Thomas Korsgaard In het laatste deel van zijn semi-autobiografische Tue-trilogie smijt de hoofdpersoon zijn hele ellendige jeugd in de vuilnisbak. Daarbij wordt hij geholpen door zijn voortdurende bluf.
„Ik breng alles naar de grofvuilcontainer.” Zo luidt de veelbetekenende eerste zin van Je had er waarschijnlijk bij moeten zijn, het recent in vertaling verschenen laatste deel van de Tue-trilogie, de succesvolle semi-autobiografische serie van de Deense Thomas Korsgaard. Het is pijnlijk dat Tue alles in de container dumpt, wanneer je je realiseert dat het dan ook écht om alles gaat: naast een matras, oude kinderkamermeubels en kleding, ook: „Mijn babyboek van toen mijn ouders nog foto’s van ons namen.” De trilogie is een nauwgezet coming-of-ageverhaal, verteld door de afstandelijk (koel, droog, ironisch) klinkende Tue, die opgroeit in armoedige omstandigheden, op een stoffig erf, ver van de buitenwereld. Overgeleverd aan een voortdurend gebrek aan liefdevolle betrokkenheid van zijn ouders en financiële middelen, voel je de jonge verteller langzaam maar zeker verharden.
Thomas Korsgaard: Je had er waarschijnlijk bij moeten zijn. (Man skulle nok have været der) Vert. Lammie Post-Oostenbrink. Ambo Anthos, 256 blz. € 23,99
Het eerste deel, Mocht er iemand langskomen, begint met het bijwonen van een begrafenis, waar Tue zich levendig voorstelt hoe het zou zijn als het zijn vader was in de kist. In dit deel ontworstelt Tue zich aan zijn vader. Hij begint te begrijpen dat onder diens voortdurende woede een wanhoop schuilgaat en onder zijn onrust een hardnekkige machteloosheid. Tue ziet het gedrag van zijn vader voor wat het is – van zielig tot wanstaltig of zelfs illegaal, zoals wanneer hij zijn zoon dwingt mee te gaan om koper te stelen. En Tue gaat de strijd aan, weigert, dient hem van repliek. Tegelijkertijd is er, misschien doordat hij zijn kwetsbaarheid kan zien, óók compassie. De figuur die voorheen zijn dominante, ontzagwekkende vader was, valt van zijn voetstuk: „Hij zat op teletekst over de aandelenmarkt te lezen, zoals altijd als hij klaar was met uitmesten van de stal. Hij had trouwens helemaal geen aandelen.”
In het tweede deel Op een dag lachen we erom ontworstelt Tue zich hoofdzakelijk aan zijn moeder. Met zijn eerlijke, nietsontziende blik stelt hij over haar: „Toen was ze mooi. Lang voor mijn vader en wij verschenen. Lang voor het doodgeboren kindje, alle rekeningen, de telefoontjes van de gemeente en haar depressie. Ze had mooi kunnen zijn.” Ook zijn moeder maakt een val, waarbij je als lezer laveert tussen medelijden en veroordeling. In hoeverre gaat zij ten onder aan haar gewelddadige man en de omstandigheden waarin ze verkeert en in welke mate is ze zelf verantwoordelijk te houden voor de (verwaarloosde) zorgtaak naar haar kinderen? Tue worstelt met een pijnlijke tegenstrijdigheid jegens haar: „‘Ik haat je mam’, fluisterde ik en ik hoopte dat het tot in haar droom zou doordringen. ‘Ik haat je en je mag niet weggaan.’”
In plaats van er te zijn, wordt er gevlucht („We hadden allemaal constant iets nodig om dingen te vergeten”), letterlijk door afwezigheid, of figuurlijker in drank, eten, blowen of tv-kijken. Tue vereenzaamt en vindt bij zijn moeder nauwelijks gehoor: „Ze lag met de afstandsbediening in haar hand haar colafles te knuffelen toen ik binnenkwam.” Naast nalatigheid begint Tue ook bij zijn moeder gewelddadigheid te vermoeden. Hij herinnert zich dat hij door haar tegen de muur gegooid werd en met een riem werd vastgebonden. „Ik had daar niet lang gestaan. Of misschien wel, of misschien had mijn vader het gedaan. Misschien was het niet waar.” Schrijnend is het loyaliteitsconflict waarin Tue zo nu en dan belandt, die het extra lastig maakt om zijn moeder als dader aan te wijzen.
Zo wordt Tue voortdurend verscheurd door tegengestelde bewegingen: enerzijds wil hij zijn ouders respecteren en soepel meedraaien in het gezin, anderzijds is hij zich ervan bewust dat er niet goed voor hem en zijn broertje en zusje wordt gezorgd (vader werkt, moeder verdwijnt, de kinderen moeten zelf maar eten regelen). Te midden van alle problemen maakt zijn moeder zich los van het gezin. Tijdens een autorit biecht ze op dat ze een minnaar heeft. De bekentenis loopt uit op een bedreiging: als Tue zijn vader vertelt over haar affaire, zal zij vertellen dat hij homo is („Hij vermoordt je”). Wanneer zijn moeder hem bij hun koperen huwelijksfeest toevertrouwt dat ze overweegt bij haar minnaar in te trekken, lijkt er iets te knappen: Tue voelt de laatste hoop uit het kapotte gezin wegglijden en wil vluchten, maar is tegelijkertijd afhankelijk van zijn ouders en kan zichzelf moeilijk in bescherming nemen. Maar dan wordt het voor hem beslist: de affaire komt uit, waarna zijn vader dreigt zich te verhangen en zijn moeder aankondigt weg te gaan. Tue wordt het huis uitgezet.
Je had er waarschijnlijk bij moeten zijn is het eenzame slotakkoord, waarin Tue probeert los te komen van zijn geschiedenis en daarmee een deel van zichzelf. Het verhaal is cru: eenmaal verlost van het problematische gezin belandt hij in Kopenhagen op straat. Zelfs voor de meest basale crisisopvang komt hij niet in aanmerking door de wrede cirkel: zonder adres geen woning, zonder woning geen adres. Er is een malafide verhuurder van een kamer die seksueel misbruik van hem wil maken, er is een bewaker die hem verwijdert uit het kantoorpand waar hij als krantenverkoper werkt en er is een voortdurend tekort aan eten en geschikte kleding („Bij de neus van mijn schoen is mijn sok op weg naar de oktoberkou”). Flessen sterke drank helpen hem de nachten door. Na het nodige aandringen vindt hij ten slotte een logeeradres bij zijn collega-verkoper Victoria, die bij haar moeder in een luxueus appartement in de stad woont.
Hier vindt een tenenkrommende clash tussen klassen plaats: Tue steekt onbeschaafd, ongemanierd en onwetend af bij deze hogere sociale klasse. Zijn werkelijkheid roept zo’n ongemak op, dat er geen volledige aandacht voor is: niemand wil het echt zien. Wanneer hij wordt meegenomen naar een kerstdiner hoort hij vanaf de gang hoe Victoria en haar moeder werkelijk over hun logé denken: hij wordt bestempeld als ‘white trash’. Zijn eerder gedeelde ambitie om schrijver te worden wordt afgedaan met: ‘Iedereen mag dromen’, en de hamvraag in het gezelschap blijkt te zijn: hoe kom je van zo iemand af? Misschien het pijnlijkste: dat zelfs trots een privilege blijkt, hij heeft geen andere mogelijkheid dan ondanks alles te blijven.
Wat deze laatste roman interessant maakt, is de voortdurende bluf die Tue moet opzetten. Alle leugens waarmee hij kranten verkoopt, eten of geld steelt, aan gratis drank komt of een tijdelijke slaapplaats. Tue moet zich voortdurend anders voordoen om de realiteit naar zijn hand te zetten. Wanneer hij uiteindelijk toch vertrekt uit het luxeappartement (na een intimiderende aanvaring op de bank met Victoria), dreigt hij zichzelf helemaal te verliezen.
Hij moet zijn geliefde oude laptop inruilen, waarop hij soms iets typte, zodat hij tegen de buitenwereld kon zeggen dat hij bezig was met het schrijven van een boek: „Als iemand het aan mij vraagt, wat ben ik dan? Ik heb zin om te zeggen dat ik schrijver ben, en dat klopt eigenlijk ook wel, al heb ik nog geen boek geschreven. Als je een schrijver bent die geen boeken schrijft, wat ben je dan?”
Een belangrijke vraag die de trilogie stuwt, is wanneer het schrijverschap van Tue geboren wordt. Dat duurt een tijd en als het zover is, blijft de schrijfarbeid helaas onzichtbaar: Korsgaard wacht tot het eind van de roman en neemt dan een sprong in de tijd. Tue komt op de avond van zijn boekpresentatie thuis in zijn eigen appartement, waar politie voor de deur staat. Zijn eerste gedachte: „Ze zullen het me zo vertellen. Mijn vader is dood. Het is mijn schuld. Ik heb een leven gekregen en met het zijne betaald.” Maar nee: de overdaad aan geleverde bloemen wekte vragen. Tue krijgt zijn droom: hij is schrijver, hij wordt gevierd en hij heeft een huis.
Deze trilogie over het loskomen én meedragen van een lastige jeugd in een homofoob lager sociaal milieu, gepaard met de belofte dat dit alles uiteindelijk zal dienen als schrijfmateriaal, doet sterk denken aan het oeuvre van Édouard Louis. Maar waar Louis zijn verhaal met een intellectuele, analytische blik duidt en in zinderende taal vat, neemt Korsgaard de lezer mee in een in zichzelf gekeerd personage dat alles in klare taal ondergaat, zonder tussenkomst van reflectie of beeldspraak. Ook zien we bij Tue nauwelijks de geleverde strijd voor het schrijverschap, zoals Louis die – in het nastreven van hoogwaardig onderwijs, het zoeken naar mentoren en literaire voorbeelden en het uiteindelijke ploeteren – wél duidelijk voert.
Tue’s wereld blijft sober: het alledaagse leven waarin het draait om overleven (eten, werken, slapen) herhaalt zich voortdurend en hij blijft weg van elke emotie. Het is een herhaling die bijzonder genoeg nergens saai wordt: de verhaalwereld wordt op deze consequente wijze bestendigd en blijft interessant. Korsgaards kracht schuilt erin dat hij je als lezer meeneemt in een wereld die vanzelfsprekend lijkt (de laconiek klinkende titels zijn een voorbode), terwijl die eigenlijk abnormaal en extreem is. Elke jongere die denkt dat literatuur per se moeilijk is, zou deze trilogie in handen moeten krijgen. Het is onderkoeld proza, verraderlijk soepel, waarbij je na het lezen achterblijft met het gevoel dat de leeservaring aanzienlijk indringender is dan hij aanvankelijk werd voorgesteld.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC