Na de glorieuze F3-titel met Bas Leinders en het succesvolle debuut van Christijan Albers in 1998 maakte Van Amersfoort Racing zich op voor een stabiele toekomst in de Duitse Formule 3. Maar de autosport bleek grillig. Wat een voortzetting van het succes had moeten zijn, veranderde in een van de moeilijkste fases uit de geschiedenis van het team.
“Na 1998 zie je ook weer hoe die golfbeweging plaatsvindt”, vertelt Van Amersfoort in de fabriek in Zeewolde aan Motorsport.com. “We hadden hoge verwachtingen van 1999. Christijan wilde met ons door en wij wilden met hem door. En wij waren vrij naïef dat we dachten dat dat heel simpel zou gaan.” Het liep anders: Albers stapte over naar het team van Bertram Schäfer. “Die had ook wel gezien hoe goed Christijan was en deed hem een aanbod waar wij niet tegenop konden. Dus Christijan viel weg. En toen was het wel even zo van: hè, wat gebeurt hier nou?”
Rob Niessink, inmiddels uitgegroeid van monteur tot iemand die zich ook met de zakelijke kant bezighield, ging koortsachtig op zoek naar rijders. “We konden het seizoen beginnen met Thomas Mutsch en Etienne van der Linde. Mutsch was goed gefinancierd, maar Etienne maar half. En het liep gewoon niet lekker. We zaten wel in de kopgroep, maar winnen konden we absoluut niet. Volgens mij was het beste resultaat een derde plek.” Mutsch finishte dat jaar als derde in Zweibrücken en op de Nürburgring.
“En als succes uitblijft, krijg je op een gegeven moment spanningen in het team. Zeker als het geld ook niet op orde is”, weet Van Amersfoort inmiddels als geen ander. De relatie met de familie Van der Linde verslechterde. “Ze hadden veel hogere verwachtingen van Etienne dan hij kon waarmaken. Hij was het jaar ervoor kampioen geworden in de Formule Opel Euroseries, maar het niveau in de Formule 3 lag een stuk hoger. Dat wisten wij wel, maar er waren heel veel mensen die dachten dat een talent dat het goed had gedaan in de Formule Opel dat gelijk kon doortrekken in de Formule 3. Weinigen hadden door hoe moeilijk het was om in F3 de voorste man te zijn. En gek genoeg accepteerde de achterban dat meestal ook niet.”
De enige opleving dat seizoen kwam tijdens de Marlboro Masters, waar beide Van Amersfoort-coureurs door een gelukje op de eerste startrij stonden. “Mutsch stond op pole en Van der Linde tweede, doordat het tijdens de kwalificatie op zaterdag regende en wij de snelsten waren in de kwalificatie op vrijdag. In de race werden we tweede en derde, nadat Marc Hynes de leiding had gepakt bij de start. De voorste startrij en een podium in de Masters! Fantastisch, eigenlijk. Maar de familie Van der Linde nam daar geen genoegen mee en vertrok. En ze lieten de rekeningen onbetaald. Kortom: een vervelende periode.”
Het seizoen 1999 werd afgemaakt met ‘het nieuwe talent in Nederland’ Jacky van der Ende. “Maar onderaan de streep was 1999 dus niet zo’n heel geweldig jaar. Misschien kwam het ook een beetje omdat we toch wel vrij nieuw waren in de internationale racescene en te weinig hadden gedaan om rijders aan te trekken; we lieten het te veel op ons afkomen.” Ook was het team druk geweest met de verhuizing van de garage in Laren naar een nieuwe werkplaats in Eemnes. “We hadden onze ogen beter open moeten houden en meer in de telefoon moeten klimmen om rijders te strikken.”
Het team maakte een moeilijke periode door. In 2000 kwamen Jeroen Bleekemolen en Tom van Bavel aan boord, maar de verwachtingen waren opnieuw onrealistisch hoog. “Jeroen was in die tijd toch wel de opkomende Nederlandse ster. In 1998 was hij kampioen geworden in de Formule Ford Benelux. Alles wees erop dat Jeroen een groot talent was. Maar het kwam er niet uit in het eerste jaar.” Tegenwoordig wordt het eerste seizoen standaard als leerjaar gezien. “Maar dat was toen anders. We hebben nooit goed met de familie Bleekemolen kunnen afstemmen dat Jeroen eigenlijk minstens nog een jaar door moest gaan.”
“Jeroen en Tom waren best wel oké, maar achteraf gezien bleek dat ze op dat moment gewoon niet het niveau hadden van de destijds heersende mannen.” Ook waren er personele veranderingen in het team. Zo was topengineer John McGill tijdens de winter naar het BAR Formule 1-team vertrokken. En wat ook meespeelde: de concurrentie was flink toegenomen. De Duitse F3-grid explodeerde in 2000 naar meer dan dertig auto’s. “De competitie werd veel zwaarder. Leinders en Albers hadden het relatief makkelijk in 1998. Iedereen reed dat jaar ook nog met een Spiess Opel-motor. In 2000 waren er meerdere merken motoren en ook meerdere varianten van de Opel-motor. Het was technisch veel diverser geworden. Dat was ook een reden waarom het in 2000 niet zo lekker liep.”
De jaren na 2000 bleken nog zwaarder. De kosten liepen op doordat er bijna elk jaar een nieuwe auto moest worden gekocht en er geïnvesteerd moest worden in nieuwe apparatuur, waaronder een nieuw Bosch-datasysteem van 30.000 euro per auto. “Dat konden we gewoon niet ophoesten. Er was een escape: we konden met de oude systemen blijven werken. Het werd daarmee wel lastiger. Maar ja, het kon niet anders.”
Het team zat in een neerwaartse spiraal. “Ik kon ook gewoon geen rijders meer vinden met genoeg financiën”, aldus Van Amersfoort, die in 2001 een weinig succesvol jaar in de Duitse Formule 3 kende. “Maar 2002 was écht een rampjaar. Vooral ook omdat Rob omviel. Hij liep tegen een burn-out op door al die financiële beslommeringen. Daar stond Frits in z’n uppie.”
Een lichtpuntje was het KNAF Talent First-project, dat in 2001 was gelanceerd. De winnaar mocht op kosten van de KNAF en enkele sponsors voor Van Amersfoort Racing in de Formule Ford rijden. “En dat was wel succesvol”, aldus Van Amersfoort. “We gingen op twee fronten strijden: in de Duitse F3 en in de Formule Ford in Nederland.” Ho-Pin Tung was de eerste KNAF Talent First-rijder die bij Van Amersfoort Racing werd ondergebracht en naast hem kwam Jaap van Lagen te rijden. De Formule 3 verdween zo een beetje naar de achtergrond. “Want dat was niet succesvol. Maar het KNAF Talent First-programma liep goed, zeker ook omdat er wel enkele talenten waren.”
Het project leverde dan wel sportieve successen op, financieel bood het nauwelijks lucht. “Financieel gezien waren het de allerslechtste jaren”, blikt Van Amersfoort terug. “We zaten in een veel te dure werkplaats in Eemnes, er waren nauwelijks inkomsten en succes was er ook niet. Achteraf waren dat de zwarte jaren.”
Voor 2002 werd er nog wel een nieuwe Formule 3-auto bij gekocht, maar die ging na juridische ellende met een coureur al snel de hoek in. “Die heb ik toen uitgeleend aan Colin Kolles, nadat op het circuit van Hockenheim zijn transporter met daarin alle auto's in brand was gevlogen. Je helpt een collega in nood.”
Het tij keerde onverwachts met een telefoontje van Ron Boon, destijds de autosportmanager van Renault Nederland. “Hij hielp ons uit de shit. Hij bood ons aan om mee te doen aan de Nederlandse Formule Renault en stelde twee auto’s ter beschikking.” Van Amersfoort Racing had tijdens de eerste jaargang in 2003 Giedo van der Garde en Junior Strous als coureurs. Van Amersfoort: “Dat was ook een heel bijzonder seizoen. We scoorden weer – en dat geeft de burger moed.”
Nadat er in 2002 nog wel werd geracet in de Duitse Formule 3, liet Van Amersfoort Racing het seizoen 2003 volledig aan zich voorbijgaan. In 2004 keerde het team echter terug met Ho-Pin Tung. “We reden Duitse F3 met één auto en met twee wagens in de Formule Renault. Dus we krabbelden weer een beetje overeind, nadat we bijna in de touwen hingen.” In de jaren 2004–2006 klom Van Amersfoort Racing langzaam verder uit het dal, met coureurs als Renger van der Zande, Récardo Bruins Choi en Dominick Muermans.
De Formule Renault-tak werd geleid door Jeroen de Jong, waardoor Van Amersfoort zich kon richten op de Duitse F3. “Ik wilde me weer concentreren op de Formule 3, maar vond het zonde om het Formule Renault-project te laten lopen. Dus dat schoof ik naar Jeroen toe. En dat was eigenlijk een soort ommekeer”, stelt Van Amersfoort. “In de Duitse F3 begon het vervolgens weer te lopen. Récardo deed het op dat niveau best goed, terwijl het kampioenschap weer iets zwakker was geworden door de komst van de Formule 3 Euroseries, waar alle grote teams naartoe trokken. De Duitse F3 kwam daar een beetje in de schaduw van te staan. Maar in die schaduw deden wij het goed.” In 2007 werd Van Amersfoort Racing met Carlo van Dam zelfs weer kampioen in de Duitse Formule 3.
In 2007 gebeurde er ook iets anders van belang, dankzij een ontmoeting die terugging tot 1975. Van Amersfoort vertelt hoe zijn oude vriend Peter Utoft – een Deen die hij ruim dertig jaar eerder ontmoette toen hij als monteur van Huub Rothengatter was naar een Formule Ford-race op Ring Djursland – hem introduceerde bij Kris Nissen, toenmalig directeur van Volkswagen Motorsport.
“In 2007 liep ik op de Nürburgring Peter Utoft letterlijk tegen het lijf. En wat sschetste mijn verbazing: hij had een positie bij Volkswagen Motorsport gekregen.” Van Amersfoort was inmiddels tot het inzicht gekomen dat hij een fabrieksteam moest zien te worden, zoals Mücke Motorsport als fabrieksteam van Mercedes diende. “De motoren wogen enorm op het budget van een F3-team, dus ik dacht: als ik nou een fabrieksteam word, scheelt me dat financieel weer. Ik belde daarom Peter op met de vraag: Signature is fabrieksteam van Volkswagen in de F3 Euroseries, kan ik geen fabrieksteam van jullie worden in de Duitse F3? Volkswagen is immers ook Duits en de Duitse Formule 3 was een prima opstapklasse naar de F3 Euroseries. Peter legde het voor aan Kris en ineens werd ik uitgenodigd in Hannover. Daar kreeg ik te horen dat ik motoren tot mijn beschikking zou krijgen die mij niks gingen kosten. Het was weliswaar de eerste versie van de motor en die was lang niet zo goed als die ze in de F3 Euroseries hadden, maar we wonnen er dat jaar wel races mee.”
Het bleek al met al een gouden zet. Niet alleen waren de motoren gratis, Volkswagen Motorsport had een volledige technische afdeling die Van Amersfoort Racing kon ondersteunen. Het legde de basis voor een nieuwe succesperiode. En inmiddels beschikte het team ook weer over een getalenteerde engineer. “In 2004 leerde ik Wilmar Franssen kennen. Een moderne engineer, technisch heel goed en iemand die rijders echt kan coachen. Helaas werd Wilmar eind 2007 weggekaapt.” Wat volgde was een typisch Van Amersfoort-moment. “Ineens stopte er een oude eend voor de deur in Huizen. Rik Vernooij, die Lucht- en Ruimtevaarttechniek studeerde aan de TU Delft, stapte uit. Ik vroeg: ‘Zo, wat kom jij doen?’ En hij antwoordde: ‘Nou, ik kom solliciteren.’ Ik kon wel iemand gebruiken, dus ik zei: ‘Kom maar.’ Binnen een week werkte hij als engineer voor ons in de Formule Renault. Hij had daar zo'n goed gevoel voor dat ik begon te denken: dit gaat wel weer wat worden.”
In 2008 stapte Laurens Vanthoor in bij Van Amersfoort Racing voor zijn debuutseizoen in de Duitse Formule 3. “Laurens was zeventien, hij mocht nog niet eens autorijden. Hij reisde met de trein en bus vanuit Zolder naar Amersfoort en sliep op de bank bij Rik. Die twee hadden zo’n goede klik. We lieten Laurens testen met een Formule Renault en hij was verbazingwekkend snel. Gewoon echt dat je denkt van: kijk, dát is wat. En intussen waren we dus het fabrieksteam van Volkswagen geworden, dus ik had er wel weer vertrouwen in. Vervolgens hebben we Laurens meteen in de Formule 3 gestopt, zoals we dat jaren later ook met Max hebben gedaan.”
Van Volkswagen Motorsport kreeg Van Amersfoort Rahel Frey toegewezen. “Ik zei tegen Kris dat ik maar één auto had. ‘Nou, dan krijg je van mij nog een auto’, was zijn antwoord. Rahel moest nog wel geld meenemen, maar dat wordt een stuk makkelijker als de motor al betaald is.” Zodoende kwam de Zwitserse met een tweede auto van Van Amersfoort Racing aan de start. “Rahel is nog steeds de beste vrouwelijke autocoureur die ik ooit gehad heb. Ze was echt goed. Maar ja, ze kwam in de schaduw van Laurens te staan en daar begon ze op een gegeven moment last van te krijgen. Die relatie liep een beetje spaak en de laatste race heeft ze uiteindelijk niet meer meegedaan, al was dat ook omdat de rekening niet betaald werd.”
Vanthoor finishte zijn debuutseizoen als vierde in het kampioenschap. “Laurens ging zo goed in zijn eerste seizoen dat er natuurlijk een tweede seizoen moest komen. En inmiddels kregen we de beschikking over de vervolgmotor, die een stuk beter was dan de eerste.” 2009 werd een ‘droomjaar’: Vanthoor werd kampioen en zijn teamgenoot Stef Dusseldorp sloot het seizoen als vicekampioen af. “We eindigden één en twee. Dat is eigenlijk ongelooflijk. Als ik daar nu zo op terugkijk, vind ik dat echt geweldig. We hadden dat jaar ook veel plezier. We waren weer helemaal terug waar we wezen wilden.”
De zwarte jaren lagen achter het team. Van Amersfoort Racing floreerde. Maar het meest spraakmakende talent moet dan nog komen. Daarover later meer in het vierde en laatste deel uit deze serie.
Wat zou jij graag willen zien op Motorsport.com?
- Het Motorsport.com-team
Source: Motorsport