Slavernij Om begrijpelijke redenen was de westerse wereld de afgelopen jaren vooral bezig met haar eigen slavernijverleden. Daardoor bleef de slavernij in de islamitische wereld onderbelicht.
Een tekening van de Britse ontdekkingsreiziger George Francis Lyon van de slavenhandel in de Sahara.
‘Hey slaaf, haal koffie voor me!” Justin Marozzi wist niet wat hij hoorde. De Engelse journalist en historicus bevond zich in de bloedhete zomer van 2011 in Tripoli, de hoofdstad van Libië. Hij trok op met een groep rebellen die streed tegen het regime van dictator Moammar Khadaffi. Eén van de Arabische strijders had zojuist zijn enige zwarte kameraad aangesproken. „Ze lachten onder elkaar en vonden het duidelijk grappig om hem een slaaf te noemen. Het was even duidelijk dat hij dat niet vond.”
Later, toen Marozzi zich ervan had vergewist dat hij het goed had verstaan, vroeg hij aan de strijder waarom hij zijn vriend een slaaf had genoemd. Hij had het specifieke Arabische woord gebruikt, abd. De jongeman wuifde het weg. Het was maar een woord, vond hij, ze bedoelden er niets mee. Marozzi: „Het is maar een woord – het bekende excuus, de poging tot rechtvaardiging.”
Justin Marozzi: Abd. De geschiedenis van de slavernij en slavenhandel in de islamitische wereld. (Captives and Companions. A History of Slavery and the Slave Trade in the Islamic World) Vert. Brenda Mudde en Maarten van der Werf. Omniboek, 624 blz. € 39,99
Hij dacht terug aan zijn eerste boek South from Barbary (2001), waarvoor hij op een dromedaris de helse tocht door de Sahara had afgelegd die mensen vanuit de binnenlanden van Afrika eeuwenlang maakten naar de staten van Arabische slavenhouders aan de Middellandse Zee. Sindsdien was hij blijven publiceren over de geschiedenis van Afrika en Azië, maar in zijn achterhoofd knaagde het: ooit wilde hij een boek schrijven over de slavernij in dit deel van de wereld.
Het duurde na die dag in Tripoli nog even, maar nu ligt die studie er: Abd. De geschiedenis van de slavernij en slavenhandel in de islamitische wereld. Het is een indrukwekkend boek geworden, waarin Marozzi zijn kennis van theologie, Arabische poëzie en wetenschap, geschiedenis en journalistieke reportage vermengt tot een beklemmend overzicht van 1.300 jaar menselijk leed.
De westerse wereld is om begrijpelijke redenen de afgelopen tijd vooral bezig geweest met haar eigen slavernijverleden, maar daardoor is bij het grote publiek wellicht een misverstand ontstaan over de uniciteit van de westerse slavernij. Abd komt wat dat betreft op het juiste moment. Slavernij was een wereldomvattend fenomeen, en kende één belangrijke constante: anti-zwart racisme. Dat bestond in de Arabische wereld al honderden jaren voordat vanaf de zestiende eeuw de Europese trans-Atlantische slavenhandel op gang kwam.
Voor de duidelijkheid: Marozzi’s boek is geen whataboutism van 550 pagina’s waarmee het westerse slavernijverleden wordt gerelativeerd, in tegendeel, maar Abd biedt wel een onthullende blik op de geschiedenis van een relatief onbekend fenomeen – een geschiedenis die anno 2025 bovendien nog niet voorbij is. Niet alleen vanwege de racistische erfenis ervan, in Soedan vermoorden op dit moment Arabische nazaten van slavenhouders zwarte nazaten van slaven, maar ook omdat in islamitische landen nog altijd honderdduizenden mensen in ‘moderne’ slavernij leven.
Wie wil schrijven over de slavernij in deze wereld, kan niet om de koran heen. In dit boek dat bestaat uit openbaringen die Allah begin zevende eeuw aan de profeet Mohammed zou hebben gedaan, gaat het op verschillende plekken over slavernij. Het bestaan ervan wordt in de koran als volkomen natuurlijk en vanzelfsprekend beschouwd. Dat is niet vreemd, omdat de religie ontstond in een omgeving waarin slavernij alomtegenwoordig was. Opvallender is dat er óók geschreven staat dat een vrome moslim ernaar moet streven zijn slaven vrij te laten.
In latere wetgeving werd vastgelegd dat een moslim een andere moslim niet in slavernij mag voeren. Met dat gebod werd vanaf het begin van de islam de hand gelicht, net zoals dat veel slavenhouders wel uit de koran onthielden dat ze een ander mens als eigendom mochten bezitten, maar vervolgens verzuimden, aldus Marozzi „‘het steile pad’ – de grootste uitdaging voor een goede moslim, het vrijlaten van zijn slaven – te bewandelen”.
De stammen van het Arabisch schiereiland veroverden na de stichting van de islam in korte tijd grote stukken van het Midden-Oosten. Dat leverde de strijders van Mohammed enorme aantallen slaven op. Mohammed zelf had er zeventig, maar zijn opvolgers bezaten er veel meer. De derde kalief, Oethman (gest. 656), kon bogen op een leger van duizend slaafsoldaten, van wie hij er een keer tachtig op één dag vrijliet.
Een vrijgelaten slaaf kon in de islamitische maatschappij tot grote hoogte stijgen. Een bekend voorbeeld daarvan is Bilaal ibn Rabah, een Ethiopiër die een zwaar leven leidde als slaaf van een stamhoofd van de Quraish, een stam uit Mekka waarvan ook Mohammed lid was. Bilaal had zich bekeerd tot het geloof van de profeet, in tegenstelling tot zijn eigenaar, en werd op een dag gruwelijk gemarteld. Zijn gegil kwam Aboe Bakr, een van de eerste metgezellen van Mohammed, ter ore. Hij kocht de halfdode Bilaal en liet hem vrij.
In de jaren hierna groeide de Ethiopiër op het slagveld uit tot een van de trouwste metgezellen van de profeet. Die verleende de vrijgelatene een bijzondere eer door hem te benoemen tot de eerste muezzin, de omroeper die moslims vijf maal per dag noodt tot het gebed.
Een 18de-eeuws aquarel van een feest voor de Sultan in het Topkapi-paleis.
Ook slaafgemaakte vrouwen konden een belangrijke positie verwerven binnen de islamitische samenleving. Het ging dan om qiyan, vrouwen die dienden als entertainers of courtisanes (seksslaven) voor de elite, van wie de talentvolsten concubines van vorsten werden. Hierdoor waren vijfendertig van de zevenendertig Abbasiden-kaliefen (dit kalifaat bestond van 750 tot 1258) zonen van concubines. Achter de schermen hadden deze vrouwen aanzienlijke invloed.
Voor de meeste slaven in de islamitische wereld was de dagelijkse realiteit anders (zwaarder, grimmiger) dan die van de paleisvrouwen of Bilaal. Deze muezzin kreeg af en toe nare opmerkingen naar zijn hoofd vanwege zijn huidskleur, maar leed niet zo onder racisme als andere zanj, zoals de Arabieren zwarte Afrikanen veelal noemden. Marozzi besteedt een opmerkelijk hoofdstuk aan de krasse taal waarin islamitische dichters en denkers hun ideeën over zwarte mensen uiteenzetten.
De schrijver en geleerde Al-Djahiz (776-868) noteerde bijvoorbeeld: „De Zanj zijn de kraaien onder de mensheid, want zij zijn het minst van allemaal en het laagst in karakter en temperament.” Ibn Khaldun (1332-1406), de nestor van de Arabische wetenschap en een van de grootste filosofen van de middeleeuwen, schreef vijf eeuwen later, maar was nog niet tot andere inzichten gekomen. In zijn beroemde werk de Muqaddimah stelde hij: de Afrikaanse naties „onderwerpen zich als regel gemakkelijk aan slavernij omdat [zwarte mensen] weinig [wezenlijk] menselijks hebben en eigenschappen hebben die veel lijken op die van stompzinnige dieren.” Lelijke opmerkingen over het uiterlijk van zwarte mensen – hun platte neus, hun kroeshaar (gevolg van een langdurig verblijf in een te hete baarmoeder), hun ‘puntige’ tanden – kwamen ook bij tal van auteurs voor.
Theologische rechtvaardiging voor hun afkeer vonden geleerden in het verhaal van Cham, dat ook in het Oude Testament staat. Cham had zijn vader Noach naakt gezien, en die vervloekte hem en zou zijn nageslacht hebben gestraft met een zwarte huid. Een deel van de zwarte mensen internaliseerden het racisme dat ze ondergingen in de islamitische wereld, zo blijkt uit deze strofe van de dichter Suhaym (gest. 660): „Ik ben een slaaf, maar mijn edele ziel is vrij; Ik ben zwart van kleur, maar wit van aard.”
Niet alle slaven in de islamitische wereld waren zwart. De mammelukken, een kaste van slaafsoldaten die op een gegeven moment zelfs de macht wisten te grijpen in Egypte, werden veelal gehaald uit Centraal-Azië, terwijl kapers en piraten uit steden als Algiers, Tunis, Tripoli en Sale ongeveer anderhalf miljoen blanke christenen in slavernij voerden. Marozzi plaatst deze christenslavernij in de brede context van alle mensenhandel in het Middellandse Zeegebied. Tussen de zestiende en de negentiende eeuw werden er namelijk ook twee miljoen slaven uit het islamitische deel van het Middellandse Zeegebied naar Europa getransporteerd. Hij tekent bij deze cijfers aan dat ze met grote omzichtigheid moeten worden gebruikt. In tegenstelling tot de trans-Atlantische slavenhandel, is er van de slavenhandel binnen Afrika en rond de Middellandse Zee geen nauwkeurige boekhouding bijgehouden.
Hoewel er binnen de islamitische wereld sporadisch stemmen opgingen om de slavernij af te schaffen, kwam het daar pas van toen westerse landen hier gewapenderhand op aandrongen. De eerste schoten in deze strijd werden gelost door de Verenigde Staten, die er schoon genoeg van hadden dat hun schepen veroverd werden door de kapers van Barbarije, zoals westerlingen de noordwestkust van Afrika noemden. Met twee oorlogen die tussen 1801 en 1815 werden uitgevochten, maakten de Amerikanen een einde aan deze praktijk.
Het ontging abolitionisten niet dat in deze tijd in de VS zelf de slavernij nog welig tierde. Politicus Charles Sumner schreef daarover in 1847: „Inderdaad gebieden waarheid en gerechtigheid me te bekennen dat de christenslaven bij de barbaren in Afrika menselijker behandeld worden dan de Amerikaanse slaven bij de belijdende christenen in het beschaafde Amerika.”
De genadeklap aan de slavernij in de islamitische wereld werd uitgedeeld door het Verenigd Koninkrijk. Dat land verbood eerst de slavenhandel en daarna de slavernij en liet dat verbod handhaven door zijn marine en leger. Marozzi wijst er terecht op dat deze kruistocht hand in hand ging met Brits imperialisme: de strijd tegen de slavernij werd gecombineerd met het verwerven van de macht in grote delen van Afrika. Het islamitische verzet tegen de afschaffing van de slavernij kwam mede voort uit verzet tegen deze verovering, schrijft hij.
Er waren echter ook moslims die uit religieus principe voor slavernij bleven. Toen het Ottomaanse rijk, dat vanuit Istanbul grote delen van de moslimwereld bestuurde, aan het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw onder westerse druk de slavernij aan banden legde, leidde dat tot opstanden in onder meer Soedan en op het Arabisch schiereiland. De leiders van deze revoltes bestempelden de Turkse kaliefs tot ketters. Immers: in de koran stond dat het was toegestaan mensen te bezitten. (Een argument dat recent ook Islamitische Staat gebruikte om Jezidi-vrouwen als seksslaaf te houden.)
Toch werd in de loop van de twintigste eeuw overal in de islamitische wereld de slavernij officieel afgeschaft. Het is moeilijk vast te stellen hoeveel mensen er tussen dit moment en het ontstaan van de religie 1.300 jaar eerder tot slaaf zijn gemaakt. Er was zoals gezegd geen goede administratie. Schattingen van wetenschappers lopen uiteen van twaalf tot zeventien miljoen. Dat komt ongeveer overeen met het aantal mensen dat met de trans-Atlantische slavenhandel van Afrika naar de Amerika’s is vervoerd.
Marozzi eindigt zijn boek in het heden. De officiële afschaffing van de slavernij betekende namelijk niet dat dit fenomeen daadwerkelijk overal ophield te bestaan. Van alle landen in de Arabische regio komt moderne slavernij het meest voor in Saoedi-Arabië, volgens een rapport van Walk Free dat Marozzi citeert. Deze internationale mensenrechtenorganisatie raamt dat er in dat land in 2023 740.000 mensen in moderne slavernij leefden.
En hoewel slavernij in Mali en Mauritanië officieel niet is toegestaan, bestaat erfelijke slavernij er tot op de dag van vandaag. Marozzi reisde daarom in 2020 naar Mali, waar nog ongeveer een miljoen mensen in slavernij leven. Hij ontmoette er in een krot aan de rand van de hoofdstad Bamako de weggelopen slaaf Hamey. Die deed huilend zijn verhaal over hoe hij mishandeld was door zijn vrije dorpsgenoten nadat hij had aangegeven geen slaaf meer te willen zijn. „Ze pakten hun knuppels en zwepen en begonnen met te slaan. Het dorpshoofd was vastbesloten de slavernij in zijn gebied in stand te houden. ‘We hebben al honderden jaren slaven’, zei hij, ‘waarom zouden we daar nu mee ophouden?’”
Justin Marozzi heeft met Abd de diepe wortels van deze misstand op voorbeeldige wijze opgegraven. Hij zwaait in zijn boek lof toe aan een nieuwe generatie academici die in de islamitische wereld ageert tegen het wegmoffelen van dit deel van de geschiedenis, maar besluit zijn laatste hoofdstuk met de woorden van Habi, een ontsnapte slavin die hij vorig jaar in Mauritanië ontmoette. Ze leeft in armoede en heeft soms nauwelijks te eten, maar na haar vlucht proefde ze voor het eerst van het leven, zegt ze. „Daarvoor was ik een ding. Ik bestond niet als mens. Nu, God zij geprezen, ben ik vrij.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC