Home

De Russen zijn er al, maar waar zijn wij?

Rusland wil graag zijn superioriteit tegenover het vijandige Westen bewijzen. Dat is niets nieuws. Maar hoe weerbaar is het Westen?

Hoe erg is het gesteld met de Russische inmenging in Europa? De vraag werd de afgelopen week getriggerd door de meldingen van drones boven België.

Nou, dat valt best mee, probeerde de Belgische minister van Defensie en Buitenlandse Handel Theo Francken op tv uit te leggen. We weten nog helemaal niet wie er achter zit. En: ‘paniek is een slechte raadgever’, vond hij. Waarna hij live uit de uitzending werd weggeroepen omdat hij het luchtruim boven Luik toch maar preventief moest sluiten vanwege angst voor verstoring. De Duitse minister van Defensie, Boris Pistorius, was al wat fermer: De Russen zaten erachter, om België onder druk te zetten de bevroren tegoeden (175 miljard) van de Russische centrale bank vrij te geven. Ministers uit landen dichter bij Rusland (hoorde ik van een collega) waren nog duidelijker: zij hadden die drones meteen uit de lucht geknald en begrepen niets van de aarzelende Belgen.

Kortom: het politieke antwoord op de vraag naar de ernst van de Russische inmenging is blijkbaar variabel. Het kan afhangen van de geografische afstand tot Moskou (hoe dichter bij, hoe steviger het antwoord). Of misschien hangt het ook wel af van de politieke kleur (Francken is N-VA): hoe rechts-nationalistischer, hoe hoger de kans dat de dreigingsinschatting weer wat wordt afgezwakt?

Maar nu de wetenschappers. Hoe zit het met het wetenschappelijke antwoord op deze vraag? Dat antwoord is zo mogelijk nog variabeler en complexer: het hangt helemaal af van de definitie van de onderzoeker in kwestie. En van het tijdstip van de publicatie. Volgens het ene team van onderzoekers gaat het om ‘malign foreign interference’ in open democratische processen. Dus als Amerikanen hier een datacenter bouwen, is dat niet een bedreiging. Maar als de Russen de verkiezingen beïnvloeden wel (Kahler 2024).

Volgens het andere team gaat het dan weer niet om hybride en cyber warfare, want dat is al een escalatie richting oorlog (Wigell 2021). Conolly (2022) vindt dat het juist wél om alle vormen van covert action gaat – dus ook militair of cyber – maar niet wanneer het openlijk is (want dan is het een directe oorlogsverklaring of openlijke sabotage). Bergaust en Sellevåg vonden dat die conceptuele verwarring in 2024 te gortig werd en kwamen met een ‘general morphological analysis’ van het fenomeen ‘hybride interventie’. Ze ontwierpen een hele checklist van aspecten waaraan zo’n poging tot inmenging moet voldoen. Maar de realiteit van 2025 haalde hen alweer in: de Belgische drones zijn een nieuwe categorie incident, zó openlijk provocerend en militair (drones in formatie, boven vliegvelden en kerncentrales) dat ze in geen van die nette en voorzichtige definities passen.

Kortom: veel (sociale) wetenschappers worstelen ermee. En terwijl zij de dynamische realiteit van de Russische inmenging met veel moeite in hun epistemologische keurslijf proberen in te passen, heeft Moskou waarschijnlijk alweer iets nieuws verzonnen.

Maar er is een geluk bij een ongeluk: deze worsteling is niet nieuw. De Russen zijn er allang. Russische inmenging is van alle tijden. Daarmee wil ik het niet bagatelliseren, maar van een context voorzien, die ons meer grip op het fenomeen oplevert. Een eerste zoektocht in de Handelingen van de Tweede Kamer en de krantendatabank Delpher met behulp van digital humanities tools (dank, Ruben Ros), laat zien dat er al sinds de 19de eeuw gesproken en gediscussieerd wordt over buitenlandse inmenging. Soms Duitse of Britse, na 1945 meer Amerikaanse, maar rond 1880, 1920-5, en zeker in de jaren zestig, zeventig en met een grote piek begin jaren tachtig vooral Russische.

En dat klopt natuurlijk. De Russische geheime dienst, de Ochrana, ontwikkelde al allerlei technieken om socialistische bewegingen, joden en liberale vijanden in Europa in diskrediet te brengen (de Protocollen van de Wijzen van Sion was een Russische fake news-operatie). Daarna namen de communisten van de Tsjeka dit soort aktivnye meropriyatiya in de jaren twintig over. Met de pogingen tot ‘heimelijke beïnvloeding’ van de vredesbeweging rond 1977-1983 als hoogte- of dieptepunt in de Koude Oorlog.

Sinds die periode wordt ook de discussie over het effect en de impact van die pogingen volop gevoerd. En wat blijkt? Het gaat niet zozeer om de precieze vorm van de Russische inmengings- en sabotagepogingen. Die vorm is meegeëvolueerd met de technologie en fluctueert met de manier waarop Rusland denkt z’n superioriteit jegens een vijandig Westen te moeten bewijzen. Hoogleraar terrorisme Bart Schuurman liet al zien dat het aantal openlijke, ook zeer ‘roekeloze’ en gewelddadige sabotageacties de laatste jaren sterk is toegenomen. Wat in die historische discussies evenwel vooral opvalt, is dat het effect en de impact van de operaties niet per se van de Russische intenties en vorm afhangen. Veel belangrijker lijkt de weerstand te zijn die de Europese landen en samenlevingen zelf bieden tegen de pogingen tot ondermijning.

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw konden de Russen ondermijnen tot ze een ons wogen, en ja, ze wisten ook wel echt wat informanten te rekruteren. Maar de vredesbeweging was in z’n totaliteit niet de vriend van Moskou. Sterker nog, IKV-leiders zoals Mient-Jan Faber probeerden juist dissidenten te helpen; en bleken eerder een risico dan een asset voor Moskou te zijn.

Dat is nu wel anders. Hoogleraar politicologie Sarah de Lange en collega’s waarschuwen al jaren tegen de ultranationalistische en rechts-radicale organisaties en partijen die – mede door Rusland ondersteund – zelf bewust bijdragen aan de verzwakking van de democratische instituties in hun landen. En Russische sabotage blijven downplayen.

Zo bezien is de vraag niet als eerste hoe erg de Russische inmenging is, en hoe we die moeten kwalificeren (hoewel die uiterst relevant is, en we er ook volop onderzoek naar aan het doen zijn). De vraag is veel meer: hoeveel aangrijpingspunten heeft die inmenging in onze eigen samenleving? En hoe veel verzet zijn we bereid te bieden om de dragende instituties van onze open samenleving te verdedigen? Bij alle investeringen in militaire paraatheid is het werken aan brede weerbaarheid tegen ondermijning van buiten en van binnenuit daarom het eigenlijke antwoord.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next