Home

‘Ik ben te zuinig geweest. Ik had best een mooie keuken willen hebben en een reisje willen maken’

Martha Vermeulen-van der Horst is 100 jaar. Wat had zij in haar leven liever anders gedaan?

Martha Vermeulen piekert veel, vertelt ze aan het einde van het interview, maar op wie niet beter weet, komt de 100-jarige lichtvoetig en vrolijk over. Gezelschap leidt af en brengt haar in een andere stemming. De geboren Amsterdamse vertelt op een herfstige dag vijf uur lang aan één stuk door over haar belevenissen. En dan is ze nóg niet uitgepraat.

Hoe gaat het met u?

‘Goed! Nou ja, goed, ik heb overal pijn en hoor slecht, al sinds mijn geboorte, maar het werd erger na de bevalling van mijn zoon. Dat komt door het persen, zei de huisarts. Ik had een heel lieve man, Frans hielp mij altijd door in gezelschap te vertellen wat er werd gezegd – een-op-een; als iemand tegenover mij zit, langzaam praat en goed articuleert, kan ik het liplezend volgen. Mijn man is maar 72 jaar geworden. Een ander is er daarna niet meer gekomen. Als je doof bent, hoeven ze je niet.

‘Tien jaar geleden verhuisde ik naar dit zorgcentrum, om in de buurt van mijn zoon te wonen. Nu zal het niet lang meer duren, dacht ik. Maar ik ben er nog steeds. Ik had er eigenlijk helemaal geen zin in om in zo’n huis te gaan wonen, ik kan toch niemand verstaan, en mensen vinden het moeilijk rekening te houden met een dove. Ik paste mij aan en ging meedoen aan activiteiten, zoals gymnastiek. Ik merkte dat ik er sterker van werd en er beter door ging lopen.’

Hoe dealt u nu met uw doofheid?

‘De televisie is mijn alles. Als die het niet doet, moet mijn zoon onmiddellijk komen om het op te lossen. Meestal moet er een nieuwe batterij in de afstandsbediening.’

Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?

‘Mijn moeder. Ze was lief en erg bezorgd om haar kinderen, zoals ik later om mijn zoon. Ik heb er één, zij had er vijf. Mijn vader ging zijn gang – wandelen en fietsen door de stad, markten afstruinen en ergens De Tribune lezen (een communistische krant, red.). Mijn moeder moest altijd thuis blijven bij Dientje, mijn gehandicapte zus, die niet kon lopen en praten. Ze was altijd druk met haar en met het huishouden, en had daardoor eigenlijk geen eigen leven, heel zielig. Ik zag dat het niet klopte. Ik zou haar nog graag willen vragen hoe dat voor haar was, maar dat kan helaas niet meer.

‘Toen mijn moeder nog niet getrouwd was, speelde ze viool in een damesorkestje, waarmee ze rondreisde, tot in Italië. Ze was dus een vrij en avontuurlijk leven gewend. Elke maandagmiddag, als ik uit school kwam, had mijn moeder even tijd voor mij. Dan ging ze met me zitten, een broodje eten, daar genoot ik van. Dat zal ik nooit vergeten.

‘Mijn vader was maatschappelijk betrokken en zorgzaam. Hij was communist, had het vaak over armoede bestrijden en was niet bang uitgevallen. Onze bovenbuurman was vaak dronken en sloeg zijn vrouw. Als mijn vader haar hoorde schreeuwen, ging hij naar boven om in te grijpen. De buurman kwam een keer met een bijl op hem af, maar mijn vader sloeg die uit zijn handen, pakte hem beet en duwde hem de trap af, naar buiten.

‘Je moet goed voor je lijf zorgen, zei mijn vader altijd. Drinken en roken deed hij niet en als gymnastiekoefening trok hij zich op aan de deurpost. Hij maakte vaak rauwkost van aardappelen, tomaten en knoflook – want ‘knoflook is gezond’. Als ik verkouden was, wikkelde hij een natte band om mijn hals, met een droge doek eromheen, en daarna een sjaal. Dat hielp, want de volgende dag ging het een stuk beter. Hij hield erg van zijn kinderen. Toen Dientje op haar 24ste overleed, was hij zo van slag, dat hij vreemd ging doen in zijn hoofd. Hij dacht dat mijn moeder het hield met de schillenboer, maar dat was helemaal niet zo. Als de blaadjes weer aan de bomen kwamen, ging het beter met hem. Nu zou je misschien zeggen dat hij depressief was.’

Hoe waren jullie leefomstandigheden?

‘We waren arm en woonden toen ik klein was in een arme buurt, in die straat waar Peter R. de Vries is doodgeschoten, de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam. Er waren vaak vechtpartijen tussen dronken mannen, zeker als de mannen op vrijdag hun loonzakje hadden gekregen. Daarna doken ze de kroeg in. Zodra mijn vader een woning in een betere buurt vond, zijn we verhuisd.

‘Mijn vader moest al op zijn 16de bij de marine en heeft tien jaar gevaren. Na de dood van zijn moeder bracht zijn vader zijn kinderen elders onder, zijn jongste zusje moest naar een weeshuis, de oudste moest als dienstmeisje in een gezin werken. Tijdens mijn jeugd werkte hij aan de vaste wal bij de marine in Den Helder. Hij werd ontslagen, omdat hij niet goed had opgelet toen een collega wat had gestolen. Daarna werkte hij bij een grote zaak die vloerkleden verkocht.

‘Er was weinig geld, maar wel voldoende te eten. Sporten deed ik op straat – volleybal, hardlopen, voetbal. Geld voor een sportvereniging was er niet. Mijn schoolreisje konden mijn ouders ook niet betalen, dat deed mijn oudste zus, die werkte bij Draka, de Draad- en Kabelfabriek. Zij breide ook kleren voor mij en ging elke week met mij naar het badhuis, want een douche hadden we niet. Ik was een nakomertje en moest mij vaak in mijn eentje zien te vermaken. Ik speelde meestal op straat. Ook al was het arm, ik heb een fijne jeugd gehad.’

Heeft u het later wel beter gekregen?

‘Mijn man en ik hadden het ook niet zo breed. Hij was bontwerker met een eigen atelier. Frans was een vakman, geen zakenman. Toen bont in de jaren zeventig uit raakte, is hij failliet gegaan. Een zwarte bladzijde in ons leven. Om uit de schulden te komen, moesten we ons koophuis verkopen, dat we van zijn grootouders hadden geërfd. We gingen huren, een benedenwoning met een tuintje. Frans ging een tijdje zwartwerken en besloot in dienst te gaan bij een bontwerker, maar dat had hij nooit moeten doen, want die ging ook failliet. We zijn in die moeilijke tijd gelukkig niet uit elkaar gegaan. O, wat waren we de PvdA dankbaar dat ze voor de AOW had gezorgd, anders hadden we op onze oude dag geen inkomen gehad. Daarom ben ik altijd op die partij blijven stemmen.’

Was uw echtgenoot uw eerste liefde?

‘Voor hem had ik een ander vriendje, Frits. Tijdens de oorlog moest hij naar Duitsland voor dwangarbeid. Hij kwam met verlof en zei dat hij wilde onderduiken, om met mij te kunnen zijn. Zijn ouders vonden dat niet goed, waarop ik zei: ‘Doe maar wat je ouders zeggen.’ Dus ging Frits weer naar Duitsland en is nooit meer teruggekeerd. Waarschijnlijk is hij bij een bombardement omgekomen.’

Heeft u zich schuldig gevoeld?

‘Ik was 18 jaar, ik kon toch niet tegen zijn ouders ingaan? Misschien hadden ze geen onderduikadres voor hem.’

Aan welke periode in uw leven denkt u het vaakst terug?

‘Mijn jeugd en de oorlogsjaren. Ik was 15 toen de oorlog begon en zat op de modevakschool. We woonden op dat moment in de buurt van het Roelof Hartplein. Een overbuurman die met een Joodse vrouw was getrouwd, gaf haar aan bij de Duitsers. Hij verdween als een dief in de nacht, als hij was gebleven was hij zeker gelyncht door buurtgenoten.

‘Ik ging als naaister werken in het atelier van het modehuis in het Hirschgebouw, aan het Leidseplein. Daar ontmoette ik mijn latere man. Hij woonde met zijn ouders, die conciërge waren, in het gebouw. Na de oorlog zijn we getrouwd en ben ik bij hen ingetrokken. Het personeel van het modehuis en het atelier kwam steeds om koffie vragen. Zo kwam mijn schoonmoeder op het idee een kantine te beginnen, zij maakte de koffie, ik bracht het rond, met een witte schort voor.

‘Ik moet nog vertellen dat ik op 7 mei 1945 met mijn vriend naar de Dam ging. Er werd gevierd dat Nederland was bevrijd van de Duitsers. We stonden op het plein toen er ineens vanuit herensociëteit De Groote Club werd geschoten. Er zaten Duitse militairen die er de pest in hadden dat ze de oorlog verloren hadden. ‘Bukken!’, riep Frans. Ik dacht: ik ga niet op die vuile straat liggen en rende weg. Frans verstopte zich achter een kar. Later bleek dat er 32 mensen waren gedood.’

Denkt u weleens: dit had ik graag anders gedaan?

‘Als ik mijn leven mocht overdoen, was ik blijven werken. Mijn man moest na ons huwelijk alles alleen verdienen, zo ging dat in die tijd. Ik zou ook een ander beroep hebben gekozen dan naaister, want daar verdien je weinig mee. Kapper, dat was ik graag geworden.

‘Ik heb ook te veel gepiekerd, dat doe ik nog. En ik ben te zuinig geweest. Ik had best een mooie keuken willen hebben en een mooi reisje willen maken.’

Welk reisje had u graag willen maken?

‘Naar Londen. Nu kan het niet meer. Maar ik ben wel altijd tevreden geweest met mijn leven, hoor.’

Martha Vermeulen - van der Horst

geboren: 20 augustus 1925 in Amsterdam

woont: in een woonzorgcentrum in Monnickendam

familie: een zoon, een kleinkind en twee achterkleinkinderen

beroep: coupeuse

weduwe sinds 1998

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next