Home

‘Denken dat de opkomst van schone energiebronnen genoeg is om het klimaat te helpen, is naïef’

Jean-Baptiste Fressoz | Wetenschapshistoricus Aan de hand van historische voorbeelden laat de Franse historicus zien hoe de opkomst van een nieuwe energiebron de vraag naar de oude juist kan laten stijgen. „Binnen de elektriciteitssector is er wel een verschuiving naar duurzame energiebronnen. Maar wat gaan we met al die groene elektriciteit doen?”

Wetenschapshistoricus Jean-Baptiste Fressoz:

Er vindt geen energietransitie plaats van vervuilende naar schone bronnen. Nu niet, en in de geschiedenis is dat ook nooit gebeurd. Dat betoogt Jean-Baptiste Fressoz (48), Franse wetenschapshistoricus aan het Centre National de la Recherche Scientifique, in zijn nieuwste boek.

Met historische voorbeelden omschrijft hij hoe de opkomst van een nieuwe, klimaatvriendelijkere energiebron er juist toe leidde dat de vraag naar ‘oude’ energie toenam in plaats van afnam.  Het wordt duidelijk dat energiebronnen juist met elkaar verweven raken: als het verbruik van de ene bron groeit, groeit de vraag naar de oude bronnen daarom mee – een soort symbiose.

„Dat verklaart waarom de wereldwijde CO2-concentraties nog steeds toenemen, ondanks de decennialange opkomst van hernieuwbare bronnen”, zegt hij op een regenachtige middag in de Balie in Amsterdam. Later op de avond zit hij hier in een paneldiscussie, daarom is hij even in Nederland.

„Ik heb zeker geen kritiek op hernieuwbare energiebronnen”, die moeten er komen, benadrukt hij. „Maar wie klimaatopwarming wil tegengaan, moet de hele materialenketen aanpakken. Denken dat de opkomst van schone energiebronnen op zichzelf genoeg is om het klimaat te helpen, is naïef.”

Maar wie naar bijvoorbeeld de opkomst van steenkool kijkt, ziet iets anders. „Over de industriële revolutie wordt vaak gezegd dat er een overgang plaatsvond van hout naar steenkool. Maar voor het delven van steenkool waren enorme hoeveelheden hout nodig – voor de steunpilaren van mijnen. Een land als Groot-Brittannië gebruikte in de 20ste eeuw zelfs meer hout om steenkool te winnen dan het in de 18de eeuw verbrandde. En dan heb je ook nog hout nodig voor de verpakking en voor dwarsliggers op de treinsporen om de nieuwe stoomtreinen te vervoeren, enzovoort.”

En ook nu, zegt hij, leidt de olie-industrie niet tot een afname in de verbranding van vieze steenkolen. Olie is minder schadelijk voor het klimaat dan steenkool. „Maar om olie te transporteren via pijpleidingen, om het op te slaan in terminals, en om het te produceren, is ontzettend veel staal nodig. En staalproductie lukt vaak niet zonder steenkool.

More and More and More: An All-Consuming History of Energy, heet zijn nieuwste boek, dat gaat over die symbiose en geschiedenis van energiebronnen. Een Nederlandse vertaling volgt over enkele maanden. Deze en volgende week komen wereldleiders samen om te praten over klimaatoplossingen tijdens de dertigste VN-klimaattop, dit jaar in in de Braziliaanse Amazonestad Belém.

Om de klimaatdoelen te halen, netto nul uitstoot in 2050, hebben landen als doel afgesproken om fossiele brandstoffen uit te faseren. Dus nu is het een concreet doel dat de schone bronnen de vieze wel degelijk zo veel mogelijk worden vervangen, naast dat we CO2 moeten afvangen en opslaan. De geschiedenis hoeft zich toch niet te herhalen?

„Nee, dat klopt, maar de geschiedenis helpt ons wel om in te zien dat bijvoorbeeld een zonnepaneel helemaal niet zo revolutionair is. Om een zonnepaneel te produceren, verbranden we fossiele brandstoffen. Maar dat is hier niet het grootste probleem. Want voor elektriciteit opgewekt met zonnepanelen en windmolens is onder de streep veel minder CO2 uitgestoten dan voor elektriciteit met aardgas. Dus binnenin de elektriciteitssector is er wel degelijk een verschuiving naar duurzame energiebronnen. Maar vooral belangrijk is de vraag: wat gaan we met al die groene elektriciteit doen? En leidt dat niet  juist tot een toename in de verbranding van fossiele brandstoffen?

„Stel, we gebruiken die elektriciteit om het wagenpark te elektrificeren. Dan stoot je al veel CO2 uit bij de productie van die batterijen. Daarbovenop moet je de infrastructuur verzwaren voor al die zware accu-auto’s en -vrachtwagens. Dan zal de staal- en cementbehoefte toenemen. En de productie van die twee zijn moeilijk te vergroenen, zoals nu blijkt.” Over de toepassing van waterstof bij de productie van staal, zoals bij Tata in IJmuiden het plan is, zegt Fressoz dat „dit niet snel genoeg gaat”.

In uw boek schrijft u dat het voor het klimaat daarom niet genoeg is om alleen maar over de komst van nieuwe energiebronnen te praten. Wat is volgens u dan wel de juiste manier om over klimaatopwarming na te denken?

„Het idee is nu vaak dat de economie door kan groeien, omdat de energietransitie er wel voor zal zorgen dat de economie losgekoppeld wordt van de uitstoot van broeikasgassen. Daarom gaat de discussie nu steeds over zaken als wel of geen kernenergie? Of, waar is ruimte voor zonnepanelen? En hoe gaan we om met het feit dat zonne- en windenergie niet altijd aanwezig zijn. Dat leidt af van een andere politieke discussie die we ook moeten voeren. De discussie over waarom we zoveel energie gebruiken en of dat niet minder kan. Welke vervuilende activiteiten zijn echt nodig? En met welke kunnen we beter stoppen omdat het vooral luxe is?”

Bent u voorstander van degrowth (de stroming die pleit voor minder economische groei en een krimp van schadelijke sectoren)?

„Ik ben een historicus, geen politicus. Maar je kan er ieder label opplakken dat je wil: sufficiency, degrowth, herverdelen… Ik denk dat krimp inderdaad veel meer onderdeel zou moeten zijn van de politieke klimaatdiscussie. In de politiek ontbreekt vaak interesse en expertise in degrowth.

En ook in de klimaatwetenschap, schreef Fressoz eerder dit jaar in zijn wetenschappelijke publicatie in Energy Research & Social Science. Daarin schreef hij dat binnen universiteiten de focus ook veelal ligt op technologische oplossingen. Volgens hem komt dat doordat wetenschappelijk onderzoek deels gefinancierd wordt door de industrie. „Google Scholar [de wetenschappelijke zoekmachine van Google] vermeldt sinds het jaar 2000 ongeveer 748.000 publicaties waarin de termen ‘waterstof’ en ‘klimaatverandering’ voorkomen, vergeleken met slechts 17.800 voor ‘sufficiency‘ en ‘klimaatverandering’”, valt te lezen in zijn onderzoek.

„En waarschijnlijk is het erger dan dit”, zegt hij in de Balie, „want ik had een rekenfout gemaakt. Ik had per ongeluk ook de studies meegeteld die gaan over zelfredzaamheid (self sufficiency). Dat er een voorkeur is in de wetenschap voor technologische oplossingen, is geen schandaal. Je moet er wel rekening mee houden dat dit gebeurt.”

De werkgroep die zich bezighoudt met het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen, werkgroep drie van het wetenschappelijk klimaatpanel van de Verenigde Naties IPCC, houdt hier volgens u onvoldoende rekening mee. U spreekt in uw studie van technofilie.

„Ja, de opdracht van die werkgroep is het samenbrengen van de wetenschappelijke literatuur. Dus ook bij werkgroep drie worden onderwerpen als sufficiency mondjesmaat besproken en degrowth wordt vrijwel volledig achterwegen gelaten. Dat is een groot probleem, want het IPCC wil beleidsrelevant zijn en is wereldwijd invloedrijk.”

Degrowth als oplossing voor het klimaatprobleem is ook een moeilijkere boodschap om politiek te verkopen dan nieuwe technologie. Tegenstanders van degrowth roepen altijd: we kunnen geen gezonde economie hebben zonder groei. Wat zegt u tegen hen?

„Als je serieus bent over de klimaatdoelen voor 2050, moet je echt gaan kijken hoe we de economie kunnen herinrichten zonder te veel negatieve impact op de maatschappij. Sommige sectoren kunnen we prima laten krimpen, zonder onze maatschappij daar diep mee te raken. Internationaal toerisme, bijvoorbeeld. Ja, dat is belangrijk voor Amsterdam, maar Amsterdam kan vast ook inkomsten halen uit andere activiteiten. Dan heb je ook nog sectoren die veel broeikasgassen uitstoten, maar die wel cruciaal zijn om te houden. De landbouw bijvoorbeeld. Discussies over krimp moeten we kunnen voeren, zonder te worden weggezet als radicaal.”

Wie mag volgens u dan gaan bepalen welke sectoren moeten krimpen en welke niet? En op individueel niveau? In Nederland zijn er bijna 10 miljoen auto’s, binnen de klimaatdoelen is er geen ruimte voor alle landen om per hoofd van de bevolking zoveel auto’s te hebben. Wie mag zeggen: jij wel en jij niet?  

„Soms hoeft het allemaal niet zo ingewikkeld te zijn. Het hebben van een auto is geen mensenrecht of zo. En in veel landen leven mensen ook gewoon zonder auto. Het lijkt mij logisch om te beginnen bij het verkleinen van alle nieuwe auto’s. In steden als Parijs en Amsterdam hebben de meesten überhaupt geen auto’s nodig. En auto’s delen, dat kan ook nog. Ik heb zelf niet alle oplossingen, ik laat het aan economen om met adviezen te komen voor zulke herverdelingen. Maar uiteindelijk zal dit een democratische beslissing zijn.”

U zegt dat er geen energietransitie plaatsvindt, omdat we geen verschuiving zien van bron A naar bron B.  Maar andere experts zeggen dat de energietransitie ook niet zo’n verschuiving hoeft te zijn. Een verandering in de energiemix is ook al een energietransitie.  

„Ja, maar om de klimaatramp te stoppen, moeten we wel van A naar B. En we moeten stoppen met steenkool gebruiken, bijna geen olie of gas.”

Sommigen zeggen dat we tijdelijk juist meer fossiele energie nodig hebben om het klimaat te helpen. Door nu bijvoorbeeld veel datacenters te bouwen voor kunstmatige intelligentie, zodat we AI uiteindelijk kunnen gebruiken om het energieverbruik efficiënter in te richten. Wat denkt u daarvan?  

„Dat is zakenblabla.  Kunstmatige intelligentie kan ook gebruikt worden om beter te kunnen boren naar olie. In China gebruiken ze het al voor kolenextractie. Kunstmatige intelligentie kan alles versterken, zowel het goede als het kwade.  Het is een indrukwekkende innovatie, begrijp mij niet verkeerd,  mijn boek wordt hier straks waarschijnlijk ook mee vertaald naar het Nederlands. Maar nee, ik ben ervan overtuigd dat kunstmatige intelligente geen goed nieuws is voor het klimaat.”

In het verleden hebben we vaker milieuproblemen opgelost met technologie.

„Ja. Bijvoorbeeld het zureregenprobleem of het gat in de ozonlaag. Voor zure regen werkte het om zwavel in steenkool af te vangen. Om het gat in de ozonlaag te dichten, moesten we vrijwel volledig stoppen met het uitstoten van CFK’s [chloorfluorkoolwaterstoffen] en bestonden er al alternatieven voor die CFK’s.

„Maar klimaatverandering is van een andere omvang dan deze twee. Voor klimaat hebben we geen vervanging voor alle toepassingen van fossiele brandstoffen. We zullen niet in staat zijn om over een of twee decennia 1,7 gigaton staal te produceren met hernieuwbare energie, we kunnen nog niet alle vliegtuigen laten vliegen zonder fossiele brandstoffen, we kunnen geen plastic of cement produceren, we kunnen geen voedsel produceren op dezelfde schaal, enz.”

Met de technologische oplossingen zoals ze nu worden voorgesteld is het klimaatdoel van netto nul in 2050 niet haalbaar, betoogt u in uw boek. En dan?

„We zullen dat moeten accepteren, hernieuwbare energie stimuleren, stoppen met dromen over het koolstofvrij maken van alles, en uitzoeken hoeveel krimp haalbaar is. En helaas moet een deel van de klimaatdiscussie al gaan over hoe we de mensen die door klimaatverandering gewond raken of ontheemd raken, eerlijk kunnen compenseren.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Broncode

Doorzie de wereld van technologie elke week met NRC-redacteuren 

Source: NRC

Previous

Next