Home

Sport scoort niet

Waarom richten we onszelf willens en wetens te gronde? De regen, die vaak zulke mismoedige gedachtes met zich meebrengt, is ’s avonds gestopt. ’s Nachts is het droog gebleven, en nu zit er rijp op het dak van het schuurtje. Het gras is wit van de nachtvorst, en de zon komt oogverblindend op – maar de mismoedige gedachte blijft. Zelfs als ik op de fiets stap.

Ik trap richting de oude IJsselcentrale, door Windesheim naar Herxen, en verder, via Heino richting Dalfsen en langs de Vecht terug. Boven de slootjes dampt het, bevroren land fonkelt in de zon. Alles wat zich voor me uitstrekt, en alles achter me, het hele landschap is mijn sportterrein. Ontelbare vierkante meters.

Ik ben er zo aan gewend dat ik zelden nadenk over de ruimte waarmee niet-fietsers het moeten doen. Vierkante meters die steeds minder worden, blijkt uit onderzoek van deze krant. In de grote steden is er zelfs maar tien vierkante meter per persoon beschikbaar om te sporten, een oppervlakte ter grootte van een berging, voor de ballen en ander materiaal.

Met het draaien van de pedalen bewegen ook de gedachtes in mijn hoofd. Ik begrijp het niet. We worden met z’n allen ongezonder, er zijn steeds meer kinderen met obesitas. Ze krijgen slechte ogen van de schermpjes, gaan steeds minder op de fiets naar school. Ze spelen minder buiten, worden minder beweegvaardig. We weten het, en toch doen we niks. Tenminste, niks dat er echt toe doet.

Ik sprak in Apeldoorn mensen die verzuchtten dat er bij het tekenen van nieuwe woonwijken niet eens rekening met sportaccommodaties gehouden wordt. Huizen, winkels, parkeerplaatsen. En als laatste: oeps, moeten mensen ook nog sporten? Ojee. Vergeten. Ik sprak in Den Haag een wethouder die moest knokken voor sportvelden. Hij deed het vol overgave. Maar wat nu als je als wethouder níet zo’n knokker bent.

Ik luisterde naar Radio 1. Politiek is steeds meer een wedstrijd geworden, was het onderwerp van het gesprek toen Thom van Campen de Kamervoorzittersverkiezing won. Dat hebben we de laatste maanden inderdaad heel goed kunnen zien. De mensen die gekozen zijn om oplossingen te bieden, besteden hun tijd vooral aan hakketakken met elkaar. Aan het verslaan van de tegenstander, aan winnen met woorden, in plaats van aan bruggen bouwen, aan een toekomstvisie voor onze kinderen.

Ik las Wat we kunnen weten, de nieuwste roman van Ian McEwan, geschreven vanuit het jaar 2119. De terugblik op onze tijd, en op hoe het vanaf hier verder gaat, voelt huiveringwekkend accuraat. We zijn ziende blind op weg naar onze ondergang, terwijl alle oplossingen om dat te voorkomen voorhanden zijn. We kiezen er niet voor. We kiezen niet voor de toekomst van onze kinderen, of het nu om hun gezondheid of om de leefbaarheid van de wereld gaat.

Waarom richten we onszelf willens en wetens te gronde? Ik begrijp het niet. Iedereen houdt toch van z’n kinderen, en wenst ze het beste voor de toekomst? Waarom kiezen we er dan niet radicaal voor om ze ook écht het beste te geven? Waarom kiezen we niet voor meer bewegen, voor meer buiten, minder schermpjes, meer gezondheid, meer zelfstandigheid en dus meer geluk? Misschien inderdaad wel omdat politiek steeds meer een wedstrijd is geworden, een kwestie van scoren. En het cynische is: in de politiek scoor je niet met sport.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next