Schrijver Arnon Grunberg vraagt zich af of er een lijn loopt van de Holocaust naar de genocide in Gaza. Hij reist naar Tel Aviv, waar hij zich afvraagt: hoe kon het zionisme zo ontaarden?
Op de tweede woensdag van september van dit jaar land ik in Tel Aviv en de stad is sinds ik er voor het laatst was, in 2018, nog meer een metropool geworden. De restaurants zitten tot middernacht vol, de prijzen zijn te vergelijken met die in New York, je vraagt je af: waar is de oorlog? Als ik het aan een kennis vraag antwoordt ze: „Ik kan je hier vlakbij de plek laten zien waar een Iraanse raket insloeg. Een voltreffer.”
Dit is het eerste deel van een maandelijkse serie waarin schrijver Arnon Grunberg plaatsen bezoekt die een historische betekenis hebben voor de aanloop naar de genocide in Gaza.
„Nee, dank je,” antwoord ik, „dat is heel lief, maar dat hoeft niet.”
Ik ben hierheen gegaan voor een serie artikelen over de ontaarding en de geschiedenis van het zionisme, een onderzoek naar de vogelkooi die identiteit heet en naar de geschiedenis van de natiestaat die zo nauw verbonden is met die vogelkooi.
Natuurlijk begint deze geschiedenis niet op 7 oktober 2023, die begint veel eerder, maar de genocidale wraakactie die op 7 oktober volgde maakte zichtbaar wat lang onder het tapijt kon worden geveegd: dat de Nakba, de Palestijnse catastrofe die begon in 1948, verbonden is met de Holocaust en dat zoals de Duitser vanaf 1945 aan de Jood verbonden is, de Jood voorlopig aan de Palestijn verbonden zal zijn en vice versa, al was het maar omdat het voor velen te veel gevraagd is de Jood van de Israëliër te onderscheiden.
Ja, waar houdt de Israëliër op en begint de Jood, is zionist slechts een synoniem voor Israëliër? Moet de fatsoenlijke Jood zich excuseren voor de wandaden van de staat Israël, ook als die Jood geen Israëlisch paspoort heeft? Zoals ooit na 9/11 werd geschreven en gedacht dat fatsoenlijke moslims zich dienden te distantiëren van Bin Laden? Zo ik al een wereld- of mensbeeld heb, laat dat zich in een zin samenvatten: uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt, ben je andermans fantasie en zijn het de anderen die onze identiteit het diepste kunnen peilen. Yahya Sinwar, die de aanval van 7 oktober initieerde en leidde, en die in de Israëlische gevangenis vloeiend Hebreeuws had leren spreken, die verslaafd was aan Israëlische nieuwsuitzendingen, begreep de Israëlische zwakheden, de Israëlische ziel misschien beter dan menig Israëlische generaal.
Als ik weer in mijn hotel ben, The Vera, merk ik op dat in de houten trapleuning langs vier verdiepingen de volgende tekst is uitgesneden: „My Dear, find what you love and let it kill you. Let it drain you of your all. Let it cling onto your back and weigh you down into eventual nothingness. Let it kill you and let it devour your remains. For all things will kill you, both slowly and fastly, but it’s much better to be killed by a lover.”
De tekst blijkt een parafrase te zijn van een uitspraak van de Joods-Amerikaanse countryzanger en schrijver van krimi’s Kinky Friedman.
Zijn beroemdste nummer heet ‘They Ain’t Making Jews Like Jesus Anymore’. Op mijn vraag wat deze tekst in het trappenhuis doet antwoordt de receptioniste afgemeten: „De eigenaar is er dol op.”
Ja, een tekst om dol op te zijn. Vijand of minnaar, wat is uiteindelijk het verschil? Ik kan me voorstellen dat soldaten zo’n tekst uitspreken bij wijze van gebed voor ze hun tank instappen.
Mijn eerste afspraak is met Avner Gvaryahu, voormalig directeur van de ngo Breaking the Silence die getuigenissen van Israëlische soldaten verzamelt over misstanden, aanvankelijk vooral misstanden op de Westelijke Jordaanoever, tegenwoordig ook in Gaza. We zitten in de binnentuin van Ya’akov Coffee op Montefiore Street. Gvaryahu draagt een T-shirt en gaat over een paar dagen naar Engeland om daar te promoveren. Hij heeft twee kinderen, twee jongens, een is drie weken oud. Zijn hond ontbreekt, die heeft hij net naar de hondenkapper gebracht.
„Wat kom je hier precies doen?”, wil hij weten.
Ik begin uit te leggen dat dit eigenlijk allemaal begonnen is met een roman van de filosoof George Steiner uit 1979, Het transport van Adolf H. naar San Cristobal. Hitler blijkt de oorlog overleefd te hebben, wordt gepakt door de Mossad, en krijgt om allerlei redenen een proces in het Braziliaanse regenwoud. Hitler verdedigt zich door te stellen dat de Joden de mensheid tot drie keer toe hebben opgezadeld met een slecht geweten (via het monotheïsme, het christendom en het marxisme) en dat hij de mensen hiervan slechts heeft willen verlossen. Hij eindigt zijn pleidooi voor zijn Joodse rechters met enkele gedachten over Israël: „Het was de Holocaust die u de moed gaf onrecht te bedrijven, die u de Arabier uit zijn huis en van zijn veld deed verjagen omdat hij wemelde van de luizen en er helemaal alleen voor stond, omdat hij u hinderde op uw door God uitgestelde weg.” En hij sluit af met: „Het Reich heeft Israël voortgebracht.”
Tegenover Gvaryahu parafraseer ik het citaat, en dan zeg ik: „Met die laatste woorden van deze fictieve Hitler is mijn reis begonnen, die ik Van Auschwitz naar Gaza zal noemen. Daarom ben ik hier. Daarom spreek ik nu met jou.”
„En waar ga je nog meer heen?”, vraagt Gvaryahu.
„Odesa en Wenen, want daar begon het zionisme, Berlijn uiteraard. Amerika, want daar wonen de evangelisten die menen dat de Joodse staat de terugkeer van Jezus naderbij zal brengen.”
Gvaryahu knikt en bijt in een broodje. „Heb je persoonlijk iets met deze materie?”, wil hij weten.
„Het persoonlijke,” antwoord ik, „zal ik zoveel mogelijk achterwege laten. Mijn weerzin tegen het autobiografische schrijven is momenteel ongeveer net zo groot als mijn weerzin tegen de verontwaardigingsmachine die publiek debat heet. Maar kort: ouders die door de mazen van het net dat het Derde Rijk heette glipten, een zus die op de Westelijke Jordaanoever in een nederzetting woont. En kunnen we nu beginnen? Kunnen we het eindelijk over de oorlog hebben?” Gvaryahu gaat akkoord.
„We hebben belangrijke dingen onthuld,” zegt hij, „bijvoorbeeld de mishandeling van Palestijnen in Israëlische detentiecentra, of dat Palestijnen in Gaza systematisch als menselijk schild zijn gebruikt. De zogenoemde killing zones. De missie van mijn generatie was en zou moeten zijn om een onafhankelijk Palestina te bewerkstelligen, daarin hebben we vreselijk gefaald.”
„Wat komt er na het falen?”
„Zonder druk van buitenaf verandert er niets”, zegt hij. „Het is hier strafbaar om te pleiten voor een boycot, maar als jij het opschrijft moeten ze nog wel bewijzen dat ik het heb gezegd, en in links-zionistische kringen is het allang geaccepteerd om dat te zeggen. Het maakt deel uit van onze ideologie om te stellen dat een boycot een noodzakelijk middel is om hier verandering te bewerkstelligen.”
„Die kringen zijn marginaal”, zeg ik.
„Voor 7 oktober bleek uit opiniepeilingen dat ongeveer 7 procent van de Joods-Israëlische bevolking zich als links identificeert. Dat zal daarna iets minder zijn geworden maar niet veel, en het is inderdaad minimaal. Samen met de Israëlische Arabieren die ongeveer 20 procent uitmaken van de bevolking en die paspoorten en stemrecht hebben, zouden we op 25 procent zitten.”
Het is nog vroeg maar al heet in Tel Aviv. Gvaryahu staat op om naar de wc te gaan.
De publicist Ian Buruma merkte onlangs op dat je Israël ook meer kon haten dan strikt noodzakelijk. De vraag blijft: hoeveel haat is strikt noodzakelijk bij het bestrijden van onrecht? En waarover kan ik schrijven als ik zonder haat wil schrijven?
Misschien moet je de reëel bestaande staat Israël loskoppelen van het begin van het zionisme, zoals je Marx allicht moet loskoppelen van wat diep in de twintigste eeuw het reëel bestaande socialisme ging heten, oftewel de Sovjet-Unie.
Het was in de negentiende eeuw, een cruciale eeuw, dat Marx de arbeiders opriep hun ketenen te verbreken, en het was in diezelfde eeuw dat een nieuw woord in Europa populair werd, „antisemitisme”. Daarvoor kwam Jodenhaat vooral voort uit de overtuiging dat de Joden de verlosser hadden gekruisigd en met Pesach hun matzes bakten met het bloed van christelijke kindertjes. Nu werd Jodenhaat een component van de weerzin tegen de zogenoemde moderniteit. Liberalisme, emancipatiedrang, socialisme, kapitalisme. Niet geheel ten onrechte concludeerde men dat het zeker ook de Europese Joden waren die toen profiteerden van het liberalisme en de emancipatie. Vandaar is het niet ver naar de gedachte dat de gehele moderniteit een grote Joodse samenzwering is.
De negentiende eeuw was ook de eeuw van de Dreyfus-affaire: een Franse kapitein van Joodse komaf werd ten onrechte van spionage beschuldigd. Twee van de drie voormannen van het zionisme bekeerden zich tot het zionisme onder invloed van die affaire. Om het drietal te noemen: Theodor Herzl (Boedapest, 1860), opgegroeid in Wenen, journalist, schrijver, aanvankelijk gecharmeerd van het Duits nationalisme tot hem duidelijk werd dat de andere liefhebbers van Duitsland in Wenen hem niet moesten; Max Nordau (Boedapest, 1849), zoon van een rabbijn, arts en schrijver, zijn vermoedelijk beroemdste boek heet Entartung en was een lange tirade tegen de moderne kunst; en Ze’ev Jabotinsky (Odesa, 1880), schrijver, vertaler, spreker. Van deze drie heren was hij ongetwijfeld de meest getalenteerde schrijver, tevens was hij de grondlegger van het revisionistisch zionisme waaruit de Likoedpartij van Netanyahu is voortgekomen.
Wat deze voormannen gemeen hadden, is niet alleen dat ze alle drie redelijk tot zeer succesvolle schrijvers waren, maar ook dat ze alle drie volstrekt geassimileerd waren in de cultuur van het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk (Odesa behoorde niet tot dat rijk, maar die liberale uithoek van het tsaristische rijk had iets Habsburgs).
Wie zich verdiept in Theodor Herzl, die vaker in het Weense Kaffeehaus dan in de synagoge te vinden was, bekruipt het gevoel dat de Joodse staat die hij aanvankelijk bereid was op allerlei plekken te vestigen een soort voortzetting moest worden van Oostenrijk, maar zonder antisemieten, alleen met Joden. Anders gezegd, hij wilde de Apfelstrudel naar Palestina brengen met in het kielzog van de Apfelstrudel de Europese Joden. Op het laatste zionistische congres dat hij bijwoonde overwoog hij serieus het aanbod van de Engelsen om een Joodse staat in Afrika te vestigen, de zogenoemde Oeganda-optie. Lang hadden de zionisten en de antisemieten iets gemeen: ze wilden de Joden uit Europa weg hebben. De zionisten, zou je kunnen zeggen, bogen voor de wens van de antisemieten, noem het Realpolitik.
Na het verdwijnen van het Derde Rijk en het verdwijnen van het grootste deel van de Europese Joden werd het zionisme aarzelend en minder aarzelend door vele landen omarmd. Europa wilde de overlevenden hoe dan ook niet in zijn midden, had het dat wel gewild, dan had het oude Europa de overlevenden wel een klein stukje land aangeboden bij wijze van Wiedergutmachung.
Gvaryahu komt terug.
„Van Auschwitz naar Gaza”, zegt hij. „Tsja, mensen zijn mensen. Je hebt Joodse dieven, Joodse hoeren, nu heb je ook Joodse oorlogsmisdadigers.”
De in Wenen woonachtige Joodse satiricus Karl Kraus beweerde dat Oostenrijk tussen de twee wereldoorlogen een laboratorium was voor de wereldondergang. Helemaal ongelijk had hij niet, ook het wiegje van Adolf H. (Braunau am Inn, 1889), de vierde voorman van het zionisme, had in dat keizerrijk gestaan.
Heeft Gvaryahu een verklaring voor de ontaarding van het zionisme in het politieke messianisme dat nu de boventoon voert? „Er zit een aantal unieke aspecten aan dit conflict. We zijn al heel lang bezetters, sinds 1967, als je de grenzen neemt van 1967, bij mijn weten heeft geen enkel leger zolang gebieden bezet, we zijn er steeds beter in geworden. Dat is een probleem. En de Holocaust en de Nakba zijn inderdaad niet uit elkaar uit te trekken, dat heeft iemand als de historicus Amos Goldberg ook gezegd.”
Bevindt het hedendaagse laboratorium voor de wereldondergang zich nu misschien in Tel Aviv, wil ik vragen. En als de filosoof Walter Benjamin gelijk heeft en de geschiedenis slechts een aaneenschakeling van catastrofes zou zijn, betekent dat dan dat wij mensen gedwongen zijn van genocide naar genocide te reizen? Is de moraal slechts een vorm van monumentenzorg die de gedenkplaatsen na de genocide tracht te onderhouden?
Maar Gvaryahu voert een telefoongesprek. Als hij klaar is zegt hij: „Ik moet mijn hond ophalen bij de hondenkapper. Eerder dan verwacht, sorry, het voelt een beetje als in die film, hoe heet die ook alweer, over de commandant van Auschwitz?”
„The Zone of Interest”, zeg ik.
„Ja, die film.”
Terwijl hij zich klaarmaakt om te gaan zegt hij: „Er is in de Joodse traditie ook de gedachte van tikun olam, de reparatie van de wereld.”
„Hoe kun je een wereld repareren die onrepareerbaar lijkt?” wil ik nog weten. Gvaryahu wil graag antwoord geven op die belangrijke vraag, maar hij moet echt weg. „De hondenkapper is heel streng”, zegt hij.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC