnen mensen geloven in God en in het goede, maar kunnen ze niet geloven in oorlog en in het kwaad,” ik herhaal de woorden van Oleg Klimov op die catastrofale 24e februari 2022. Alleen vond hij dat onlogisch. „Als het kwade niet bestaat is het goede er immers ook niet.”
Jean Améry wilde de geschiedenis het liefste stilzetten, wilde ons bij de nek pakken om het kwaad, het kwaad dat hij had ondergaan, eindeloos onder ogen te zien. Maar ook hij moest erkennen dat zijn denkwereld onderhevig was aan voortdurende verandering, ook zijn beleving van het kwaad. Het is een veranderlijkheid van het leven en de geschiedenis, een altijd weer pijnlijke zoektocht tussen goed en kwaad die zo overweldigend is, zeker nu, dat we er telkens weer in kunnen verdwalen.
Dat moeten we onder ogen zien, daarmee moeten we zien te leven. Maar grove etiketten, hoe verleidelijk ook, horen daar niet bij.
Dit is een verkorte versie van het dankwoord dat Geert Mak op 7 november in Wenen uitsprak bij het aanvaarden van de Jean Améry-prijs voor zijn Europese essayistiek.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU
Source: NRC