Weer keert het najaar. We lopen, mijn wandelvriend en ik, door goudkleurige bossen en waden door modder en dood blad en we praten over Bloem. J.C. ‘Altijd november, altijd regen’, wie mompelt het niet wel eens voor zich uit: ‘Altijd dit moede hart, altijd’.
Toch, zeg ik, stoot Bloems neerslachtigheid me af. Ik begrijp zelf niet helemaal waarom. Als Kloos dicht over de bomen die dorren in het laat seizoen en beweert dat hij er zijn leven in ziet ‘dat heen gaat spoên’, dan vind ik dat weliswaar overdreven, voor mezelf en al helemaal voor de destijds nog betrekkelijk jonge Kloos, maar niet bedrukkend. Maar Bloems neerslachtigheid, die kamers ‘waar gelaten/ Het daaglijksch leven wordt verricht’ die verdraag ik slecht. Het is net alsof ik zelf ook mee het afvoerputje in ga.
Mijn wandelvriend protesteert. Hij houdt van Bloem en hij vindt niet dat het droeve ook droef maakt, integendeel eigenlijk, het gelijke wordt genezen door het gelijke zegt hij. In de kunst dan, hij is geen aanhanger van de homeopathie. Dat vind ik over het algemeen ook. Een stemming uitgedrukt zien, ook een stemming van troosteloosheid, kan juist troostrijk zijn, door de vorm, die orde schept in wat als chaos moeilijker te verdragen is.
Ik probeer mijn positie te herzien en te bevestigen tegelijk. Ik vertel over mijn eerste dode, mijn leraar Latijn, een heel aardige man die ineens gestorven was en een paar kinderen uit de klas zeiden: we gaan erheen. We gingen naar de rouwkamers in de P.C. Hooftstraat en werden tot mijn verbazing zomaar toegelaten ‘In de ademlooze kamer waar hij lag’ en ik kwam bijkans sprakeloos thuis. Mijn moeder reikte me woorden aan: ‘En voor altijd is dit mij bijgebleven:/ Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is’. Bloem.
Dat gedicht, ‘In Memoriam’, zeg ik nu, dat vind ik mooi, maar daarin is er een levenswil, ondanks die dood. Want die strofe gaat zo verder: ,,Dat het een daaglijksch wonder is, te leven,/ En elk ontwaken een herrijzenis.”
Ik voel niet steeds dat het ‘een daaglijksch wonder’ is om te leven, Bloem ook niet denk ik. Kon ik het maar zo zien. Die verzuchting hoor je er als het ware achter, en dat tekort is me wel lief. Misschien zit het ‘m daarin: realistisch inzicht in de condition humaine kan precies zijn wat je zoekt, waarvan je voelt dat het wáár is. Voor dofheid en dorheid ben ik bang.
Dat je bij Bloem echt vaker uitingen van geluk, van epifanie vindt, zegt mijn vriend. Hm, zeg ik. Ik voel eerder hopeloosheid, alsof alles ontdaan is van mogelijkheden, van betekenis vooral.
Dat de bladeren vallen, de bomen kaal worden, dat er weer een jaar voorbij is, dat is te verdragen, daar kan zelfs iets mooi melancholisch in zitten. Het angstaanjagende is denk ik als het verlangen weg valt, als dit alles alleen maar dofheid betekent, weer voorbij, maakt niet uit, we verrichten ons leven, zinloos, betekenisloos. Help! Geef mij een regel die me doet verlangen, doet voelen, wat dan ook, pijn, verdriet, verlies, dat is leven, die daaglijksche handelingen in dat sombere licht niet.
Maar natuurlijk heeft mijn vriend gelijk. Bloem wil ook leven. In de vroege gedichten stikt het van verlangen, later komt er steeds meer verlies bij, verlies van precies dat waarnaar eerst zo verlangd werd: „Verloren zijn de prille wegen/ Om te ontkomen aan de tijd”.
De zon werpt wat kalm laat licht op al het vergaande. Bloem schrijft: ,,Als ik éen ding begeer/ Is het: dit tot het laatste beminnen.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC