Haar atelier was voor Lucia een traumatische plek geworden nadat ze haar moeder levenloos had aangetroffen; na die dag durfde ze er lang niet meer te komen. Maar in datzelfde atelier begon ook het herstel.
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Lucia Torchia (45, theatermaker en -docent en kunstenaar): ‘Het was de eerste maandag na de kerstvakantie, 8 januari 2024. De kinderen gingen weer naar school en ik ging aan het werk, hier in mijn atelier. Omdat ik later op de dag voor mijn moeder naar de apotheek zou gaan en daarvoor haar paspoort nodig had, had ik haar ’s ochtends vroeg al een berichtje gestuurd. Ze reageerde niet, dus ik ging naar haar toe; ik had de sleutel. De gordijnen zaten nog dicht. Dat was gek, om half elf, en de hond was onrustig. Ik liep de slaapkamer in en zag meteen dat het niet goed was. Toen ik 112 belde heb ik gegild.
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
‘Ik ben opgegroeid in Argentinië en veertien jaar geleden voor de liefde naar Amsterdam verhuisd. Getrouwd, twee kinderen gekregen, werk gevonden in het theater en een jaar of drie geleden kon ik dit atelier krijgen in een complex met andere kunstenaars. Ik ben heel blij in Nederland, maar ik miste wel altijd mijn moeder, we hadden een hechte band. Mijn ouders zijn al lang geleden gescheiden en voor de kleinkinderen zou het ook fijn zijn, oma in de buurt, dus ik zei steeds: kom hierheen. Maar nee, ze had een rijk leven in Buenos Aires met veel vrienden en leuk werk. Ze was actrice en artistiek leider van een theater, ze wilde helemaal niet weg. Maar toen kwam door corona haar werk plat te liggen. En ze kreeg gezondheidsproblemen, een soort bloedziekte, het is nooit helemaal duidelijk geworden wat precies. Weer zei ik: we gaan een appartement voor je zoeken, kom toch naar Amsterdam.
‘In 2021 is ze hier komen wonen. Ze aardde meteen, was heel dapper en sociaal, ze leerde Nederlands en kon met al mijn vrienden kletsen. Iedereen mocht haar, ze was zo wijs en lief. Als ze de hond ging uitlaten, maakte ze met iedereen een praatje, en voor mijn zoon en dochter was het helemaal geweldig, oma zo dichtbij. Haar huis was het kinderhuis. Het lag er vol speelgoed en knutselspullen, ze tekenden en kookten samen met oma, ze deden niets liever dan bij haar logeren. Voor ons gezin was het een heel fijne tijd dat ze hier woonde. Het heeft veel te kort geduurd.
‘Hier in mijn atelier heb ik lang niet durven komen. De dag dat ik haar dood heb aangetroffen – ze is vermoedelijk aan een hartinfarct overleden, pas 67 jaar oud – is nog steeds traumatisch en was voor mij direct gekoppeld aan deze plek, omdat ik vanuit hier naar haar toe ging. De avond ervoor had ik haar nog een knuffel gegeven. Ik was bij haar om de hond terug te brengen die ik voor haar had uitgelaten, ze was niet helemaal fit. En ik nam de empanada’s mee die ze voor ons had gebakken voor het avondeten. Ik was gehaast, maar ben zo blij dat ik bij de voordeur nog even ben teruggelopen om haar die knuffel te geven. Ik zei ‘Ik hou van je’, zonder te weten dat het mijn laatste woorden aan haar zouden zijn. Later op de avond heb ik haar nog geappt dat de empanada’s zo lekker waren. ‘Fijn om te horen’ – dat was haar laatste berichtje aan mij.
‘De eerste tijd na haar dood was ik een zombie. Ik leefde aan de buitenkant, maar van binnen was ik verdoofd. Ik had net een nieuwe baan, als docent drama op een school in Rotterdam, en ik weet nog steeds niet hoe ik het heb gedaan dat eerste half jaar. Ik moet op de automatische piloot hebben lesgegeven. Dat gaat inmiddels beter, gelukkig, maar die eerste tijd was ik er eigenlijk niet bij. Mijn neiging was om in een holletje in bed te blijven liggen, al heb ik dat geen dag gedaan. Maar de pijn en het verdriet waren allesoverheersend. Ik kon niet eten, ben 15 kilo afgevallen in die tijd. Als iemand vroeg hoe het ging, kon ik niet ‘goed’ antwoorden. Dat wílde ik het hele eerste jaar ook niet, ik wilde niet dat het goed ging, mijn moeder was immers dood. Totaal onverwacht, zonder afscheid te kunnen nemen – het is zo onterecht.
‘In het ateliercomplex kende ik eigenlijk nog niemand goed toen ik na maanden de stap hierheen weer waagde. Maar kort daarvoor was ik op straat Femke tegengekomen, een kunstenaar die hier ook werkt, en zij had me onderzoekend aangekeken en doorgevraagd, aan haar had ik het hele verhaal verteld. En zij begreep me, want zij had net haar vader verloren. Toen bleek hier een atelier verderop ook Cornelie te werken aan een schilderij van haar zus, die niet lang daarvoor was overleden. Ook Barbara en Annemarie hadden een dierbare verloren: alle vijf hier in de loods, en alle vijf vonden we herkenning bij elkaar. Dat was zo’n prachtige connectie: de eerste keer dat we bij elkaar zaten hebben we eindeloos gepraat en allemaal gehuild. Toen kwam ook het idee om samen een expositie te organiseren, Rouw op je dak, hier in het gebouw. Kijk, hier hangt het eerste werk dat ik weer maakte na mijn moeders dood: er loopt een zwarte lijn dwars over het zelfportret. Dat is de verbindingsdraad tussen mij en mijn moeder die zo plotseling, met een schok, was doorgesneden. En hier: later werk, dat een stuk lichter is van kleur. Je ziet twee vrouwen, een jongere en een oudere, die elkaar omhelzen. Dat is die laatste knuffel waar ik zo blij om ben.
‘Het heeft me enorm getroost om samen met lotgenoten aan die expositie te werken en te kunnen praten over wat je doormaakt als je in de rouw bent. Vrienden zijn heel lief, maar ze voelen niet hetzelfde, en veel familie zit ver weg in Argentinië. Mijn man heeft me ook gesteund, natuurlijk, maar die had zo’n lieve band met mijn moeder, hij heeft ook zijn eigen verdriet. Door aan de schilderijen te werken, begon ik weer een beetje op te krabbelen. Lezen heeft ook erg geholpen. Boeken over rouw, zoals Het jaar van magisch denken van Joan Didion, dat over haar overleden man gaat, en The Ridiculous Idea of Never Seeing You Again van Rosa Montero. Leerzaam was ook Het rouwende brein; je hersenen moeten allemaal nieuwe verbindingen aanleggen. Bijna elke dag wil ik nog wel even mijn moeder bellen om haar iets te vertellen. Om me meteen daarna te realiseren: o nee, dat kan niet meer.
‘Soms zoek ik het verdriet actief op, om het ruimte te geven. Dan fiets ik langs het huis waar ze woonde, of ik luister naar haar lievelingszanger, Joan Manuel Serrat, naar wiens liedje Lucia ze mij heeft genoemd. En dan huil ik. Als mensen me nu vragen hoe het gaat, zeg ik: het gaat. Niet goed, maar wel beter. Ik eet weer, ik kan weer lachen, ik kan weer genieten van dingen. Al zit achter die lach niet meer dezelfde persoon. Dat is niet alleen maar slecht; ik heb geleerd dat niets vanzelfsprekend is. En ik ben definitief geen kind meer, bij mijn moeder was ik altijd nog haar kind. Zij zou het goed vinden dat ik niet in mijn verdriet blijf hangen. Maar helemaal weg gaat het nooit. Ik zou het niet eens willen.’
Van Evelien van Veen verscheen onlangs de bundel Die ene die er niet meer is – verhalen over verlies en veerkracht, met ruim vijftig interviews uit deze rubriek. Uitgeverij Ambo Anthos, 272 pagina’s, € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant