Home

Met al die vliegtuigen op een klimaattop afreizen is een goed idee, ja

Op zijn derde VN-klimaattop vraagt redacteur Tjerk Gualthérie van Weezel zich af of het CO2-spuitende circus wel de moeite waard is. In de analyse van zijn ervaringen op de conferenties krijgt optimisme de overhand.

is economieredacteur. Hij schreef dit verhaal vanuit Belém, waar de COP30 plaatsvindt.

‘Ga je erheen zeilen?’ Die vraag, of een variant daarop (roeien, zwemmen), stelde afgelopen weken bijna iedereen aan wie ik vertelde dat ik naar de klimaattop in het Braziliaanse Belém ging. De scepsis lag er dik bovenop.

Ik begrijp de vraag. Toen ik drie jaar geleden voor het eerst voor de Volkskrant naar de klimaattop van Dubai werd uitgezonden, had ik die zelf ook. Wat schiet de planeet ermee op als tienduizenden mensen vanuit de hele wereld in vliegtuigen samenkomen in een oliestaat om over klimaatverandering te spreken? Brengt zo’n CO2-spuitend circus de wereld niet meer schade toe dan het oplevert?

De beste reactie daarop hoorde ik, hoe typisch, in het vliegtuig naar de Emiraten. Ik luisterde een podcast van de BBC waarin een ervaren klimaatverslaggever vragen van luisteraars beantwoordde over de internationale klimaatconferentie. Zou het niet beter zijn om die hele vergadering online te doen, was ook daar de meest prangende kwestie.

‘Beeld je in dat je vanuit de ruimte naar de aarde kijkt en weet dat de wereld is georganiseerd in natiestaten’, zo begon de verslaggever zijn antwoord. ‘Als je dan ziet hoe klimaatverandering het leven op aarde bedreigt, zou je het dan een goed idee vinden dat vertegenwoordigers van al die landen, en alle andere mensen die zich bij het probleem betrokken voelen, bijeenkomen op zoek naar gezamenlijke oplossingen?’

Natuurlijk is dat een goed idee.

Afspraken met impact

Het succes van die formule werd tien jaar geleden bekroond met het Klimaatakkoord van Parijs. Daarin beloofden 195 landen dat zij de opwarming van de aarde deze eeuw zouden beperken tot ruim onder 2 graden, waarbij ze streven naar 1,5 graad.

De Conference of the Parties (COP), zoals de VN-klimaattop officieel heet, heeft meer successen te presenteren. Zo hebben de landen de afgelopen jaren besloten dat fossiele brandstoffen ‘uitgefaseerd’ moeten worden, dat er een einde moet komen aan ‘inefficiënte fossiele subsidies’, dat ontbossing uiterlijk in 2030 een halt wordt toegeroepen, en dat er actie wordt ondernomen om de uitstoot van methaan snel terug te dringen.

Al deze afspraken hebben impact. Het klimaat ligt volgens wetenschappers niet langer op koers om deze eeuw 4 graden op te warmen, zoals tien jaar geleden nog werd berekend. We gaan nu richting de 2,3 tot 2,5 graden. Dat weegt ruim op tegen de impact van enkele tienduizenden mensen die jaarlijks het vliegtuig naar een klimaattop pakken.

Maar tien jaar na Parijs is er zeker reden voor scepsis over ‘de grootste vergadering op aarde’. We liggen om te beginnen nog altijd niet op schema voor 1,5 graad. De twee vorige COP’s werden gehouden in olielanden waar fossiele lobbyisten, die ambitieus klimaatbeleid proberen af te zwakken, nooit ver weg waren. Vorig jaar was er een frustrerende onderhandeling over ‘klimaatfinanciering’. Rijke landen beloofden uiteindelijk 300 miljard dollar per jaar bij te dragen aan de klimaatschade van arme landen – een druppel op een gloeiende plaat. En dit jaar domineert het nieuws dat Amerika, de grootste vervuiler ter wereld, zich onder president Trump helemaal aan de klimaattop onttrekt.

In Belém, de stad die wel de poort naar de Amazone wordt genoemd, maak ik dit jaar mijn derde COP mee. En loop ik toch weer rond met die vraag: heeft dit zo allemaal nog wel zin? In de zoektocht naar het antwoord passeren in mijn hoofd de scènes en ontmoetingen die mij inzicht gaven over wat de COP nu eigenlijk is.

Dubai, 13 november 2023.
Inzicht: de klimaattop gaat in de kern over ongelijkheid.

In een gigantische hal in Dubai is zojuist de ‘Consensus van de Verenigde Arabische Emiraten’ afgehamerd als ik Bubacar Zaidi Jallow aanspreek. Jallow is een jonge man in een mooi blauw gewaad. Staand achter een tafel met het bordje ‘Gambia’ erop staart hij uitdrukkingsloos de zaal in.

Iets verderop viert de Amerikaanse klimaatgezant John Kerry met zijn Chinese ambtgenoot Xie Zhenhua het ‘historische akkoord’ dat afgelopen dagen ver weg leek. Een dag na de officiële sluitingsdatum is de COP28 het eens geworden over een tekst waaruit één zwaarbevochten zin wereldnieuws is. Alle landen van de wereld beloven ‘de transitie in te zetten, weg van fossiele brandstoffen’.

Wat vindt Gambia ervan, vraag ik Jallow.

‘Wij hebben de tekst nog niet kunnen vinden’, zegt hij.

‘Hoezo, die staat toch gewoon op de site van de VN-klimaatorganisatie?’, vraag ik verbaasd.

‘Wij hebben die nog niet kunnen vinden’, antwoordt Jallow. ‘De vorige versie hebben we wel. Die vonden we niet zo goed.’

Ik zeg dat ik het document wel even kan mailen. Jallow pakt een telefoon met een gebroken scherm uit zijn zak, geeft me een Gmail-adres en bedankt me hartelijk als hij het 21 pagina’s tellende document over de ‘Global Stocktake’ in zijn mailbox ziet verschijnen. Hij begint de tekst te lezen waarmee hij namens zijn land zojuist heeft ingestemd.

Ongelijke strijd

De COP gaat over klimaat. Maar klimaat gaat over ongelijkheid en uiteindelijk over geld, daarmee word je op de klimaattoppen constant geconfronteerd.

De arme landen in de wereld hebben in anderhalve eeuw amper bijgedragen aan de opwarming van de aarde. Maar de stormen, hittegolven en overstromingen gaan niet aan hen voorbij. Bewoners van kwetsbare eilanden hebben vaak het geld niet om ingenieurs in te huren nu de zeespiegel stijgt en het koraal afsterft. De golven die elk jaar harder op hun kusten beuken, proberen ze daarom maar te breken met muurtjes en autobanden. Een strijd die ze zeker zullen verliezen zonder serieuze donaties van rijke landen.

Het gesprekje met Jallow maakt duidelijk dat ook het goed volgen en begrijpen van de zeer complexe onderhandelingen een ongelijke strijd is. Top na top zijn er afspraken gemaakt die op de agenda hun eigen plekje innemen. In meer dan twintig zaaltjes moeten vertegenwoordigers het unaniem eens worden over allerhande aspecten van klimaatverandering. Over wie de rekening betaalt na een grote ramp, hoe de rechten van arbeiders zijn geregeld in de energietransitie, over genderongelijkheid en het functioneren van CO2-markten. Enzovoort, enzovoort.

De onderhandelingen zelf zijn een ingewikkeld woordenspel. Waarbij landen of groepen van landen suggesties voor formuleringen aanleveren voor teksten. Wanneer een land woorden of passages onacceptabel vindt, staan die tussen vierkante haakjes.

Intussen zijn er verspreid over de COP talloze ‘side events’ waar vertegenwoordigers van landen, actievoerders, wetenschappers, investeringsfondsen, burgers en andere belanghebbenden met elkaar spreken over alle mogelijke aspecten van klimaatverandering en de energietransitie.

Om hier als arm land het overzicht te bewaren, met een kleine en onderbetaalde delegatie, is ondoenlijk.

Samen optrekken

Maar dat is niet zozeer het probleem van de COP, eerder een duidelijk gevolg van de ongelijkheid waarmee ontwikkelingslanden 365 dagen per jaar te maken hebben. Op de COP staat daar tenminste nog iets tegenover: ontwikkelingslanden zijn er niet alleen.

Groepen van de minst ontwikkelde landen en zeker ook de kleine eilandstaten trekken op de conferenties samen op om hun belangen te verdedigen. Geholpen door ngo’s en adviseurs die het taaie administratieve proces overzien. Als ze voelen dat hun onrecht wordt aangedaan, dromt de wereldpers samen om hun klachten aan te horen.

Toen ik een ambtenaar van de eilandengroep Vanuatu afgelopen week voorlegde dat mensen in mijn land zich afvragen of de klimaattop wel zin heeft, antwoordde hij zo: ‘Wij maken ons zorgen over het koraal dat verbleekt, we vangen steeds minder vis en stormen worden steeds erger. Daarover kunnen we e-mails en apps sturen. Maar hier is iedereen die ons kan helpen aanwezig. Dat werkt veel beter.’

Bakoe, 24 november 2024.
Inzicht: multilateralisme is nu eenmaal rommelig mensenwerk.

Het is rond middernacht als ik samen met honderden andere journalisten door de afzetlinten breek. De VN-politie kan de druk niet langer weerstaan. COP29 had officieel al meer dan een dag geleden afgerond moeten zijn, maar de landen zijn eruit, gonst het door het Olympisch Stadion van Bakoe. Iedereen wil een plekje in de plenaire zaal.

Nadat voorzitter Mukhtar Babayev de vergadering heeft geopend en wat agendapunten heeft afgehandeld, wordt de sessie geschorst. Het grote punt waarvoor iedereen is gekomen, het bedrag dat rijke landen aan arme landen moeten betalen voor klimaatfinanciering, hangt nog in de lucht.

Dan heropent Babayev de vergadering en leest zoutloos en met zwaar accent de Engelse teksten voor die voor hem liggen. Hij vraagt de zaal om het document CMA2024L.22 aan te nemen. Dit is het document waarover het al twee weken gaat. Waarvan ontwikkelingslanden hadden gehoopt dat het 1.300 miljard aan toezeggingen van rijke landen zou bevatten, maar dat na lang onderhandelen van 300 miljard spreekt.

Zonder serieus rond te kijken of de zaal het ermee eens is, laat Babayev zijn hamer vallen. Er klinkt een scherpe tik door de immense zaal. ‘Aldus besloten.’ Een aarzelend applaus stijgt op en de mensen op het podium beginnen elkaar te omhelzen. Het akkoord over klimaatfinanciering is rond.

Verwijten van neokolonianisme

Niet veel later vraagt de onderhandelaar van India het woord en laat een snerpende monoloog door de zaal schallen: ‘Dit is een ongelukkig incident. Wij hadden het secretariaat van de VN gevraagd om een verklaring af te leggen. India accepteert deze tekst niet.’ Daarna leggen Bolivia en Nigeria vergelijkbare verklaringen af. Ze verwijten de rijke landen ‘neokolonialisme’.

In de zaal heerst vertwijfeling. Maar de hamer is gevallen, dus het akkoord blijft staan.

Over het gekke einde van de top in Bakoe vertellen onderhandelaars achteraf wat er gebeurde. De Indiërs wilden op het laatste moment nog aanpassingen in een slottekst. Maar dat zou een klap in het gezicht zijn geweest van alle landen waarmee de tekst zorgvuldig was afgestemd. De top dreigde zo in het zicht van de haven alsnog op een mislukking uit te draaien.

Dus probeerde het voorzitterschap driftig om de Indiase premier Modi te bellen. Die kon zijn onderhandelaar tot de orde roepen, was de hoop. Maar in India was het al midden in de nacht, het lukte niet om Modi uit zijn bed te bellen. Daarom besloot het voorzitterschap om India maar even te negeren.

Mislukte top in Denemarken

COP’s hebben de neiging heel rommelig te eindigen, zei André Corrêa do Lago vorig weekend in een interview met Bloomberg. De 66-jarige topdiplomaat is al sinds de Earth Summit in Rio bij milieu-onderhandelingen betrokken en is nu de voorzitter van de COP in Belém. Do Lago weet als geen ander dat hij in die rol een gigantische invloed heeft op dat einde.

Berucht is de mislukking van het Deense voorzitterschap in 2009. Daar waren de verwachtingen hooggespannen over een deal die het Kyoto Protocol zou moeten vervangen. Dat akkoord uit 1997 was door de VS nooit geratificeerd omdat de Amerikanen vonden dat er te veel verplichtingen in stonden.

De Amerikaanse president Obama was zelf naar Denemarken afgereisd en dacht dat hij met een kleine groep invloedrijke landen ‘Het Kopenhagen Akkoord’ had gesmeed. Maar van zulke achterkamertjespolitiek bleken andere landen niet gediend. In de slotbijeenkomst trok met name Venezuela fel van leer. De onervaren Deense minister die de sessie voorzat probeerde het protest eerst nog te negeren, maar gaf Venezuela uiteindelijk toch het woord. Waarna alles uit zijn handen glipte.

Diederik Samsom, die bij die vergadering was, beschrijft in zijn nieuwe boek hoe de Amerikaanse klimaatgezant Todd Stern nog probeerde de deal te redden. Hij stond op en sprintte richting de voorzitter terwijl hij riep: ‘Hamer het af, idioot.’ Op weg naar het podium struikelde hij. Uiteindelijk kwam de COP dat jaar in de slotverklaring niet verder dan dat zij ‘kennis had genomen’ van het Kopenhagen Akkoord.

Tegenover die dramatisch gefaalde editie staat het succes van de klimaattop in Parijs. Dat succes wordt wordt toegeschreven aan de diplomatieke gaven van de Fransen.

Dubai, 10 december 2024.
Inzicht: oliestaten hebben meer gemeen met andere landen dan vaak gedacht.

In een gebouwtje op het uitgestrekte COP-terrein in Dubai serveert Yahya Alhdban koffie met een dadel. Namens Koeweit is hij betrokken bij alle onderhandelingen die raken aan wetenschap. Hij vertelt over de impact van klimaatverandering op zijn land. Die is niet mis. ‘Vroeger was het drie tot vier keer per jaar heter dan 50 graden. Nu is dat vijftig keer’, zegt hij. ‘Als we geen airconditioning hadden, zouden onze gebouwen veranderen in ovens.’

Tegelijkertijd ziet de toekomst van Koeweit er zonder fossiele brandstoffen ook niet best uit, legt Alhdban uit. Het land is volledig afhankelijk van olie-inkomsten. ‘Het is in de toekomst misschien mogelijk, maar je hebt nabije toekomst en verre toekomst.’

Vertragen en blokkeren

De impact van de fossiele lobby op de klimaattoppen is groot. Met name de Saoediërs maken het bont. Hun delegatie bestaat uit tientallen onderhandelaars die vaak zijn opgeleid aan Angelsaksische topuniversiteiten. Ze kennen de procedures tot in de kleinste details en grijpen bij alle onderhandelingen hun kans om de gesprekken te vertragen, blokkeren of anderszins te frustreren.

Ook in Belém hebben ze zich alweer laten gelden. Bijna alle landen wilden de komende dagen langer doorvergaderen en zo de kans vergroten dat er komende weken overeenstemming komt over teksten. Gekmakend vinden veel landen en ngo’s de manier waarop de Saoediërs en duizenden andere fossiele lobbyisten steevast zand in de raderen van de COP strooien.

Tegelijkertijd is de positie van veel olielanden lang niet zo eenduidig, blijkt telkens wanneer je ze tijdens de COP spreekt. Zij hebben een begrijpelijk dilemma tussen hun korte- en langetermijnbelangen. Zeker olieverslaafde westerse landen komt dat bekend voor. Zo hebben Europese ministers vorige week de klimaatambities voor 2040 afgezwakt uit angst dat zij anders de concurrentiepositie van hun economie te veel schaden. Op de COP zoeken veel landen uiteindelijk naar manieren om die korte- en langetermijnbelangen in evenwicht te brengen.

Belém, 11 november 2025.
Inzicht: landen geloven nog altijd dat dat ze samen tot oplossingen kunnen komen.

Een tropische regenwolk loopt met volle kracht leeg op de tent waar Meeting Room 14 is ondergebracht. Het geraas van de bui is oorverdovend en aanwezigen hebben de grootste moeite om via hun koptelefoons te horen wat de onderhandelaar van Groot-Brittannië te zeggen heeft.

Achteraf blijkt dat ik als journalist helemaal niet bij deze ‘consultatie over Artikel 6.4’ had mogen zitten. Mijn persaccreditatie is niet goed gecontroleerd. Citeren uit de bijeenkomst is dus not done. Dat is op zich niet erg. De teksten van de onderhandelaars zijn zeer technische, met afkortingen doorspekte verhandelingen over het proces om tot een besluit te komen over de handel in koolstofcertificaten.

De belangrijkste indruk van de bijeenkomst voor mij is iets anders: de zaal is afgeladen. Bijna alle landen hebben wel een onderhandelaar gestuurd. De stoelen voor ‘observers’, vertegenwoordigers van ngo’s en bedrijfsleven, zijn allemaal bezet. Langs de randen zitten nog tientallen geïnteresseerden op de grond. Er staat hier duidelijk wat op het spel. Er zijn verschillende opvattingen, maar iedereen wil een uitkomst. Ze zijn hoopvol.

Vorderingen in Belém

De handel in koolstofrechten is een van de onderwerpen waarover al sinds het begin van de klimaattoppen wordt gebakkeleid. Ontwikkelingslanden zijn voor. Zij zien een potentieel verdienmodel omdat ze een vergoeding kunnen krijgen wanneer ze bomen planten, bossen laten staan of een fabriek vergroenen. Milieuorganisaties en westerse landen vrezen een administratief gedrocht waarin veel geld omgaat, maar waarmee het klimaat weinig opschiet.

Vorig jaar is de kwestie in beweging gekomen. Er is sindsdien binnen de VN keihard gewerkt aan het systeem om de handel in CO2-rechten te administreren. Intussen anticiperen Europese milieuministers er al op in de klimaatplannen voor 2040, waarover ze het vorige week in Brussel eens zijn geworden.

Zo worden er in meer zalen in Belém vorderingen gemaakt. Over manieren om meer private investeringen naar ontwikkelingslanden te laten vloeien. Over de criteria waaraan adaptatieplannen moeten voldoen om voor financiering in aanmerking te komen. Of over de wetgeving die landen moeten aannemen om de rechten van kwetsbare groepen te beschermen die hun land, baan of welvaart dreigen te verliezen door de energietransitie.

Traditionele krijgsraad

Op de drie COP’s die ik bezocht, was er altijd aandacht voor de lokale traditie van overleg en conflictbeslechting.

Toen de onderhandelingen in Dubai vastliepen, organiseerde Sultan al-Jaber een majlis, een traditioneel Arabische raad voor stamhoofden. De delegatieleiders werden in een kring gezet en kregen een voor een het woord. Ze mochten geen voorbereide verklaringen voorlezen, maar moesten ‘met hun hart spreken’. Want in de majlis ‘kom je met je problemen en ga je weg met oplossingen’, legde Al-Jaber uit.

In Bakoe doopte voorzitter Babayev een grote vergadering om tot kurultai. Zo heten de krijgsraden die Mongoolse en Turkse stamhoofden en militaire leiders al zeker sinds Dzjengis Khan houden om gezamenlijk hun strategie te bepalen.

En in Brazilië grijpt voorzitter André Corrêa do Lago elke kans aan om de term mutirão in de mond te nemen. Het woord stamt uit de inheemse taal Tupi-Guaraní en wordt in de Amazone gebruikt voor bijeenkomsten waar mensen zich samen inspannen voor het collectief belang. ‘Overal hangt de geest van de mutirão’, stelde Do Lago na drie dagen in Belém tevreden vast. Landen voelden volgens de voorzitter de drang om te bewijzen dat multilateralisme nog werkt. Zeker nu de VS hebben besloten de COP de rug toe te keren.

De Conference of the Parties is zo bezien slechts een zoveelste voorbeeld van een bijeenkomst waar mensen geweldloos hun gezamenlijke problemen proberen op te lossen. Dat ze dit doen in een vorm waarbij alle landen op de wereld het altijd unaniem eens moeten worden, heeft haast iets hoogmoedigs, of naïefs.

Maar een andere manier is er nog niet. En het feit dat tienduizenden mensen er nog in geloven, geld en tijd investeren en het vliegtuig nemen om hun stem te laten horen, zegt iets over hun zorgen. En over hun hoop dat er ook dit jaar weer stappen kunnen worden gezet. Dat is niet iets om gemakzuchtig cynisch over te doen.

Luister hieronder naar onze nieuwspodcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next