Home

‘Ik was een jaar of 14 toen mijn moeder zei: ‘We gaan je een korset aanmeten’’

Mien Smulders-Jacobs is 100 jaar. Hoe kijkt de Brabantse, die samen met haar man op een geïsoleerd stukje heide een boerenbedrijf opbouwde, terug op haar leven?

Mien Smulders is al 25 jaar in diepe rouw om het verlies van haar man. De 100-jarige Brabantse boerin kan maar moeilijk wennen aan zijn afwezigheid. Toon Smulders en zij waren niet alleen geliefden, maar ook collega’s. Samen bouwden ze vanaf nul een boerenbedrijf op in een geïsoleerde omgeving op de Brabantse zandgronden, waar ook hun acht kinderen opgroeiden.

Hoe gaat het met u?

‘Met ups en downs. Het moeilijkste moment in mijn leven was dat ik mijn man moest afgeven. Het is 25 jaar geleden, maar het blijft zeer doen. Ik mis Toon nog elke dag. Ik kan niks meer met hem bespreken. Gelukkig konden we nog wel samen praten over het besluit van onze zoon om te stoppen met het boerenbedrijf, dat hij van ons had overgenomen. Dat deed ons alle drie pijn. Twee maanden later stierf Toon. In de boerderij zit nu een kinderopvang.

‘De afgelopen jaren zat ik bijna elke dag spreien te haken, al mijn klein- en achterkleinkinderen hebben er een gekregen. Sinds een paar weken lukt haken niet meer. Mijn gezichtsvermogen gaat hard achteruit. Nu probeer ik op de iPad het kaartspel patience en puzzelen onder de knie te krijgen.’

Stoer, om op uw oude dag met de iPad te leren omgaan.

‘Ik moet nieuwe bezigheden verzinnen om de dag mee door te komen.’

U vertelde over de pijn van de verkoop van jullie boerenbedrijf.

‘Mijn man en ik hebben het samen opgebouwd. We hielden koeien, kippen, varkens, en verbouwden aardappelen en bieten. We begonnen met niks, op een lapje heidegrond dat Toons vader voor hem had gekocht. Met het planten van lupines was de arme zandgrond vruchtbaar gemaakt. We lieten er een boerderij op bouwen. De architect had niet goed nagedacht, want er was geen ruimte met sanitaire voorzieningen. Onze behoeften deden we in de stal achter de koeien, in een emmer met water, die we leegden tussen de koeienmest.

‘Het regenwater dat we opvingen in een grote put, konden we niet drinken, want er zat te veel ijzer in. Elke dag ging ik met paard en wagen naar onze dichtstbijzijnde buren om daar grote melkkannen met drinkwater te vullen. De leefomstandigheden waren primitief. We hadden geen elektriciteit, koeien melken en wassen deed ik dus met de hand. Als ik uit bed kwam, was het eerste wat ik deed de houtkachel aanmaken met masteböllekes (Brabants voor dennenappels, red.). Die raapte ik in het bos naast onze boerderij.

‘Mijn vader vond het maar niks dat we zo afgelegen gingen wonen. Hij zei: ‘Het heeft één voordeel: je ziet de deurwaarder van verre aankomen.’ Die deurwaarder hebben we gelukkig ver buiten de deur weten te houden. In tijden dat we het financieel moeilijk hadden, kneep de belastinginspecteur weleens een oogje dicht als mijn man een koe zwart had verkocht.’

Kreeg u als meisje de kans uw eigen keuzen te maken?

‘Ik was de zesde in een boerengezin met elf kinderen, een lieve moeder en een wat strengere vader. Al jong hielpen we mee op de boerderij, dat vond ik heerlijk. Doorleren na de lagere school zat er niet in, ik moest mijn moeder helpen in het huishouden. Ik geloof niet dat ik dat erg vond. Wat ik wel moeilijk vond, was dat ik op mijn 13de moest werken en inwonen bij de hoofdonderwijzer uit Veldhoven, meneer Donkers en zijn vrouw. Hij kwam langs en zei dat zijn vrouw een inwonend dienstmeisje kon gebruiken. Mijn vader besloot mij te sturen, inspraak kreeg ik niet.’

Heeft u dat uw vader kwalijk genomen?

‘Ik zou het mijn kinderen niet hebben aangedaan, maar ik had respect voor mijn ouders en voelde mij niet weggedaan. Ik denk dat ik het wel een beetje begreep; mijn vertrek betekende een mondje minder om te voeden. De eerste maanden miste ik ons grote, gezellige gezin en lag ik ’s avonds vaak huilend in bed. Toch ben ik blij dat ik dit heb meegemaakt. Ik leerde dat er een andere wereld bestaat dan het leven op de boerderij. Ik hoefde geen stallen te schrobben en koeien te melken, liep op schoenen in plaats van klompen en leerde met mes en vork te eten. Ik kreeg een fiets om op woensdag- en zondagmiddag mijn familie te kunnen bezoeken, zo’n vier kilometer verderop. Naar die momenten keek ik de hele week uit.

‘Ik werkte zeven dagen per week, deed het huishouden en leerde koken van mevrouw. Ik was onder de indruk van hun grote huis en luxe leven. Op de dag dat de oorlog uitbrak, kwam een broer mij ophalen; mijn moeder wilde de hele club bij elkaar hebben. Het was heerlijk om weer thuis te zijn met een hoop mensen om mij heen.’

Hoe heeft u uw man leren kennen?

‘Het was in die tijd in Brabant gebruikelijk dat meisjes op zondagavond thuisbleven, want dan konden jongens uit de buurt op bezoek komen. Zo kwam Toon ook een keer langs met zijn neef, ik kende hem helemaal niet. De vonk sloeg meteen over. Tot we vijf jaar later trouwden, in 1950, kenden we elkaar eigenlijk niet goed. We zagen elkaar maar effekes op de zondagavond, en later ook op de zaterdag. Het is toch afwachten hoe het gaat, zodra je getrouwd bent.

‘Ons bedrijf had het eerste jaar veel tegenslag, alle kalfjes stierven aan de ziekte Abortus-Bang. Daardoor konden we niet uitbreiden. Mijn man zal weleens gedacht hebben: als ik mijn vrouw maar hier houd. Maar we konden het goed vinden, we hadden allebei veerkracht. En we zagen het leven alleen maar beter worden: er kwam elektriciteit, dus licht, een melkmachine, wasmachine, koelkast. Na twintig jaar werd er een verharde weg naar ons huis aangelegd.’

Was u voorbereid op het huwelijksleven?

‘Een half jaar voor ons huwelijk ging ik naar de cursus ‘Ter inleiding van het volle leven’, op een kasteel in Vught. Ik denk dat de pastoor dat had geregeld. De cursus duurde drie dagen en werd gegeven door paters in zwarte pijen. Er werd uitgelegd hoe het ging.’

Wat ging?

‘Met elkaar naar bed gaan. De jongens kregen een aparte cursus, die wisten het na een dag al. Op de laatste dag kwamen we samen en zeiden de paters tegen de jongens dat ze met respect met hun vrouwen moeten omgaan, ‘niet hup er bovenop’.’

Wilde u een groot gezin?

‘Als meisje niet. Waarschijnlijk omdat mijn moeder vaak ziek was. En de vrouw van een neef stierf na de geboorte van haar zeventiende kind. Toen ik trouwde begon ik naar een gezin te verlangen, twee maanden later was ik zwanger. De eerste bevalling was zwaar. Ik had geelzucht, de baby werd te vroeg geboren en moest drie maanden in de couveuse in het ziekenhuis blijven – al die tijd mocht ik niet bij haar zijn. Mijn man ging drie keer per week naar het ziekenhuis en mocht alleen door het couveuseglas naar onze dochter kijken.

‘We hebben acht gezonde kinderen gekregen. Ik heb één miskraam gehad. Nadat een varken was losgebroken, rende ik er achteraan en pakte hem bij zijn staart, maar hij ontglipte mij en toen viel ik languit op de grond.’

Wat voor impact had de komst van de televisie op het vrij geïsoleerde leven van uw gezin op de boerderij?

‘Dat was een grote verandering. De wereld kwam naar binnen. Mijn kinderen mochten alleen kijken als ik erbij zat. Een keer stoof ik op uit mijn stoel om de tv snel uit te zetten. Dat was toen er bij het programma Hoepla een naakte vrouw in beeld kwam.’ (9 oktober 1967, red.). Het was kunstenares Phil Bloom, die op een rotanstoel zat met een krant voor zich. Ineens schoof ze de krant weg en bleek dat ze helemaal geen kleren aan had. Onvoorstelbaar.’

U heeft 25 jaar lang een korset gedragen, schrijft uw zoon Jan in een boek dat hij over uw leven schreef.

(Ze begint hard te lachen.) ‘Dat was een onding. Het zat heel strak. Ik was een jaar of 14 toen mijn moeder zei: ‘We gaan je een korset aanmeten.’ Wat moeder zei, gebeurde, ge waart nog een kind. Het was een gebruik in die tijd, mijn moeder en zes zussen droegen er ook een. In de zomer was het heel warm, en als ik zwanger was moest ik de veters waarmee je het korset strak trok, steeds een stukje losser maken. Ik droeg het tot de bevalling.

‘Ik was begin 40 toen ik na twee operaties – voor een blindedarmontsteking en een buitenbaarmoederlijke zwangerschap – in het ziekenhuis terechtkwam. Ik bleek overspannen. Mijn lichaam was op. Toen de specialist mijn korset zag, zei hij: ‘Gooi dat ding toch weg.’ Ik heb het uitgedaan en nooit meer aangetrokken.’

Hoe bent u hersteld van uw overspannenheid?

‘Na die operaties kon ik het niet meer bolwerken, ons boerenbedrijf en het gezin met acht kinderen. Drie jaar lang heb ik niets kunnen doen, we hadden een gezinshulp die voor de kinderen en het huishouden zorgde. In die periode was ik somber, maar ik heb het gered door mijn liefdevolle man. Zijn spontaniteit en grapjes hielpen mij overal doorheen. Als de verhouding goed is, kunt ge veel aan. Het leven draait om liefde geven en elkaar steunen. Mijn kinderen geven mij heel veel terug, anders was ik nooit zo oud geworden.’

Mien Smulders-Jacobs

geboren: 6 december 1924 in Zandoerle

woont: zelfstandig, in Middelbeers

beroep: boerin

familie: nog 1 zus (97), 8 kinderen, 23 kleinkinderen, 41 achterkleinkinderen (3 op komst)

weduwe sinds 2000

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next