Home

Zolang ik niet begin, is alles nog mogelijk

Psychologie Uitstelgedrag: wanneer is het creatieve ‘incubatietijd’, en wanneer gewoon een excuus voor luiheid, vraagt Christiaan Weijts zich af. En: helpt het om in een livestream anderen wél aan het werk te zien?

Ik leerde het fenomeen kennen nadat ik mijn dochter (14) een quasi-vermanende blik had toegeworpen. Ze zou toch huiswerk gaan maken? Maar ze had haar laptop nog niet opengeklapt aan de eettafel of ze zat alweer YouTube-filmpjes te kijken.

„Nee hoor.” Met de achterkant van haar balpen wees ze naar het scherm. Een meisje achter een bureau, omringd door schermen als in een cockpit. Boeken, schriften, cappuccino. Demonstratief legde ze haar telefoon weg, en ging aan de slag. „Zij gaat studeren, en ik ook.”

Het bleek een ‘Study With Me-stream’ te betreffen. Een virtueel studiemaatje. Die bestaan in talloze varianten. In livestreams, in nagebootste koffietentjes, bibliotheken, in de natuur. Er zijn avatars als ‘Lofi Girl’, en complete community’s, die met z’n allen aanschuiven in een virtueel klaslokaal.

Mijn dochter maakt haar huiswerk graag bij Sab Yang, een vierdejaarsstudente medicijnen in Canada. Zij heeft al een flinke videotheek vol gestudeerd. In tientallen streams zien we haar urenlang zwijgend over boeken gebogen. In de pauzes spreekt ze haar honderdduizenden volgers bemoedigend toe.

Het leek mij een typische Gen-Z-vinding. Verslingerd als ze zijn aan TikTok-tutorials, unboxingvideo’s en gaming-livestreams zetten ze nu influencers in om juist van die afleidende filmpjes áf te komen. Eet jezelf slank. Multitask jezelf mindful. Luier jezelf productief.

Het idiote is dat het nog werkt ook. Chinese onderwijspsychologen ontdekten dat motivatie en zelfvertrouwen groeiden bij de kijkers van zulke opgenomen streams.

Tomatenklokje

Het fenomeen is van oorsprong Zuid-Koreaans, maar wereldwijd verspreid. Meestal combineren de makers hun uitzendingen met bewezen effectieve methodes. Concentratiebevorderende soundtracks, zoals mijn zoon (16) ze soms opzet, met regengeluid op de achtergrond. Vrijwel allemaal hanteren ze een variant op de pomodoro-methode: blokken van intensieve studieminuten, afgewisseld met korte pauzes. Ook bij mij is het tomatenklokje een vast icoon op het bureaublad, omdat het werkt (soms, een beetje) tegen een van mijn chronische zwaktes: uitstelgedrag.

Daar wil ik al veel langer over schrijven, maar ik kwam er niet toe, juist omdat ik zo’n speciale band met het onderwerp heb. Nog nooit heb ik ook maar één deadline gemist, en tegelijkertijd schreef ik nog nooit iets zonder dat ik het eerst ver voor me uit schoof, weglegde, er nog even een denkrondje voor wandelde langs het strand.

Omdat ik er niet aan kon beginnen, deed ik wat ik vaker doe: ik ging het voorbereiden. Mijn laptop staat vol mapjes met namen als ‘voorstudies’, ‘schetsen’, ‘research’, ‘scènes in voorbereiding’, en dus ook dat document genaamd ‘procrastinatie’, Latijn voor ‘doe ik morgen wel’.

Tijdens dat uitstellen ontdekte ik dat er in de wetenschap grofweg twee uitstelkampen bestaan. In het ene is de Canadese hoogleraar  organisatie- en gedragswetenschappen Piers Steel de grootste autoriteit. In zijn boek Procrastination (2011) verklaart hij hoe onze driften en instincten uit de pas zijn gaan lopen met onze samenleving waar langetermijnplanning voor nodig is. Ons brein sukkelt achter de feiten aan, en werkt nog steeds met een verouderd besturingssysteem van prikkels en directe beloningen (dorst, honger, pijn, genot).

Het Steel-kamp ziet uitstelgedrag als een menselijk defect, dat met allerlei trucjes is te verhelpen. Aftellen tot je ‘gewoon’ begint, bijvoorbeeld. Dopamine komt pas vrij tíjdens het werken, dus moet je eerst beginnen met de klus, om daar gemotiveerd voor te raken. Dat lijkt een beetje op zo’n schaar in een hardplastic verpakking die je alleen open krijgt met een schaar.

De andere stroming gelooft dat nietsdoen eigenlijk vruchtbare ‘incubatietijd’ is. Daar voelde ik onmiddellijk sympathie voor; in mijn knipselmapje kreeg dit kamp stilaan de overhand. Steel moest niets hebben van wat in 1926 al door de Britse psycholoog Graham Wallas  ‘incubatie’ was gedoopt: het onderbewustzijn komt tot creatieve oplossingen.

Stationaire motor

In Inspiratie (2022) van psycholoog Ap Dijksterhuis las ik over allerlei experimenten die die werking bevestigen. Leg proefpersonen een probleem voor, laat daarna één groep alleen maar bewegingloos voor zich uit staren, geef één groep een zware taak en één groep een lichte taak. Die laatste loste het oorspronkelijke probleem daarna het snelst op.

Kennelijk werkt het onbewuste het beste als je bewuste brein lichtjes bezig blijft, als een stationaire motor: strijken, tuinieren, aardappels schillen. Dat spreekt mij enorm aan, al heeft het ook iets verraderlijks. Onder het mom van ‘incubatie’ wordt de verleiding wel erg groot om lekker te gaan lummelen, lanterfanten en ‘inlezen’. Ik kon niet beginnen omdat ik nergens antwoord kreeg op mijn meest prangende vraag: wanneer is uitstel een vruchtbare incubatie en wanneer is het gewoon luiheid?

Een bevriend schrijver vertelde me: als ik geen zin heb in een bepaalde scène, is dat een teken dat ik het nog niet goed heb uitgedacht. Dat herkende ik. Mijmeren, strandwandelen, het laten rijpen. Wachten tot de omstandigheden juist zijn. Morgen ontwaakt de schrijver die wél staat te popelen.

 Ik kon niet beginnen omdat de planeten niet in één lijn stonden. De achterstallige facturenadministratie ineens extreem belangrijk was. Net als de onbeantwoorde mailtjes. De vaatwasser.

Om dat te doorbreken heb ik zojuist ook maar eens mijn toevlucht genomen tot die drilmeesters van Study With Me. Ik maakte een account aan op StudyStream en betrad ‘Focus Room 2’, waar 154 anderen waren, als miniatuurhoofden in Zoom-opstelling. Ik begreep onmiddellijk dat dit me niet ging helpen. Ze waren te fascinerend, al die studentenkamers en werkhokken van over heel de wereld. Al die gezichten die tegelijk ingespannen en lamlendig waren. Al die tics. Haren plukken. Balpen klikken. Hoofden masseren. Gapen. Chips eten. Yoghurt drinken.

Volgens de wetenschap werkt dit, maar niet bij mij. Ze brengen me vooral terug naar mijn lamlendigheid als student, toen ik ook al alles tot het laatste moment uitstelde.

Aha-erlebnisje

Waarmee zou ik mijn essay over uitstel moeten beginnen? Ja, met een lijst van klussen die ik steeds uitstel: het schuurtje vervangen, de keuken opnieuw inrichten, de keldermuren verven, de plinten van de opbouw… Nee, doe toch maar niet. Hier is duidelijk de Piers Steel-schop-onder-je-kont-methode de enig juiste. Hier is mijn beroep op incubatie een alibi voor luiheid.

Maar hoe zit dat met creatievere gevallen? Ik geloof dat mijn uitstelgedrag daar voortkomt uit de misvatting dat het eerst in mijn hoofd rond moet zijn. Ik kan niet beginnen voordat ik alles verzameld en geordend heb.

Hoe meer ik las over uitstel, hoe omvangrijker het onderwerp bleek. Daar iets aan toevoegen was onbegonnen werk. Ik kon niet beginnen want het minste dat de lezer van mij mocht verwachten was toch wel dat ik met een sluitende oplossing kwam voor de stikstof-, asiel-, klimaat- en wooncrisis, onze geïnstitutionaliseerde vormen van uitstelgedrag. Nederland is kampioen hete aardappels doorschuiven. Wachten tot alles is doorgerekend en de neuzen dezelfde kant op wijzen. We verslepen het van commissie naar commissie, zoals ik mijn mapjes versleep, zolang alle planeten nog niet op één lijn staan.

Intussen bestudeer ik de ingespannen apathie op de gezichten in Focus Room 2. Ook zij wachten collectief op iets. Een wonder. Een doorbraak.

Laatst had ik een aha-erlebnis in de slaapkamer van mijn schoonzus. Nou ja, een piepklein aha-erlebnisje, maar zeer verhelderend voor mijn onbegonnen essay. Zij had laminaat gelegd, waarna de schuivende kledingkastdeuren te  lang waren. Er moest een halve centimeter af. Zagen, dacht zij. Schaven, dacht ik, maar dat zou bij deze specifieke deuren niet kunnen of mogen. We ploeterden er een half uur op. Toen begon ik aan iets makkelijkers, een lamp ophangen. Halverwege het trapje wist ik het ineens. Het was alsof de oplossing míj vond. In het ophangsysteem van die schuifdeuren zaten stelschroeven, met dikke moeren van precies die benodigde halve centimeter: die konden er tussenuit.

In al zijn pietluttigheid gaf dit misschien ook het antwoord op mijn wezenlijkere vraag wanneer uitstel nog vruchtbare incubatie is en wanneer gewoon luiheid. De oplossing kwam uit het onbewuste, maar het was aan het werk gezet doordat we een half uur met die deuren hadden staan klooien. Ikea-eureka. Wie weet geeft dit ook voldoende zelfvertrouwen voor dat schuurtje, de keuken en de kelder. Want is dat wel luiheid? Als ik eerlijk ben is het eerder faalangst: ik weet hoe grandioos mijn twee linkerhanden zoiets kunnen verprutsen. 

Maar is dat anders bij dat creatieve proces? Faalangst wil ik het niet noemen. Eerder: trouw blijven aan de mogelijkheden. Zolang er nog geen zin op papier staat, is alles nog mogelijk. Kiezen betekent hoe dan ook een verlies. Wat je zo sprankelend voor ogen stond raakt onherroepelijk verminkt tijdens het overhevelen in concrete taal. Het verandert in iets onvolmaakts.

Kampvuur

Goed, toch faalangst dus. Al dat inlezen en ordenen, dat steunen op andermans onderzoeken, wat is dat anders dan een gebrek aan vertrouwen om iets te beweren op eigen gezag? Terwijl ik prima weet wat ik over dit onderwerp te zeggen heb.

Begin zo’n stuk gewoon op dat zoldertje in Frankrijk. Versleten banken, gitaren, toneelkostuums onder houten balken. ’s Zomers schrijf ik daar wel eens songteksten. Een klein groepje muzikanten voert ze uit, ’s avonds rond een kampvuur, waar een paar honderd luisteraars in vervoering gebracht moeten worden. De tijd om zo’n lied te schrijven is beperkt tot non-existent. Ergens tussen avondeten (18.00) en avondtheater (19.30, al even haastig door wat theaterdocenten in elkaar geïmproviseerd) moet het gebeuren.

Een van de zangeressen kwam het trappetje op, en zag mij zwoegen achter de computer. Bezorgd schoot ze in de lach. „Ach, jongen toch…” Inderdaad: zo zag het er kennelijk uit, handen in het haar, radeloos, koortsig rondtastend in een discipline die mij eigenlijk vreemd is. Rijmwoordenboeken, synoniemenlijsten, lettergrepen tellen.

Zo ziet het er nu uit voor mijn studievrienden in Focus Room 2. Misschien is zo’n platform een surrogaat voor de bandleden, en volgens de wetenschap werkt dat. ‘You received an encouragement!’ jubelt nu een pop-up-scherm. ‘Roza007’ heeft op het duimpjes-icoon geklikt. Geen idee waar ik dat aan dank, maar het is vast een teken dat ik eindelijk aan slag moet. 

Als ik zeeën van tijd hebt lukt het me niet om ook maar één klinkend couplet te schrijven, maar hier lukte het. Vaak. Soms. Er was domweg geen tijd om te wachten tot Mercurius op de juist plek stond. De enigen die op hun plek stonden waren de pianist, de gitarist en de twee zangeressen die dringend ‘een refreintje’ op muziek moesten zetten.

Wat op de juiste plek stond was dit: de aftelklok, de sociale stimulans, het publiek dat weliswaar een factor duizend kleiner was dan het aantal krantenlezers, maar wel gezichten had. Er was een onmiddellijke terugkoppeling: stemmende gitaren, het refrein kwam naast me al tot leven terwijl ik het eerste couplet naar de printer stuurde. Allemaal motiverende prikkels uit het Piers Steel-kamp. Allemaal pomodori’s van vlees en bloed.

Maar op de achtergrond was er ook die composthoop: het onderwerp werd ’s middags bepaald. Op de momenten dat mijn schrijfcursisten werkten, probeerde ik al wat regels. Die waren vrij waardeloos, maar dat hoorde bij het proces. Tijdens het afwassen werkte de songwriter van mijn onderbewuste ijverig door.

Dagdromen

Incubatie is alleen vruchtbaar als er gezaaid is, met echte pogingen, halfbakken mislukkingen die nasmeulen in je hoofd. De composthoop van het onbewuste is een wonder, maar geen magische oven. Je moet er eerst iets in gooien, dan afdekken, en je dan – cruciaal – lichtjes vervelen, dagdromen.

Ach, die miniatuurhoofden in Focus Room 2. Vermoeid, bezorgd. Ik zie ze ook in treinen en trams, murw aan hun schermpjes, verstopt onder koptelefoons. Op zulke momenten houd ik mijn hart vast voor de generatie die zich onafgebroken voedt met playlists en streams die hen beroven van hun creatieve dagdroommodus. Zelfs de offline-ervaring wordt online voor ze gesimuleerd.

Ik leerde mijn uitstelgedrag af in de universiteitsbibliotheek. Ik had geen laptop, geen internet. Ik kwam er vooral voor die koffiepauzes met vrienden. Maar in de stilte, bij het geblader, ging je toch maar aan de slag. En anders staarde je uit het raam.

Volgens dat Chinese onderzoek is het motiverende effect van streams sterker als je elkaar ziet zwoegen, in realtime. Waarom dan niet meteen elkaar opzoeken? Log uit, zoek een cluppie, vind een bandje: dat zou het slot zijn. Als ik er maar aan kon beginnen. Misschien morgen.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next