Yvonne Keuls (1931-2025) De zondagavond overleden schrijver Yvonne Keuls wist maatschappelijke onderwerpen als drugsverslaving, het gebrek aan opvanghuizen en kindermisbruik voor een breed publiek aansprekend te maken, en floreerde daarnaast in haar Indische romans.
Schrijver Yvonne Keuls in 2009 in de Openbare Bibliotheek in Den Haag.
‘Wees aimabel’, leerde Yvonne Keuls als kind. Het werd de leidraad van haar leven. De aimabele, maar ook strijdlustige schrijver Yvonne Keuls, die drugsproblemen, jeugdzorg, de rechterlijke macht en Nederlands-Indië vertaalde naar breed aansprekende verhalen, romans en ook toneel, overleed zondagavond in Den Haag na een kort ziekbed, zo maakte haar familie bekend.
Het leven van Yvonne Keuls, in 1931 geboren in het toenmalige Batavia als Yvonne Bamberg, werd gevormd toen ze acht jaar was. Op die leeftijd vertrok het gezin waarvan zij de jongste dochter was naar Nederland, omdat haar vader tbc had en niet meer in Indonesië kon blijven. Haar moeder zou het nooit lukken om te wortelen in Den Haag, maar ze bracht wel verhalen mee. „Onze moeder kletste ons de oorlog door”, vertelde Keuls in interviews.
Dat was extra hard nodig toen haar vader in 1944, tijdens de Hongerwinter, zelfmoord pleegde. In een interview in 2006 in Trouw vertelde Keuls hierover: „Mijn vader bedacht dat hij de winter toch niet zou door komen en dat het dus geen zin had langer te blijven leven. De anderen konden die ene boterham veel beter gebruiken. Bovendien had ik, de jongste van het stel, ook al tbc en was hij bang dat hij de rest van het gezin ook zou aansteken”. Het was een van de belangrijke redenen waarom Keuls zichzelf omschreef als oorlogskind.
Haar vader komt in haar literaire werk minder voor dan haar moeder, maar een mooie uitzondering is de novelle De tocht van het kind (1990), waarin een zevenjarig meisje met haar Nederlandse vader en Indische moeder teruggaat naar Nederland. Haar moeder is die reis ziek van de ontworteling die ze tegemoet gaat nu ze haar familie heeft achtergelaten. Op de boot ontdekt ze dat ook haar vader kan vertellen, en hoe ze meer toenadering tot hem krijgt: „Hij bleek ineens een vriendelijker en spraakzaam mens”.
Eenmaal terug in Nederland kreeg Keuls haar eigen rol als verteller. Haar moeder weigerde namelijk schoenen te dragen en ging dus niet naar buiten. In De tocht van het kind schrijft ze: „In Holland zijn ze allemaal anders dan wij, ze hebben andere kleren, en andere schoenen. Niet van die zachte slofjes, maar hárde schoenen, net een gevangenis, met dikke zolen en veters die je voeten afsnoeren, net als bij de Chinese vrouwen. Je kan niet eens lopen van de pijn”. Het leidde ertoe dat Yvonne als kind de straat op moest om te kunnen vertellen wat er in de buitenwereld gebeurde, schrijft ze in Mevrouw mijn moeder (1999).
De les zat er dus al vroeg in: het verhaal is belangrijk, en dat blijkt vooral uit de Indische romans en verhalen over de familie, met een hoofdrol voor haar moeder. Die werken – waartoe ook de verhalen bij de recepten in Aan tafel met Yvonne Keuls (2000) behoorde – zijn wat intiemer dan haar vroege romans en geven alle ruimte aan de achtergrond van moederskant, alsof de ontworteling er enigszins mee ongedaan kon worden gemaakt.
In Lowietjes smartegeld (2003), waarin Keuls vertelt over de mishandeling van een tante door de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog, is de sociale bevlogenheid terug te zien die haar vroege werk ook typeert. Waarom ze die Indische boeken pas later kwamen, beschrijft ze in het autobiografische Madame K., waarin verteld wordt over een getalenteerd en fantasievol kind dat naar Nederland gaat, zich ontwikkelt tot iemand met een gezin, veel sociale contacten heeft en een carrière als schrijver opbouwt.
Dat Keuls schrijver zou worden, stond aanvankelijk niet in de sterren geschreven. In Mevrouw mijn moeder vertelt ze dat een leraar op school haar moeder ervan wilde overtuigen dat toneel een goed idee was. Haar moeder moest er niets van hebben: „Ik heb allang bepaald wat mijn kinderen moeten worden. Ik ga hiervan uit: oorlogen zijn er altijd geweest en kinderen ook, dus mijn zonen gaan het leger in en mijn dochters worden onderwijzeres, dan hebben ze altijd hun broodje.” En zo geschiedde: Keuls ging lesgeven, totdat ze, op haar 22ste, trouwde met Rob Keuls.
Het toneel, waarvan aanvankelijk geen sprake was, kwam weer op. Haar Foei toch, Frances! Blijspel in drie bedrijven, dat in 1960 nog verscheen onder haar meisjesnaam Yvonne Bamberg, leidde tot het verzoek om Louis Couperus’ De boeken der kleine zielen te bewerken voor een televisieserie van de NCRV, die in 1969 werd uitgezonden. Later volgden er verscheidene opdrachten om romans tot tv-script uit te werken.
Ze was al succesvol als schrijver die romans van Couperus en Vestdijk voor televisie had bewerkt toen ze in 1973 medeoprichter was van JOS, een opvanghuis voor jongeren die met psychische- en verslavingsproblemen kampten. Het huis sloot na een jaar door geldgebrek, maar die ervaring plantte de kiem voor Keuls als betrokken romanschrijver.
Haar romandebuut, Jan Rap en zijn maat (1977), baseerde ze deels op wat ze had gezien bij JOS, en werd bewerkt voor theater. Dat was een succes, Keuls kreeg prijzen, het stuk werd in tien talen vertaald en in 25 Europese theaters gespeeld. Over de toneelversie schreef de Volkskrant in 1977: „Yvonne Keuls gaat niet in op de achtergronden van het falen van de ambtelijke broeders, noch op die verwaarlozing van het achtererf. Ze laat zien, in uiterst beknopte silhouetten van een handvol slachtoffers, wat het teweeg brengt: wrakken aan wie de samenleving voortdurend hun tekortschieten verwijt.”
De geëngageerde schrijver die onderwerpen als drugsgebruik, het gebrek aan opvanghuizen en kindermisbruik voor een breed publiek in aansprekende verhalen presenteerde, was geboren. Keuls’ verhalen, die ooit begonnen waren om haar moeder een andere wereld voor te schotelen, werden boeken die machtsverhoudingen aan de kaak stelden.
Dat gold voor De moeder van David S. (1980), over de moeder van een drugsverslaafde, dat verfilmd werd in 1982 en dat gevolgd werd door Het verrotte leven van Floortje Bloem (1982). Die roman baseerde ze op haar ontmoetingen met prostituees die aan de heroïne verslaafd waren. Na een tv-interview bij Sonja Barend stuurden kijkers geld op voor het opzetten van een hulpbus voor heroïneprostituees.
Ze ontving na dat optreden ook een brief van een jongen die zich afvroeg waarom ze alleen over meisjes had geschreven. Die vraag pakte ze op, waarna ze kwam met Annie Berber en het verdriet van een tedere intellectueel (1985), over verslaafde prostitués en het seksueel misbruik van een kinderrechter die de taak had om die kinderen juist in bescherming te nemen. In NRC stelde de toenmalige procureur-generaal van de Hoge Raad dat ze het boek voor „eigen gewin” had geschreven, sommige lezers lieten haar in de steek en ook collega-auteurs gaven niet thuis toen ze om openlijke steun vroeg. De zaak werd geseponeerd, de kinderrechter in kwestie kreeg eervol ontslag.
Haar laatste roman, Gemmetje Victoria (2021), is wederom een aanklacht tegen de jeugdzorg, deze keer in de vorm van de zeventienjarige moeder die van het kind Gemmetje bevalt en bij wie het kind, ondanks protesten van de moeder, na de bevalling direct wordt weggehaald door jeugdzorg.
Ook in dit boek liet Keuls feit en fictie samengaan, zoals ze al vroeg in haar werk deed toen dat nog minder gebruikelijk was. Inmiddels is het als literair procedé niet meer weg te denken, en misschien hebben we dat ook deels aan Keuls’ moeder te danken: „Natuurlijk is het echt waar”, zei haar moeder als ze een familieverhaal vertelde. „Maar misschien is niet alles echt waar. En je moet nooit vragen of het echt waar is, dat is beledigend. En beledigen is altijd nog erger dan de waarheid niet spreken.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
De beste filmstukken interviews en recensies van de nieuwste films
Source: NRC