Home

Arundhati Roy schreef een boek over haar moeder: ‘Ze was een geslepen gangster’

Interview De Indiase schrijfster en activiste Arundhati Roy schreef een rauw en intiem boek over de boosheid van haar moeder en hun ingewikkelde relatie. „Wanneer iemand mij prijst, heb ik het gevoel dat iemand in de andere kamer wordt geslagen.”

Arundhati Roy: ,,Door op te groeien met het geweld en de gekte van mijn moeder moest ik veel toelaten, ik ben er tolerant door geworden."

Het zal je maar gebeuren, een moeder die je op driejarige leeftijd uit de auto zet op een eenzame landweg. Die, als ze kwaad is, je de meest vreselijke dingen naar je hoofd slingert. „Had ik je maar in een weeshuis gestopt”, „Je bent een molensteen om mijn nek”, „Jij bent de oorzaak van al mijn kwalen”, en niet te vergeten: „Teef.” Een moeder die, zodra je oud genoeg bent om het te horen, vertelt dat ze heeft geprobeerd je te aborteren door een overdosis onrijpe papaya’s te eten. Maar ook een moeder die, als ze op het punt staat te sterven, een berichtje stuurt met de boodschap: Ik heb van niemand ter wereld zoveel gehouden als van jou.  

Arundhati Roy: Mother Mary Comes to Me. Vert. Inger Limburg en Lucie van Rooijen. Wereldbibliotheek, 351 blz. €24,99

Het is ook een boek, vertelt ze tijdens een interview in een Amsterdams hotel, dat ze na de publicatie van haar tweede roman Het Ministerie van Opperst Geluk (2017) en haar vele politieke essays over India, bijzonder moeilijk vond om te schrijven. „Kort nadat mijn moeder was overleden vroeg mijn Londense uitgever of ik niet over haar wilde schrijven. Ik twijfelde, zo’n egodocument past niet bij mij. Tegelijkertijd bleek ik niet echt in staat iets anders te schrijven. Dit was het boek dat ik al mijn hele leven in me droeg.”

Ze noemt haar moeder ‘haar toevluchtsoord en haar storm’ en zegt dat ze de woede van ‘mevrouw Roy’ – zoals zij en haar oudere broer Lalith hun moeder op school moesten noemen – inmiddels beter kan plaatsen. „Haar leven is niet eenvoudig geweest, ze was een uitzonderlijke vrouw die zich losmaakte uit een uitzonderlijke situatie.” 

Geboren als Syrisch-christelijke vrouw in Kerala ontsnapte Mary Roy op jonge leeftijd aan een gezin met een gewelddadige vader door te trouwen met de eerste de beste man die haar ten huwelijk vroeg. Rajeeb Roy, een Bengaals-christelijke theeplantagemanager bijgenaamd ‘Mickey’, raakte al snel aan de drank en Mary vertrok met haar twee jonge kinderen naar de woning van haar vader in de zuidelijke deelstaat Tamil Nadu. Een plek die ze opnieuw moest verlaten nadat ze door haar eigen broer en moeder uit huis werd gezet, omdat volgens de christelijke erfwet van het voormalige vorstendom Travancore dochters geen recht hebben op hun vaders eigendom. Met nauwelijks geld op zak vertrok Mary naar het kleine dorp Ayemenem (de plek uit De God van Kleine Dingen) en trotseerde alle verwachtingen door een eigen huis te laten bouwen en de iconische school Pallikoodam te stichten in het nabijgelegen Kottayam. „Daar heeft mijn moeder binnen een kleine, conservatieve Syrisch-christelijke gemeenschap generaties vrijzinnige, geëmancipeerde jongens en meisjes weten op te voeden”, zegt Roy. „Later begon ze tot aan het Hooggerechtshof ook een rechtszaak tegen haar eigen familie, die resulteerde in de nietigverklaring van de discriminerende erfrechtwet. Een uitzonderlijke prestatie in een land waar vrouwen vaak tweederangsburgers zijn.”

En toch was uw moeder, ondanks al deze overwinningen, boos. Heel boos, vooral op haar kinderen. Kunt u dat verklaren?

„Ik denk dat ze haar opgekropte woede op ons botvierde. Als gescheiden vrouw met twee kinderen werd ze met de nek aangekeken binnen haar gemeenschap. Ze had veel woede opgebouwd jegens mannen – haar vader, haar broer en mijn vader, die ze ‘de nietsnut’ noemde, waren ieder op hun manier gewelddadig geweest. Soms zag ik de woede in haar ogen. Daarin herkende ik mijn grootvader. Boosheid kun je natuurlijk ook erven, het is niet altijd duidelijk waar het vandaan komt.”

Ze was verbitterd, maar in sommige opzichten ook weer helemaal niet.

„Ze was onvoorspelbaar, je wist gewoon nooit wanneer ze zou ontploffen. Maar ze zorgde er wel voor dat ik kennismaakte met literatuur en politiek, met poëzie en geschiedenis. Dankzij haar las ik Shakespeare, Kipling en A. A. Milne. Ze las me voor uit Lolita, leerde me over onrecht, slavernij en imperialisme. Voor mij waren dat geschenken. Mijn broer interesseerde dat allemaal niet.”

U schrijft dat de kinderen op haar school een heel ander beeld van haar hadden.

„Ten opzichte van haar leerlingen was ze ruimdenkend en liefdevol. Toen de jongens een keer de meisjes aan het pesten waren met hun borsten, riep ze alle leerlingen bijeen, pakte haar eigen enorme Maidenform-bh, duwde die in de handen van de boosdoeners en zei: ‘Dit is een bh. Elke vrouw draagt er een. Jullie moeders en binnenkort ook jullie zussen.’ Dit soort radicale acties zorgde voor een verschuiving binnen de machtsverhoudingen. Onder haar hoede groeiden jongens op tot respectvolle mannen en bracht ze meisjes zelfvertrouwen bij.” 

De gewelddadige uitbarstingen waaraan uw moeder uw broer onderwierp waren anders van aard dan de razernij die u over zich heen kreeg. Hoe zat dat?

„Ze gaf hem gewoon de schuld van alles wat ze met mannen had meegemaakt. Toen hij een jaar of zeven was maakte ze hem al uit voor seksist. Als tiener noemde ze hem een keer ‘dom’ en ‘lelijk’. Hij was natuurlijk niet dom, maar hij was vaak stil en miste zijn vader. Ik heb meegemaakt dat ze mijn broer vanwege een middelmatig rapport ’s avonds uit bed haalde en begon te slaan. De volgende ochtend gaf ze mij een knuffel en zei: ‘O, wat heb je een prachtig rapport.’ Vanaf dat moment associeerde ik mijn persoonlijke prestaties met een onheilsgevoel. Wanneer iemand mij prijst, heb ik het gevoel dat iemand anders in de andere kamer wordt geslagen. Dit begon als een persoonlijke kwestie, maar heeft mij gevormd als schrijver: dit is waarover ik schrijf, dit is wat ik zeg.”

Wat bedoelt u?

„Ik kan met mijn woorden misschien indruk maken op de wereld, maar ben me er altijd van bewust dat de mensen waarover ik schrijf vaak slachtoffers zijn. Dat begon al met De God van Kleine Dingen. De marxistische regering in Kerala was destijds verbolgen over dit boek. Ik uitte kritiek op de communistische partij en liet zien hoe de ongelijkheid binnen het kastenstelsel niet werd rechtgetrokken door de nieuwe politieke idealen. Toen ik met dit boek de Booker Prize won, was iedereen trots dat een Indiase auteur een grote, internationale prijs kreeg. Maar tegelijkertijd probeerden ze mijn boek te depolitiseren en vooral te benadrukken dat het een mooi kinderboek was vol lyrische taal. Ondertussen moest ik voor de rechter verschijnen vanwege mijn kritiek op de discriminatie van sociale klassen en vanwege obsceniteiten.”

Toen u zestien was bent u alleen naar Delhi vertrokken om architectuur te studeren, vanaf uw achttiende brak u met uw moeder en kwam niet meer thuis. Hoe was dat?

„Ik moest aan mijn moeder ontsnappen om te kunnen overleven. Zeven jaar lang heb ik haar verbannen uit mijn leven. Dat waren zware jaren. Ik had geen cent, naast mijn studie had ik allerlei onderbetaalde baantjes. Pas toen ik begon met het schrijven van filmscenario’s en later als schrijver ben ik haar weer gaan opzoeken. Maar die breuk was noodzakelijk, ik moest kunnen overleven zonder haar en de vlag van onafhankelijkheid voor mezelf hijsen.”

CV Arundhati Roy

Arundhati Roy (Shillong Assam, 1961) won in 1997 met haar debuutroman De God van Kleine Dingen de Booker Prize. In 2017 stond haar tweede roman, Het Ministerie van Opperst Geluk, op de longlist van de Man Booker Prize. Beide boeken zijn in meer dan 40 talen vertaald.

Daarnaast is Roy activist, ze schreef vele politieke essays en ontving ze in 2023 de European Essay Prize voor haar hele oeuvre. In 2024 volgde de PEN Pinter Prize. Roy woont in Delhi.

Toch heeft u na die zeven jaar de banden weer aangehaald.

„Ja, ik besloot de wapens neer te leggen, ik wilde haar niet laten vallen. Ik had ook bewondering voor haar militante moed. Vanaf het moment dat ik weer met haar omging, heb ik geprobeerd om een veilige afstand van haar te houden. Dat kostte me veel emotionele energie. Het gevolg van die onveilige thuissituatie was ook dat ik als volwassene vaak mijn eigen leven heb opgeblazen. De plek waar ik me het veiligst voel, is voor mij ook de gevaarlijkste. Als ik me te veilig voel, sla ik op de vlucht.”

Dat gebeurde ook in de periode nadat u de Booker Prize won. U had destijds een liefdevolle relatie met de filmmaker Pradip Krishen, u was stiefmoeder van zijn twee dochters, toch ging uw weg.

„Er was een kloof tussen ons ontstaan. Na het winnen van die prijs had ik meer geld dan ik ooit had durven dromen. Ik had een mooi huis, was het object van nationale trots. Maar ik geneerde me ervoor, wie was ik als schrijver in dit gekke, gecompliceerde land met zoveel ongeletterden? De roem en zekerheid maakten me onvrij. Ik wilde al dat geld niet, ik gaf het ook deels weg en kreeg opnieuw het gevoel dat, terwijl ik complimenten ontving, in een andere kamer iemand een pak slaag kreeg.”

Dat gevoel, schrijft u, werd ook nog eens versterkt door de politieke situatie in uw land.

„In maart 1998 kwam er een coalitie aan de macht onder leiding van de BJP, de hindoe-nationalistische politieke partij. Dat was het begin van een ideologische coup. De regering wilde van India een hindoestaat maken. Kort daarna bracht de BJP drie kernbommen tot ontploffing, Pakistan volgde daarop met twee eigen proeven. Ze werden gepromoot als ‘een hindoe-bom’ en een ‘moslim-bom’. Tweehonderd miljoen moslims in India werden door dit machtsvertoon gegijzeld. Mijn razernij over dit alles botste met mijn privéleven.” 

Is dat de reden dat u daarna, zoals u zelf schrijft, ‘een opruiende schrijfster-verraadster’ werd? U schreef kritisch over de regering, verzette zich tegen de bouw van een grote dam in de Narmadavallei, sprak uw steun uit voor de onafhankelijkheid van Kasjmir.

„Ik wilde niet weer een ‘schattig kinderboek’ schrijven. Ik wilde het leven van een echte schrijver leiden, voor mij betekende dat dingen meemaken, opschrijven en ervan leren. De strijd met de dorpelingen uit de Narmadavallei om overstromingen te voorkomen, naar Kasjmir gaan om te zien hoe de moslimgemeenschap daar wordt onderdrukt, het heeft me telkens veranderd.”

U schrijft dat u door Kasjmir het diepst in uw hart werd geraakt vanwege de wreedheden en martelingen die een heel volk moeten doorstaan uit naam van de democratie.

„Ja, inmiddels heeft de regering-Modi de afgelopen tien jaar het hindoe-nationalisme genormaliseerd. Honderden 24-uurs nieuwskanalen worden gerund door bedrijven die deel uitmaken van dit hindoe-nationalistische project, ze verspreiden alleen maar haat en nepnieuws. De ideologie heeft al onze democratische instanties overgenomen. Zelfs met een wisseling van de regering zal dit niet meer veranderen. Het is als vergif dat in een rivier is gestort, hoe raak je dat nog kwijt?”

 Heeft het schrijven van dit laatste boek u ook veranderd?

„Door op te groeien met het geweld en de gekte van mijn moeder moest ik veel toelaten. Ik ben er tolerant door geworden, het heeft me strijdbaar gemaakt. Als je me vraagt wat mijn moeder me heeft nagelaten dan zou ik zeggen: een overactieve middelvinger.” 

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next