Home

Hadden neanderthalers ook mazelen ?

We zijn er helemaal aan gewend: planten- en diersoorten zijn makkelijk vele miljoenen jaren oud. Homo sapiens is relatief jong: de oudste échte mensenbotten zijn gedateerd op zo’n 300.000 jaar geleden (Nature, 2017). Hoe zit het eigenlijk met onze infectieziekten, zoals mazelen? Liepen neanderthalers daar al mee rond? Hoe zag hun ‘virussfeer’ eruit?

Neanderthalers leefden tussen zo’n 430.000 en 40.000 jaar geleden. Het zijn geen voorouders van moderne mensen: ze vormen een aparte, doodlopende tak aan de stamboom van de mensachtigen. Onze laatste gemeenschappelijke voorouder is Homo heidelbergensis, en waarschijnlijk gingen we zo’n 600.000 jaar geleden ergens in Afrika uiteen – hoewel we daarna soms nog wel met elkaar kruisten, onder meer in Europa. Daardoor is naar schatting zo’n 2 procent van ons dna terug te voeren op neanderthalers.

Dat ‘neanderthaler-dna’ dat wij meedragen, dient vooral voor de afweer tegen virussen, schreven Amerikaanse onderzoekers in 2018 in het tijdschrift Cell. Dat betekent dat mensen en neanderthalers waarschijnlijk virussen met elkaar deelden, en dat zou ook wel logisch zijn: als we kennelijk dicht genoeg bij elkaar leefden om kinderen met elkaar te krijgen, moeten we ook virussen hebben uitgewisseld. Welke dan, dat lieten de onderzoekers in het midden.

In elk geval níét mazelen, zo blijkt uit een Duits-Belgische studie in 2020 in Science. Het mazelenvirus is pas rond de 9de eeuw voor Christus geëvolueerd uit een runderpestvirus. Dat ontdekten de virologen door een stamboomonderzoek, waarbij ze op basis van de bekende mutatiesnelheden van virussen, oftewel de ‘moleculaire klok’, konden berekenen wanneer de virussen zich van elkaar afscheidden.

Dit past bij de gangbare theorie dat ‘moderne’ infectieziekten zoals mazelen, rode hond en bof, maar ook bacterieziekten zoals kinkhoest, tyfus, cholera en tuberculose, pas zijn ontstaan in de tijd van de landbouw, dus grofweg in de laatste tienduizend jaar. Toen begonnen mensen in grotere dichtheden bij elkaar te leven, en bovendien: ze leefden nauw samen met hun landbouwhuisdieren. Daardoor konden ziekten makkelijker overspringen van dieren op mensen, zich aanpassen aan hun nieuwe gastheren en zich vervolgens snel verspreiden.

Desastreus voor inheemse volken

Jagers-verzamelaars, zoals ook de neanderthalers, hadden geen last van ‘broeinesten’ van nieuwe infectieziekten: ze trokken rond in kleine groepjes en leefden niet zo nauw samen met dieren.

Dat verklaart overigens ook waarom de infectieziekten van de Europese kolonisten zo desastreus waren voor de inheemse volken van de Nieuwe Wereld en niet andersom: de ziekten die de Europeanen meebrachten, waren typische ‘landbouwziekten’ waar de lokale bewoners geen weerstand tegen hadden.

Het is nog altijd niet goed bekend welke ziekten neanderthalers precies met zich meedroegen. De ziekteverwekkers zélf zijn nooit aangetroffen in hun oude botten; wel stukjes virus-dna die als ‘bijvangst’ opdoken in genomen van neanderthalers (Viruses, 2024). Daarbij ging het om herpes-, adeno- en papillomavirussen – heel oude viruslijnen die bij allerlei dieren voorkomen, en ook bij moderne mensen.

Hoogstwaarschijnlijk hadden neanderthalers ook volop parasitaire wormen en bacteriële maagzweren. Dat schrijven Britse onderzoekers in het American Journal of Physical Anthropology (2016). Ze stellen ook dat het palet aan infectieziekten al ver vóór de landbouwtijd heel groot was. Moderne mensen zouden vanuit Afrika allerlei ziekten hebben meegenomen waar neanderthalers niet goed tegen bestand waren – iets wat wellicht heeft bijgedragen aan hun uitsterven.

Meer Durf te vragen

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next