Home

Een verband tussen darmflora en autisme? Dat is er niet

Microbioom Het wetenschappelijke bewijs voor de relatie tussen darmmicroben en autisme rammelt aan alle kanten.

Digitaal beeld van het menselijke maag-darmstelsel.

Geen spaan laat de Ierse geneticus en hersenwetenschapper Kevin Mitchel heel van de jarenlang opgebouwde stapel wetenschappelijke studies naar autisme en het microbioom. Een compleet onderzoeksveld kan zo de prullenbak in.

Samen met een statisticus en een hoogleraar ontwikkelingspsychologie hield hij alle bepalende studies kritisch tegen het licht in het wetenschappelijke tijdschrift Neuron. De conclusie?

Er is absoluut géén wetenschappelijk bewijs dat bepaalde eigenschappen van het microbioom in de darmen autisme veroorzaken – wat de stroom aan berichten in de media, podcasts en zelfs een omstreden Netflix-documentaire ook beweren. De studies waarop deze aanname is gebaseerd zijn allemaal niet goed uitgevoerd, met veel te weinig deelnemers of muizen, geen gerichte onderzoeksvragen en controles en verkeerde statistiek.

Veel mensen met autisme hebben last van hun maag of darmen – obstipatie, diarree, winderigheid. En autisme is weliswaar grotendeels erfelijk bepaald, maar sommige wetenschappers vermoeden dat deze stoornis via een ‘darm-brein­connectie’ aangewakkerd kan worden. Via het microbioom.

De éne na de andere studie probeerde de afgelopen jaren daarvoor bewijs te vinden. Van allemaal maken Mitchel en zijn collega’s gehakt. Neem het onderzoek naar de samenstelling van de darmflora. In de poep van mensen met autisme ontwaren wetenschappers allerlei verschillen in de microbensamenstelling, vergeleken met mensen met een gebruikelijke ontwikkeling. Maar de variatie in de darmbewoners is zó reusachtig en de groepjes bestudeerde mensen zó klein (variërend van 7 tot 43 mensen) dat de kans op een fout-positief verband heel groot is. Om betrouwbare conclusies te kunnen trekken zijn vele duizenden proefpersonen nodig.

De muizenstudies rammelen al evenzeer. Labmuizen die poeptransplantaties krijgen van mensen met autisme vertonen dan soms ‘autistisch-achtig gedrag’. Ze graven bijvoorbeeld vaker in het zaagsel in hun kooi. Maar dat zegt niets over autisme bij mensen. Bovendien zijn de darmen en het natuurlijke microbioom van muizen heel anders dan die van mensen. Ook die leveren dus geen steun voor de hypothese.

En dan de studies met mensen. Het vaakst geciteerd is een studie met slechts 18 kinderen met autisme die allemaal wisten dat ze een poeptransplantatie kregen en die na twee maanden zelf vertelden dat het wat beter ging met de darmklachten. Er was geen vergelijking met neurotypische kinderen, en ook niet met een nep-behandeling.

Er is maar één studie die wél zo te werk ging, met 103 kinderen met autisme. De helft kreeg de poeptransplantatie, de andere helft niet, en niemand wist wat ze hadden gekregen. Het resultaat? Geen verschil.

Het hele onderzoekveld kan overboord, concluderen de drie. Zonde van de tijd en van het geld, dat kan beter gaan naar alle genetische vragen die nog open liggen.

Wetenschappers die desondanks tóch door willen gaan, drukken ze op het hart om gedegen studies op te zetten met voldoende grote groepen. En vooral om zich eerst eens af te vragen welk bewijs hen er wel van zou overtuigen dat deze onderzoekslijn nergens toe leidt.

Áls er al een relatie is tussen het microbioom en autisme is het eerder andersom, vermoedt Mitchell. Mensen met autisme hebben vaak ongebruikelijke voorkeuren voor bepaalde etenswaren. Zo’n afwijkend eetpatroon geeft vanzelf veranderingen in de darmbacteriën.

Iedere week bespreekt de redactie wetenschap hier ophef in de wetenschap.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next