Home

‘Dit moet voor hem de absolute hel zijn geweest’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Paul van Musscher (61) moest als agent naar een gruwelijke melding, maar ‘onze emoties deden er niet toe’.

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

‘Ik was nog jong, begin twintig, en werkte voor de toenmalige Rijkspolitie in Hillegom. Tussen Hillegom en Bennebroek stond een gebouw waar psychiatrische patiënten werden behandeld, waardoor we op het spoor geregeld treinspringers hadden. Ook die dag.

‘De lijkschouwer kwam met zo’n aluminium kist, en dan moesten wij gewoon lichaamsdelen rapen en in die kist doen. Tegenwoordig hebben we van die dunne operatiehandschoentjes, maar destijds werkten we met van die dikke Marigold-huishoudhandschoenen, echt bizar.

Horror

‘Daarna moesten mijn collega Max en ik naar een flat in Lisse, waar een man zichzelf in brand had gestoken. Dus wij reden daar met zwaailicht en sirene naartoe. We renden naar binnen, drie of vier verdiepingen omhoog, waar op de galerij veel mensen in paniek wezen naar een openstaande voordeur: hier moeten jullie zijn.

‘Wat we binnen zagen, was te gruwelijk voor woorden. Midden in de woonkamer stond een man, rechtop, totáál verminkt. Hij had zichzelf met thinner overgoten en in brand gestoken. Er kwam rook van hem af, hij smeulde nog na, de geur van chemische vloeistof en verbrand vlees was bijna ondraaglijk en zijn lichaam leek gesmolten. Hij zag eruit als een druipkaars, als een figurant in een horrorfilm, een zombie. Zijn kleren waren met zijn huid versmolten. Onder hem zat een grote brandvlek in het tapijt en daarnaast lag de lege thinnerfles op de grond.

‘Door de kamer rende een vrouw schreeuwend rond, totaal hysterisch. Op de bank zaten twee jonge mensen in shock. Zodra wij binnenkwamen begonnen zij ook als kippen zonder kop door die kamer te rennen en te gillen.

Onder de douche

‘‘Ik ga de ambulance opvangen’, zei Max, die meteen weer naar buiten ging. Toen was ik daar dus alleen. Die verbrande man stond heftig te schokken. Ik heb hem beetgepakt en naar de badkamer gesleurd, trok het douchegordijn weg en ging met hem onder de douche staan onder lauw, niet te hard stromend water. Zo stonden we daar zo’n twintig minuten terwijl ik hem tegen de tegelmuur overeind hield. Ik werd zelf ook zeiknat.

‘Hij schokte steeds heftiger. Dat komt door een fysiologische reactie, door vochttekort in zijn lichaam, maar je reageert er toch op alsof het paniek is. ‘Doe maar rustig, het komt goed’, zei ik steeds om hem te kalmeren. ‘Er is hulp onderweg, er komt een ambulance’. Hij keek me met grote, angstige ogen aan, maar ik kreeg geen contact met hem, ik drong niet tot hem door. Hij keek dwars door me heen.

‘Ondertussen hoorde ik dat hysterische krijsen in de woonkamer. Ik kon niet bij mijn portofoon, want ik wist: als ik deze man met één hand loslaat, zakt hij in elkaar. Ondertussen begon hij ook pijnkreten te slaken, echt van die oerkreten. Dit moet voor hem de absolute hel zijn geweest. Dat was het voor mij eigenlijk ook.

‘Goddank stormden plotseling ambulancemedewerkers de douche in. ‘Doe die kraan uit, we nemen hem over’, zeiden ze. En er kwamen collega’s. Dat lucht altijd op, want dan sta je er niet meer alleen voor. Terwijl zij zich over die panische gezinsleden ontfermden, gingen Max en ik naar het bureau. Daar trok ik een droog uniform aan, en gingen we weer door naar de volgende melding.

Bijstand

‘‘We gaan effe eten halen’, zeiden collega’s later die middag op het bureau. ‘Voor jou geen shoarma, Mus’, lachten ze, ‘want jij hebt al genoeg verbrand vlees gehad. We halen voor jou wel een patatje.’

‘Dat klinkt banaal, maar dat is die cynische, zwarte politiehumor, die je overeind houdt. Dat werkt ontwapenend. Maar daar zit ook een zieke kant aan. Zwartgallige humor moet niet het enige zijn, want dan ontstaat er een fout soort cynisme, waarbij je alles gaat weglachen. Sommige dingen vragen om méér, die moet je echt verwerken.

‘Nu hebben we geestelijk verzorgers, psychologen, bedrijfsartsen, collegiale opvang. Toen was dat er allemaal niet. Je schreef in je mutatie: ‘Bijstand verleend aan man die zichzelf had overgoten met thinner.’ Punt. Je schreef er niet bij dat je met hem onder de douche had gestaan, dat hij hevig schokte en in doodsstrijd was, niets over zijn oerkreten, hoe verschrikkelijk hij eruitzag, niks over die hysterische familie. Onze emoties deden er niet toe.

‘Die man heeft het niet overleefd, hij was te erg verbrand. Ik kan goed tegen een stootje, dus het is bij mij niet blijven dooretteren. Maar destijds merkte ik al hoe snel je in dit vak volwassen wordt. Ik zie dat nu ook bij jonge dienders. Je krijgt in korte tijd veel voor je kiezen. Iemand die voor de trein springt, zichzelf in brand steekt, reanimaties, auto’s te water, klappen uitdelen, klappen krijgen, noem maar op. Dit is een prachtig vak, maar het is ook een heel pittig vak. Het is niet voor iedereen weggelegd. Je moet hier echt heel bewust voor kiezen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next