Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Frank van Dijk (60) zag hoe zijn politiehond werd overreden, en hoe die auto vervolgens met brullende motor op hemzelf afkwam.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Voor het eerst in bijna veertig jaar heb ik iemand neergeschoten. Op woensdag 12 juni 2024 reed ik ’s nachts op de A50 bij Nistelrode, toen de meldkamer me vroeg om naar een auto-inbreker op een parkeerplaats in Uden te gaan.
‘Ik parkeerde mijn dienstauto uit het zicht, haalde mijn hond Spike achter uit de auto en liep samen met hem die parkeerplaats op. Meteen zag ik een verdachte man en riep: ‘Halt! Politie! Blijf staan of ik stuur de hond!’
‘Ik schrok, want die man rende naar me toe, naar zijn auto, en stapte in om weg te rijden. Ik trok zijn portier open en waarschuwde nóg een keer, maar hij startte de motor. Daarop riep ik ‘Vast!’ Spike beet hem klemvast in zijn linkerbovenarm. Die vent reageerde niet – later bleek dat hij coke had gesnoven – en reed heel hard achteruit, met het portier nog open en Spike half in de auto. Omdat de hondenriem om mijn pols zat, trok hij me mee en viel ik op mijn zij op het wegdek, op mijn holster. Ik voelde een enorme pijnscheut.’
‘Ik keek achterom en zag hoe Spike, terwijl hij die man vasthield, op twee achterpoten probeerde mee te rennen. Hij kon dat niet bijhouden, liet los en kwam vervolgens onder het linkervoorwiel, dat hem overreed. Ik kon wel janken.
‘Ik stond op en rende naar die auto, die vervolgens in volle vaart, met brullende motor, vooruit op mij af kwam. Het was heel duidelijk: die man wilde me overrijden. Ik sprong opzij en trok mijn wapen. Toen hij met open deur vlak langs me reed, richtte ik op zijn benen. Dat ging allemaal veel sneller dan ik nu kan vertellen. Ik schreeuwde: ‘Geef je over!’, en schoot in zijn been.
‘Hij reed nog even door. Toen schokte de auto en sloeg de motor af, vermoedelijk omdat hij zijn been niet meer op het gaspedaal kon houden. Ik borg mijn wapen en ging hem arresteren. Godzijdank kwam Spike ook aanrennen, hij had het overleefd. We grepen die man en ik zei: ‘Je bent aangehouden. Uit de auto, nu!’
‘Ik legde hem plat op zijn buik. Hij bloedde uit zijn been en kermde van de pijn. Op datzelfde moment kwamen twee collega’s aanrennen, die hem boeiden.’
‘Ondertussen controleerde ik Spike. Die bloedde aan zijn poten, een achterpoot was ontveld. Zodra ik me realiseerde dat we allebei bijna waren doodgereden, kwamen bij mij de emoties los. Op de schouder van een collega liep ik helemaal leeg.
‘Op het bureau in Uden moest ik mijn wapen inleveren en werd ik onderzocht door een arts. Door die val waren mijn ribben, schouder, elleboog, knie en heup gekneusd. Collega’s gingen ondertussen met Spike naar een dierenarts. We zijn er beiden met antibiotica en pijnstillers fysiek redelijk goed van afgekomen.
‘Wel kreeg ik nachtmerries. Ik kampte met een terugkerende droom waarin Spike en ik werden overreden. Door gesprekken met een therapeut heeft die droom een andere uitkomst gekregen, en kan ik jou dit nu vertellen zonder emotioneel te worden. Dat was me drie maanden geleden nog niet gelukt.’
‘Maar wat ik vooral over deze melding wil meegeven, is dit: het onderzoek naar zo’n schietincident duurt véél te lang. Meteen de volgende dag had ik een gesprek met twee rechercheurs van de Rijksrecherche, die me heel veel vragen stelden. En daarna hoorde ik niks meer. Ik had zelf ook veel vragen, wilde graag de beelden van bewakingscamera’s zien, weten wat de verdachte had verklaard, horen welke kant het onderzoek op ging. Maar je krijgt steeds te horen: ‘Lopende het onderzoek mogen we niks zeggen.’ Ook mijn leidinggevende en zelfs de eenheidsleiding kregen niks te horen.
‘Dat is killing. Als je mij wilt raken, moet je me geen informatie geven over dingen waarbij ik betrokken ben. Daar kan ik heel slecht tegen. Dan voel ik me echt buitengesloten. Ik moet in een split second beslissen over leven en dood, en anderen mogen er bijna een jaar over doen om daarover een oordeel te vellen. Dat trek ik niet. Voor mijn gevoel liep ik rond met een gele kaart: je bent toch bang dat ze je handelen onterecht vonden, en twee keer geel is over en uit. Daar word je heel onzeker van.
‘Afgelopen juni kreeg ik te horen dat het schieten terecht was. Maar mijn emmertje is overgelopen. Ik zit niet op nog zo’n incident te wachten. Na bijna veertig jaar op straat stop ik met het blauwe werk. Ik probeer nu in het dagelijks bestuur van de ondernemingsraad te komen. En Spike gaat bijna met pensioen. Dus ik hang mijn pet aan de kapstok, en ga lekker met hem wandelen in het bos.’
Wil Thijssen: Dit vergeet ik nooit. Prometheus; 296 pagina’s; € 21,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant