Urenlang was de student Ruben afgelopen zaterdag te vinden op Schevenings kunstijs. In een reportage over het net geopende, stroomslurpende ijsbaantje bij het Kurhaus kwam deze Ruben aan het woord. En hij scheerde op hoge snelheid langs, achterwaarts zelfs. Maar zijn achternaam kreeg de lezer niet. „21, liever geen achternaam, je weet niet wat voor artikel het wordt”, stond er in het verhaal dat diezelfde middag nog online verscheen.
Die vermelding, tussen haakjes, was veelzeggend: zelfs iemand die is gesproken voor een reportage over een niet heel gevoelig onderwerp, wil niet met zijn of haar achternaam in het verhaal. Gebrek aan vertrouwen in de journalist en het besef dat je nog lang via zoekmachines kan opduiken op internet, weerhoudt veel mensen ervan om toestemming te geven voor gebruik van voor- én achternaam.
Het speelt verslaggevers in toenemende mate parten. Je wilt in je verhaal sprekende mensen opvoeren, met naam en toenaam. Voor de transparantie en controleerbaarheid vooral; goede bronvermelding is cruciaal voor het vertrouwen in de journalistiek. De regels voor de NRC-redacteuren zijn daarom streng. Op papier althans.
De redactie is „zeer terughoudend” met het gebruik van anonieme citaten, stelt de NRC Code. „Bij uitspraken die letterlijk worden geciteerd, hoort in principe een naam. Alleen in uitzonderlijke gevallen (risico van persoonlijke of professionele schade) en als het belang van de informatie groot genoeg is, gebruiken wij anonieme citaten.” Maar was hier sprake van een persoonlijk of professioneel risico voor de schaatsende Ruben? Ik denk het niet, al weet je nooit of ooit een potentiële werkgever hem gaat googelen en zijn sollicitatiebrief terzijde legt omdat hij gebruikmaakte van een energieslurpend schaatsbaantje.
In de zomer werd de redactie nog hard met de neus op de feiten gedrukt: vanaf 2021 bleek de correspondent in Spanje in zeker acht verhalen citaten en bronnen verzonnen te hebben. Dus was er bij het gebruik van anonieme en half anonieme bronnen weer grotere alertheid nodig. Redacteuren proberen – als ze daarvoor de tijd hebben – vaker door te zoeken naar mensen die wel met naam in een verhaal willen, eindredacteuren en chefs stellen vragen over de anoniem opgevoerde personen. Vaak is er, zoals met de student Ruben, wel sprake van een voornaam. Dat is beter dan niks maar het is toch meer anoniem dan niet anoniem.
Zo strak als het in de Code staat, is de praktijk wel voor onderzoeksverhalen, maar niet voor reportages. Een paar regels zijn wel duidelijk: namen fingeren doet NRC – anders dan de andere landelijke kranten – al ongeveer tien jaar niet meer. Dat maakt een onbetrouwbare indruk en er kunnen mensen zijn die echt zo heten. Minderjarigen worden inmiddels bijna altijd alleen met voornaam opgevoerd. Maar daar houdt de strengheid ook wel op.
In de afgelopen twee maanden verschenen meer dan vijftig verhalen waarin geen achternaam of helemaal geen naam van geciteerde mensen werd genoemd. Soms met de vermelding ‘naam is bij de redactie bekend’, vaak ook niet; soms stond er bij dat de betrokkene de achternaam überhaupt niet met de verslaggever wilde delen. Maar het wordt ook wel goed uitgelegd of je snapt uit de context waarom iemand anoniem blijft. In een verhaal over racisme in het Haagse Duindorp wil een vrouw „ellende met de buren voorkomen”. In een reportage over een mogelijke nieuwe kerncentrale in Zeeland wil de 53-jarige Wim „niet te boek staan als klager”. De 21-jarige Yonatan wil in een reportage uit Tel Aviv „als militair zijn achternaam liever niet gepubliceerd zien”. Maar niet altijd is het zo duidelijk: in een verhaal over de problemen met het drinkwater in Utrecht wordt een zeventiger opgevoerd die „omwille van privacyredenen” anoniem blijft. Een dag eerder is in een andere reportage over hetzelfde onderwerp sprake van een Danny die „liever niet” zijn achternaam geeft.
Dat het de afgelopen decennia voor verslaggevers een stuk lastiger is geworden, blijkt wel uit de buurtonderzoeken van NRC. De redactie sprak in het voorjaar van 2002 met 603 personen; het overgrote deel gaf naam en adres. Dat was handig, want na de moord op Pim Fortuyn op 6 mei, konden verslaggevers dezelfde mensen opnieuw benaderen. Voor het meest recente buurtonderzoek in oktober gingen 21 verslaggevers met 175 mensen in gesprek, van wie 71 zeiden dat ze niet met naam genoemd wilden worden. Correspondenten in het buitenland hebben identieke ervaringen: van de vijftig genoemde stukken van de laatste maanden, kwam een derde uit het buitenland.
Keerzijde van het met naam citeren is dat mensen soms achteraf willen dat hun naam uit het online-archief worden gehaald. Vanaf 2005 publiceert NRC alle stukken ook online en inmiddels is het hele archief vanaf 1829 terug te vinden. De meeste artikelen staan achter een betaalmuur, maar Google vindt ze wel. Regelmatig ontvangt NRC verzoeken van mensen die hun naam verwijderd willen zien. De redactie gaat daar uiterst terughoudend mee om. Lezers moeten erop kunnen rekenen, zo is te lezen op nrc.nl, dat het archief een volledig en betrouwbaar beeld geeft van de inhoud van publicaties op het moment van verschijnen. De verzoeken gaan vaak om rubrieken of portretten waarin mensen persoonlijke dingen vertelden, zegt chef Binnenland Marcella Breedeveld. „Daar hebben ze dan later last van, bijvoorbeeld bij een sollicitatie.” Toen Breedeveld in de hoofdredactie zat (2007-2019) kreeg ze gemiddeld één verzoek per week, inmiddels schat de huidige leiding dat dat is gehalveerd. Dat komt waarschijnlijk doordat minder mensen hun naam geven vanwege het toegenomen besef dat alles is terug te vinden.
Als je bij redacteuren over dit probleem begint, hoor je snel veel begrip voor de mensen die anoniem willen blijven. „Ik zou ook niet met mijn voor- en achternaam in elk stuk willen”, zegt Binnenland-verslaggever Freek Schravesande. Hij vertelt dat hij wel eens spijt heeft gehad dat hij iemand bij naam had genoemd, zoals een jongere die een zwervend bestaan had. Maar vaak hoopt hij wel een naam te krijgen, zeker als hij een interessant gesprek heeft gehad en dit zijn verhaal goed zal doen. „Dat is altijd weer een spannend moment, vaak aan het einde, of ze een naam willen geven.” Maar hij dringt niet eindeloos aan. Hij vindt het het leukste om een ‘overvaltactiek’ toe te passen, door bijvoorbeeld met een persoon op een bankje een gesprek aan te knopen, waarbij hij zich natuurlijk bekendmaakt als journalist. „Dan hoor je soms hele persoonlijke dingen. Ik vind dat die persoon daar dan ook nog wel wat over te zeggen heeft.”
Als de NRC Code op dit punt strikt zou worden nageleefd, zouden bepaalde reportages volgens redacteuren niet meer gemaakt kunnen worden. Dan zou je allerlei groepen niet of minder aan het woord kunnen laten. Zoals jongeren die zich erg bewust zijn van digitale vindbaarheid of mensen die media wantrouwen.
Dat roept de vraag op of de papieren werkelijkheid en de praktijk niet dichter bij elkaar moet komen, en dus of de NRC Code op dit punt moet worden versoepeld. Als dat betekent dat er vaker personen anoniem of alleen met voornaam worden opgevoerd, moet de redactie zichzelf ook beter kunnen verantwoorden. De lezer moet dan meer kunnen vertrouwen op de betrouwbaarheid van de krant. Dus moet worden vastgelegd met wie gesproken is en moeten contactgegevens, aantekeningen, opnames of foto’s worden bewaard. Daar moet helder intern beleid voor komen. De Spanje-kwestie maakte dit duidelijk. Sindsdien is op de redactie de alertheid toegenomen. Maar die kan zomaar weer wegebben.
Reacties: ombudsman@nrc.nl
„Die bleke letters! Is de inkt op? Is de drukpers verouderd, versleten?” Lezers blijven de Ombudsman mailen met vragen over de matige drukkwaliteit van de krant. In deze rubriek werd op 14 september uitgelegd dat sinds de krant per september op een andere locatie, in een drukkerij in België, wordt gedrukt, de leesbaarheid minder goed is. De productie-afdeling liet toen weten dat in samenwerking met de specialisten in de drukkerij werd gezocht naar een oplossing voor deze problemen. „Ik blijf hopen op duidelijke verbetering”, mailde een andere lezer begin deze week. Hoe staat het hiermee?
Art-director Anne-Marije Vendeville: „Goed nieuws: we werken aan de verbetering van de leesbaarheid van onze tekst. De letter wordt groter en we passen de ruimte tussen de zinnen (interlinie) aan. Sinds september zijn we over naar een nieuwe drukkerij en wordt de krant gedrukt op een waterloze pers. Helaas bleek onze letter te schraal voor deze druktechniek. Om goede leesbaarheid terug te krijgen wordt de letter vergroot en de bladspiegel – de ruimte op een pagina waarin gedrukt wordt – aangepast. Dat heeft consequenties voor iedere pagina van onze krant. Daar zit veel ontwerpwerk in en dat kost tijd, maar het levert uiteindelijk een enorme verbetering op. De aanpassingen zullen, als alles meezit, medio december zichtbaar zijn voor de lezer.”
De ombudsman opereert onafhankelijk; zijn oordeel is persoonlijk en niet dat van de (hoofd)redactie. Kijk hier voor de statuten van de ombudsman. Wilt u rechtstreeks reageren op artikelen of audioproducties van NRC, dan kunt u een brief van maximaal 200 woorden mailen aan opinie@nrc.nl.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC