Home

Zonder waardig doel is moed al snel gewoon roekeloos

Politieke deugden Iedereen lijkt moed een belangrijke deugd te vinden, zien Beatrice de Graaf en Rik Peels. Maar hij wordt te vaak verward met neoliberale prestatiezucht en individuele roekeloosheid.

‘Een moedig, maar spijtig besluit’, zo werd Pieter Omtzigts stap geprezen om de politiek de rug toe te keren. ‘Moedig’, zo werd Frits Bolkestein in een necrologie beschreven. Ook Geert Wilders wordt vaak ‘moedig’ genoemd.

Wat opvalt als je dit adjectief eventjes door de zoekmachines haalt, is dat het in Nederland vaak wordt toegepast op individuele personen, meestal op mannen, en dat die moed dan ook nog eens betrekking heeft op hun eigen hoogstpersoonlijke houding of uitspraken. Ook topsporters worden regelmatig als ‘moedig’ bestempeld. De NRC-webwinkel verkoopt zelfs een boek waarin je leert ‘hoe je zo moedig wordt als een topsporter’.

Beatrice de Graaf is faculteitshoogleraar en bekleedt de leerstoel Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht.

Rik Peels is hoogleraar en bekleedt een onderzoeksleerstoel godsdienstfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Ze werken samen bij onderzoeksconsortium Adapt!

Moed is een aparte categorie in de reeks van de zeven klassieke deugden. Het is namelijk een deugd die eigenlijk nooit in de hoek van de tuttigheid, het negatieve of het – in Nederland meest gevreesde verdomhoekje – van het ‘fatsoen’ wordt gezet. Sterker nog, ‘fatsoensrakkers’ zullen zelden als moedig worden afgeschilderd, eerder als hypocriet of schijnheilig. Daarom is moed, fortitudo, een spannende deugd om eens onder de loep te nemen. Want als iedereen, van links tot rechts, zich wel in de deugd van moed kan vinden (ook op links vinden we verwijzingen naar moed in het politieke debat, maar dan minder toegepast op beroepspolitici en meer op activisten), waarom zouden we er dan nog een heel essay aan besteden?

Welnu, juist in tijden waarin heldendom en moed ook vanwege de oorlog in Oekraïne en de discussies over ‘gevechts’- of zelfs ‘sneuvelbereidheid’ weer terug zijn in het publieke debat, is het zaak de interpretatie van deze deugd eens goed te heroverwegen. Want net zoals in ons vorige stuk, over de deugd van de gematigdheid, is het debat in de loop der tijd nogal  vervuild geraakt. Om het echte, klassieke begrip van de deugd fortitudo heen is een hele korst van al te postmoderne, neoliberale prestatiezucht en individuele roekeloosheid gegroeid. En dat is een gemis.

Want, wat betekent het als we Max Verstappen ‘moedig’ of ‘held’ noemen als hij op een circuit het zoveelste miljoen binnenhaalt, en na een glaasje champagne weer terugvliegt naar zijn penthouse in Monaco om daar zijn prijzengeld op de bank te zetten? Of wat is precies moedig aan het doorlopend beledigen van hele bevolkingsgroepen en weglopen als je zelf gevraagd wordt aan oplossingen bij te dragen? Op zo’n manier wordt moed een hoogstpersoonlijke (mannelijke!) individualistische verdienste.

Dat zien we terug in het publieke en politieke debat, die verwarring en subjectivering van wat nu moed precies is. Voor de een is Zelensky een held, die moedig zijn land verdedigt, tegen Poetin, en tegen de sneren van Trump en Vance. Voor aanhangers van de laatsten is hij een vervelende lastpak, die als leider van een klein corrupt landje de wereldvrede in de weg staat. Voor de een was Charlie Kirk een nobele martelaar die zijn leven gaf voor het vrije woord, voor de ander was hij een provocateur en bully. Aan wie je moed toeschrijft lijkt vooral een kwestie van je eigen politieke voorkeuren te zijn.

Hoe kunnen we moed uit deze situatie van neoliberale prestatiedrift en postmoderne politieke polarisatie losweken? Door gewoon, net als we eerder deden, terug te gaan naar de grootmeester van de deugdenleer, Aristoteles.

Die zag moed in zijn Ethica Nicomachea allereerst als het vermogen om angst te overwinnen in het aangezicht de dood. In een tijd waarin Athene zich voortdurend met opstanden en rebellie geconfronteerd wist en zich onder leiding van Alexander de Grote (Aristoteles’ pupil) in veroveringsoorlogen stortte, was het niet verwonderlijk dat Aristoteles zich vooral richtte op militaire moed. Moed, dat is dan het werken aan je vermogen om onverschrokken op het slagveld te staan.

Doel dat de opoffering waard is

Maar gelukkig zag Aristoteles nog een tweede belangrijke dimensie aan de deugd van fortitudo. Moed was voor hem niet de individuele verdienste van die ene soldaat in de strijd. Het was de houding die je helpt angst te overwinnen omwille van een hoger doel dat de strijd en de opoffering waard is.

Dat betekent overigens ook dat de angst of de pijn niet weg hoeft te zijn. Sterker nog, als je geen enkele angst kent, ben je eerder ongevoelig en roekeloos dan moedig. Moed impliceert juist angst, zoals de Middeleeuwse Thomas van Aquino in zijn Summa Theologiae al scherp observeerde. En dat is misschien wel de belangrijkste opdracht van de deugd die moed heet. Ja, het moet je juist iets kosten, en ja, er moet echt een zekere mate van angst overwonnen worden (het gaat dus niet om even een rondje scheuren op het circuit). Maar, nee, niet elke vorm van krachtpatserij of roekeloosheid is die zelfopoffering waard. Het gaat om het doel dat je ermee dient.

En dat brengt ons bij de herijking van de hedendaagse opvatting van moed. Want, net zoals we eerder al betoogden: de ene deugd kan niet los gezien worden van de zes andere, en alle zeven staan ze in dienst van de gemeenschap als geheel. Dat betekent voor fortitudo dat onze postmoderne subjectivistische opvatting van moed voor de oude Grieken volledig onherkenbaar zou zijn geweest. Hoezo is iemand moedig die een sportwedstrijd of een discussie wint? En waarom is het moedig als je voor je eigen plezier aan bungeejumpen, parachutespringen of Russische roulette zou doen? Aristoteles had dat volkomen onzinnig en overmoedig gevonden. Want ja, iemand overwint misschien zijn hoogstpersoonlijke eigen angst, en durft man en paard te noemen, maar waartoe? En waarvoor? Wie heeft hier in hemelsnaam iets aan? Hoezo is het moedig om je leven te wagen om de thrill of om indruk te maken op anderen?

Toch is die subjectivistische opvatting van moed inmiddels diep ingesleten geraakt. Dat ligt overigens niet alleen aan de hedendaagse thrillseekers of individuele sportfanaten. Die individualistische lezing van moed gaat terug naar het begin van de moderniteit. Neem de politiek filosoof Thomas Hobbes. Die behandelt in zijn werk De Cive (1642) deugden zoals rechtvaardigheid inderdaad als op de gemeenschap gericht. Want daarbij gaat het om algemene wetten die zien op een eerlijke inrichting van de gehele gemeenschap. Maar hij zet vervolgens een vreemde knip bij de deugd van moed. Die lijkt bij hem juist niet de gemeenschap maar primair het individu te dienen. Moed is voor Hobbes het vermogen om je angst te overwinnen om bij gevaar je eigen leven te behouden. Misschien heeft het te maken met Hobbes’ sombere visie op de aard van de mens, waarbij het leven vooral een strijd van allen tegen allen is. Maar het is toch echt een misvatting dat iemand die alleen zijn eigen hachje probeert te redden moediger is dan iemand die zijn leven riskeert om anderen te helpen.

Laten we daarom nog weer even teruggaan naar de oude Grieken, en naar die tweede dimensie van moed, de dimensie die op het geheel van de gemeenschap is gericht. Want Aristoteles was niet de enige die over deugden nadacht. Diens geestelijk vader Socrates gaf in Plato’s dialoog Laches nog meer aandacht aan dat tweede aspect en voor hem was moed veel breder dan alleen persoonlijke durf op het slagveld. Iemand kan ook moedig zijn wanneer hij lijdt aan een ernstige ziekte en toch probeert een blijmoedig lid van de gemeenschap te blijven, in armoedige omstandigheden toch zijn gezin probeert te onderhouden, of tegen allerlei weerstand in toch een lastig politiek probleem probeert op te lossen.

Dagelijks bedreigd

Die collectieve dimensie kennen wij gelukkig ook nu nog. Denk bijvoorbeeld aan het zorgpersoneel voor wie we ooit klapten op onze balkons. Of aan dissidenten zoals Alexej Navalny in Rusland of de jongeren in Kenia die opstaan tegen hun regime. Dat zien we heus wel als moedig.

Maar wat we nog scherper zouden moeten benadrukken, is dat moed de manier is om ook al die andere klassieke deugden die nodig zijn voor een goed gemeenschapsleven in de praktijk te brengen. De Engelse schrijver C.S. Lewis legde in zijn boek The Screwtape Letters al uit dat moed misschien niet één van de zeven deugden is, maar de vorm belichaamt die elke deugd aanneemt wanneer die beproefd wordt. De deugden, aldus Lewis, ‘vertonen zich in de gestalte van moed op de punten van de grootst mogelijke werkelijkheid’. De Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway vatte dit samen met: moed is ‘grace under pressure’. Als je tegen alle weerstand in tóch rechtvaardig bent, tóch blijft liefhebben, tóch wijs durft te zijn en daarbij eigen ongemak, angst en pijn op de koop toeneemt, is dat pas echt moedig. Moed in z’n eentje is dus niet voldoende.

Terug naar de politicus die dag en nacht beveiligd moet worden, angst en bedreiging overwint en zich toch unverfroren uit blijft spreken. Is dat moedig? Ja en nee. Ja, omdat het verschrikkelijk is dat hij dagelijks wordt bedreigd, en toch zijn angst voor de dood niet het laatste woord geeft. Nee, omdat hij zich inzet voor een zaak die dat niet waard is, namelijk haat en tweedracht aanwakkeren zonder aantoonbaar te proberen de problemen echt op te lossen. Nog eens nee, omdat dit gedrag zélf ingegeven is door angst en woede. Alle politieke dossiers worden door deze politicus immers geherinterpreteerd in termen van migratie en angst voor de Islam. En nee omdat hierdoor angst en haat voor vreemdelingen alleen maar verder worden aangewakkerd, en de gemeenschap aantoonbaar niet tot bloei komt maar verder gefragmentariseerd en gepolariseerd raakt. Die andere klassieke deugden zijn nergens aanwezig.

Kortom, moed is te veel in het postmoderne, subjectieve vaarwater terecht gekomen. We moeten moed weer grootser, objectiever en gemeenschappelijker durven denken. Zo kan moed als politieke en sociale deugd ons in deze tijd helpen. Want, zoals we eerder al zeiden, moed is geen karaktertrek, maar iets dat je kunt leren, waar we elkaar in kunnen stimuleren. We kunnen ons oefenen in de deugd van de moed. Door onze angst te accepteren, maar die niet het laatste woord te geven. Door ons te richten op ongemakkelijke politieke doelen, en het bureaucratische en populistische drijfzand te trotseren. Door de moed te hebben over je eigen schaduw te springen en compromissen aan te gaan. Er is de komende tijd echt politieke moed nodig om tot een goede stikstofregeling te komen, de woningcrisis op te lossen, sociale mediagebruik onder jongeren terug te brengen, het verstikkende struikgewas van de jeugdzorg te hervormen en voorrang geven aan de daadwerkelijk schrijnende gevallen – om maar iets te noemen.

Moed dient de gemeenschap. Dat vergt onderscheidingsvermogen, ofwel de deugd van de praktische wijsheid. Daar komen we in een volgende aflevering nog op terug. Maar in tijden van polarisatie en toenemende oorlogsdreiging begint het bij de moed, om altijd ook die andere scharnierpunten van een goed samenleven voor ogen te houden: rechtvaardigheid, wijsheid, matigheid, geloof, hoop en liefde.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next