Inclusie Van goedbedoelde maar pijnlijke opmerkingen tot discriminatie en uitsluiting: veel lhbti+’ers hebben op de werkvloer het gevoel dat ze er niet bij horen. Een relatief klein percentage stoot door naar de toplaag. „Ik dacht: uiteindelijk kiezen ze hier niet voor mensen zoals ik.”
Erica Schaper is als voorzitter van de raad van bestuur bij FrisiusMC bewust open over haar geaardheid.
Een wereld die niet voor jongens als hij gemaakt was. Zo zag schrijver en journalist Pim Blom de corporate-sector in zijn jaren als strategieconsultant en, later, data-analist. Het begon al bij zijn eerste sollicitatieprocedure voor een groot consultancybureau. Als onderdeel daarvan ging Blom met een groep concurrenten op business course. Toen hij daarna drie anderen appte die op dezelfde dag hun sollicitatiegesprek hadden, bleken de twee jongens die positief nieuws hadden ontvangen heteroseksueel. En de jongen die net als hij was afgewezen, eveneens net als hij, gay.
„Later ontdekte ik dat een andere homoseksuele deelnemer wél door was. Dus ik weet dat wij niet daarom zijn afgewezen. Maar die gedachte kwam wel bij mij op”, zegt Blom. „Ik dacht: ik ben lekker gemaakt met dat business-reisje en het idee dat het allemaal mogelijk was voor mij. Maar uiteindelijk kiezen ze hier niet voor mensen zoals ik.”
Dat gevoel stond aan de wieg van Bloms boek Door het regenboogplafond, dat afgelopen oktober – op internationale Coming-Outdag – verscheen. Blom ging ervoor in gesprek met vijftien lhbti+’ers die het tot een leiderschapspositie hebben geschopt. Want die zijn er zeker, maar vormen een absolute minderheid. 18 procent van de Nederlanders identificeert zich volgens het CBS als lhbti+, maar in de top van het bedrijfsleven ligt dat aandeel naar schatting onder de 1 procent. Hoe komt dat, wilde Blom weten. En: liepen deze lhbti+-leiders tegen dezelfde obstakels aan als hijzelf?
Blom is nooit actief buitengesloten of gediscrimineerd, toch bestaan die obstakels wel degelijk – niet enkel in het eigen hoofd. Een onderzoek van Randstad onder lhbti+-werknemers in zeven landen wees vorig jaar uit dat 41 procent van hen in de loop van hun carrière discriminerende opmerkingen of vooroordelen heeft ervaren. Iets minder dan de helft voelde zich comfortabel bij het bespreken van hun seksualiteit of genderidentiteit op werk. Ook bleek uit cijfers van de Britse lhbti+-rechtenorganisatie Stonewall dit jaar dat meer dan de helft van de queer werknemers pijnlijke opmerkingen en uitsluiting heeft ervaren. Bijna een derde heeft het gevoel niet zichzelf te kunnen zijn op werk.
„Aan Jojanneke van der Toorn, hoogleraar op het gebied van lhbti+-inclusie op werk, vraag ik in mijn boek: ligt het niet aan mij? Leg ik mezélf dat regenboogplafond niet op?” zegt Blom. „Dat smoorde zij direct in de kiem. ‘Nee, Pim’, zei ze, ‘dit komt door de vooroordelen en stigmatisering in de maatschappij die jij en andere lhbti+-personen onbewust overnemen’.”
Er is een term voor de sociale verhoudingen uit de samenleving die doorwerken op kantoor: heteroprofessionalisme. Veel van de ongeschreven regels op de zaak gaan onbewust uit van een heteroseksuele, cisgender norm. Dat gaat van uiterlijkheden – bij een man met een oorbel of nagellak bijvoorbeeld – tot het bespreken van relatievormen. Blom: „Wanneer ik en passant iets over mijn man laat vallen, kan dat worden gezien als een coming-out, of als een statement. Mensen kunnen er bovendien een oordeel over hebben. Als ik had verteld over mijn vrouw was dat per definitie geen probleem geweest.”
Ook Remco Boxelaar herkent die heteronormativiteit uit zijn eigen carrière. Boxelaar is de oprichter van Corporate Queer, een Nederlands kennisplatform dat zich inzet „voor een kantoorklimaat waar conformeren aan de norm geen voorwaarde is voor zakelijk succes”. Al zeven jaar geeft Boxelaar trainingen en lezingen op dit gebied, onder andere bij kantoren op de werkvloer. Net als bij Bloms boek ontstond het idee voor zijn bedrijf uit eigen ervaring. „Deze zomer vroeg iemand me: ‘Goh, wat leuk, jouw werk. Hoe ben je daar zo op gekomen?’ Nou, ik werd heel erg gepest, antwoordde ik. Dát is waarom ik hiermee begonnen ben.”
Boxelaar merkte toen hij op zijn 23ste aan zijn werkende leven begon meteen dat de corporate wereld en zijn ontluikende zelfexpressie elkaar beten. „Het viel me op dat de kleinste dingen al vragen opriepen. Van meer sieraden dan je doorgaans ziet bij mannen tot het langer laten groeien van mijn haar. ‘Ik vind kort haar leuker bij jou staan’, zei een collega eens. Vind je dat echt, vroeg ik me af, of vind je het onbewust fijner als ik me meer conform mijn gender kleed?”
Boxelaar wil maar zeggen: mensen merken soms dingen op waarvan zijzelf denken dat er geen oordeel in schuilt. Maar dat oordeel is er wel, en kan bij de persoon aan de andere kant van het gesprek hard aankomen. Zelfs bij goedbedoelde opmerkingen. „Een andere collega zei een keer: ‘Eigenlijk moet het niet uitmaken dat jij met een damestas loopt.’ Maar onbedoeld benadruk je daarmee dat deze tas blijkbaar niet voor mannen is. Dat het raar is, ánders. En dat het nu dus wel uitmaakt.”
Een veelvoorkomend misverstand bij deelnemers aan zijn trainingen is dat het gaat om bedrijfsetiquette. „Dan hoor ik: je gaat toch ook niet in een joggingbroek naar werk? Dat is significant anders. Hierbij draait het om veiligheid: kan ik zo over straat, kan ik hiermee naar werk zonder dat ik opmerkingen van collega’s krijg?”
Toen hij Corporate Queer opzette, ging Boxelaar met tal van andere lhbti+-professionals in gesprek. „Dan hoorde ik van mannen dat zij op vrijdagavond hun nagels lakten en het er op zondagavond weer afhaalden. Doordeweeks corporate, in het weekend queer. Ik wil dat die twee dingen verenigd kunnen worden.”
Voor werknemers én voor werkgevers. Sinds 2023 richt Boxelaar zich met een leiderschapsprogramma specifiek op lhbti+’ers met een managementpositie: hoeveel laat ik van mezelf zien, wat wel en wat niet? „Dat verschilt per persoon en bovendien vraagt iedere werkomgeving wat anders. Daarom breng ik per editie vijftien tot twintig mensen met zoveel mogelijk verschillende ervaringen – en van zoveel mogelijk verschillende letters binnen de lhbti+-gemeenschap – bij elkaar. Zij gaan op de eerste van drie trainingsdagen meteen de diepte in, maar voelen zich veilig om dat te doen, omdat ze onder gelijken zijn. Dat hebben zij op de werkvloer nooit op eenzelfde manier ervaren.”
Met potentiële gevolgen. „Ik heb normaal een sterke mening en ben niet op mijn mondje gevallen”, zegt Pim Blom, „maar op kantoor kon ik enorm de kat uit de boom kijken en mijn opinie voor me houden.” Terwijl assertiviteit op werk doorgaans juist wordt gewaardeerd. Wanneer mensen hun mening en ideeën voor zich houden, kan er ook op gebied van originaliteit en creativiteit veel gemist worden. Om nog maar niet te spreken van het gebrek aan productiviteit bij personen die slecht in hun vel zitten. „Daarom vind ik dat queer leiders zich zouden moeten uitspreken over hun seksualiteit of genderidentiteit. Alleen zo kunnen andere lhbti+’ers zien: die toppositie is voor mij óók haalbaar.”
Blom benadrukt meteen: er zijn wat hem betreft uitzonderingen. „Moet een transgender persoon die zich al haar hele leven vrouw voelt vertellen dat ze in transitie is geweest? Moet een biseksuele man die getrouwd is met een vrouw benoemen dat hij ook op mannen valt? Kijk, ik denk dat het veel voor anderen kan betekenen. Ik zou het dus wel aanmoedigen. Maar altijd op een manier en een moment waarop diegene zich zelf comfortabel voelt.”
Ook als het aandeel van openlijk queer personen in de bedrijfstop in verhouding zou staan met dat in de samenleving – namelijk 18 procent – is dat nog steeds een minderheid, erkent Blom. Dat verandert niet, maar wel kunnen veel meer mensen zich in die toplaag herkennen. „Of jij in een kamer met honderd mensen de enige bent die niet hetero of cisgender is, of dat er nog zeventien anderen zijn, dat maakt een groot verschil.”
„Ik had nooit gedacht dat jij hoofdredacteur zou worden, zei een collega die mij al heel lang kent een keer tegen me. En dat snap ik volledig. In mijn eerste jaren bij NU.nl trok ik mijn mond nauwelijks open. Als tiener verstopte ik wie ik ben, en nadat ik op mijn 21ste uit de kast kwam begon mijn proces van zelfontdekking pas. Dat was niet lang voordat ik hier kwam werken.
„In de journalistiek wordt verwacht dat je in vergaderingen met ideeën komt, dus ook op zakelijk vlak zat mijn teruggetrokkenheid me in de weg. Tegenwoordig ben ik juist heel open. Ik hoef er geen moeite voor te doen om mezelf te zijn. Daarbij heb ik veel gehad aan een aantal sterke vrouwelijke leidinggevenden, onder wie mijn vroegere chef die net als ik op vrouwen bleek te vallen.
„Ik weet nu: aan het begin van je carrière heb je mensen nodig die jou uit je schulp trekken. Die persoon probeer ik voor anderen te zijn. Als hoofdredacteur van een nieuwssite word ik soms geconfronteerd met zaken die mij persoonlijk raken, anti-homogeweld bijvoorbeeld. Daar kan ik me enorm over zitten opvreten. Ik vind het belangrijk dat wij daar als platform aandacht aan schenken. Nu.nl is expliciet voor een vrije samenleving: wij hoeven op dat vlak niet neutraal te zijn.”
„Activistisch ben ik niet en bij de Pride kom je me ook niet tegen. Maar ik ben bewust open over mijn seksuele geaardheid. Ten eerste omdat het is wie ik ben: ik woon samen met een vrouw, voor mij is dat de normaalste zaak van de wereld. Ten tweede omdat ik wil dat alle mensen met wie ik werk zich gewaardeerd voelen om wie ze zijn.
„Ik werk sinds dit jaar bij Frisius MC, hiervoor heb ik lang in het hoger onderwijs gezeten. Op scholen en in de zorg is inclusie niet alleen voor medewerkers belangrijk, maar eveneens voor studenten en patiënten. Ik vind het belangrijk dat collega’s een gevoeligheid ontwikkelen voor wat ze zeggen en hoe dat bij een ander overkomt. Wanneer wij als medewerkers beter zijn afgestemd op verschillende mensen met verschillende behoeftes en manieren van leven, levert dat betere zorg op. Bovendien zijn we dan een leukere werkgever.
„Op mijn kantoor in het ziekenhuis staat een enorme regenboogpinguïn die ik ooit gekregen heb. Als iemand voor de eerste keer binnenkomt, ontstaat daar altijd een gesprekje over. Op mijn eerste dag ben ik met die pinguïn onder mijn arm naar mijn werkkamer gelopen. Die zichtbaarheid en de daaruit voortkomende gesprekken met mensen buiten jouw eigen bubbel zijn nodig, vind ik. Vroeger woonde ik naast mensen die SGP stemden. Dat zijn goede vrienden geworden. Ik zoek liever common ground dan verschillen.”
„Eind 1987 was ik nog geen maand aan het werk toen ik mijn eerste bedrijfsfeestje had. Ik besloot mijn toenmalige vriend mee te nemen. Even twijfelde ik, maar ik besloot: we gaan gewoon, dan is de kogel door de kerk. Opmerkingen kreeg ik er niet over, en later evenmin. Wel hoorde ik iemand ooit zeggen, lang voordat ik wettelijk met mijn partner mocht trouwen: ‘Als je niet getrouwd bent, word je in dit bedrijf geen manager.’
„Ik trek me er maar niks van aan, dacht ik. Niet veel later werd ik manager. Je moet je niet te veel te laten afleiden. Het is denk ik goed om als lhbti+-persoon jezelf telkens een beetje meer te ‘stretchen’: stapje voor stapje zetten, kijken wat er gebeurt. Dat kost energie, maar in de kast blijven kost nog meer energie.
„Plus: door zichtbaar te zijn, gaan conservatieve collega’s wellicht anders naar lhbti+’ers kijken. Al wil ik niet beweren dat ik de wijsheid in pacht heb. Voor mij werkte het zo, dat was misschien anders geweest als ik niet wit of cisgender was. Daarom vind ik het als ceo belangrijk dat íédereen hier met plezier naar kantoor komt. En dat wij mensen uit alle groepen aantrekken. Dat is voor elk bedrijf goed. Als je in bepaalde groepen niet zoekt, mis je alle expertise die daar te vinden is.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC