Angst Sinds de dood van zijn moeder, 24 jaar geleden, is zanger Danny Vera overal bang voor, zegt hij. Maar hij durfde wel een extra hypotheek op zijn huis te nemen om muziek te kunnen blijven maken. Deze week kwam zijn twaalfde album uit.
Op de voorkant van Danny Vera’s nieuwe album staan de bloemen van een magnolia, gefotografeerd tegen een helblauwe lucht. De boom staat in zijn achtertuin, ooit door zijn vader geplant voor zijn moeder. In zijn hit ‘Roller Coaster’, uit 2019, zingt hij: I will find my way back home / Where magnolia grows. Thuis, dat is het huis aan de Herengracht in Middelburg waarin hij opgroeide, bleef wonen na het overlijden van zijn ouders en nu nog woont met zijn vrouw en zijn vierjarige dochter.
En nu, op het deze week verschenen album The Way Home, melancholische americana, duiken boom en huis opnieuw op.
„Is dat zo? Ik kijk even of je gelijk hebt.”
Danny Vera (48) pakt zijn telefoon en scrollt hardop nadenkend langs zijn nieuwe liedjes. Er is er één over verlangen naar een zorgeloos verleden, en eentje over een koortsdroom. Een nummer waarin hij zingt dat hij genoeg heeft van zijn leven hier, hij wijst naar het dakraam waarop de regen klettert, en „van hoe we met elkaar omgaan in dit land”. Een liedje over de tijdelijkheid van het leven, een paar protestsongs. „Ja, je hebt gelijk. Maar als ik schrijf over verlies, of over dingen die voorbijgaan, zoals ik ook op dit album doe, dan zit het verlies van mijn ouders er altijd in.”
Het is zijn twaalfde album – ook dat moet hij even nazoeken op zijn telefoon. Maandelijks heeft hij op Spotify zo’n achthonderdduizend luisteraars, soms meer dan een miljoen. „En dat voor een vinylartiest met één hit. De meeste mensen die van Danny Vera houden, schenken ’s avonds een glas whiskey in, of een rummetje, en gaan dan een plaatje van me luisteren. Of ze zetten een cd op in de auto.”
Zijn moeder Vera Polfliet overleed in 2001, hij was 24. „Dat was mijn life-changing moment.” Vlak voordat ze stierf, besloot hij haar voornaam te gebruiken als zijn artiestennaam.
Danny Vera (Middelburg, 1977), geboren als Danny Polfliet, brak in 2019 door met het liedje ‘Roller Coaster’. Datzelfde jaar was het de hoogste nieuwe binnenkomer ooit op nummer vier in de Top 2000 van NPO Radio 2. Het jaar erna stond het op de eerste plaats.
Zijn eerste album, For the Light in Your Eyes, verscheen in 2002. Deze week is zijn nieuwste uitgekomen: The Way Home. Eind november geeft hij een show in Ahoy, in februari 2026 begint hij aan een theater- en aansluitend clubtour.
„Elvis was alles wat ik tof vond. Een man met een gitaar, leuke kleding en tof haar. Ik heb zitten janken toen ik erachter kwam dat mijn held allang dood was.”
„En ik lag in mijn puberteit toch al vaak wakker van de gedachte dat mijn ouders zouden doodgaan. Nadat ik had gelezen dat het Elvis zo vroeg was overkomen, dacht ik: dan zal het bij mij ook wel gebeuren.”
„Bizar, toch? Elvis had een tweelingbroer die bij de geboorte is overleden, ik ben enig kind, dus we zijn allebei opgegroeid met alleen onze ouders. Dan is je moeder je alles. En op je 24ste ben je net iets te jong, hè. Je hersenen zijn nog maar net volgroeid. Ik had niks, ik snapte niks en ik kon niks.”
„Ik zat in mijn eerste jaar op de Rockacademie toen mijn moeder me voor de kerstvakantie ophaalde van het station en in de auto vertelde dat er een knobbeltje was gevonden in haar borst. Het was het allerkleinste bobbeltje dat er was, zei ze, dus na een operatie zou alles weer goed zijn. Een jaar later, weer Kerst, kwam ze me opnieuw van de trein halen. Zei ze dat de kanker er weer zat. Nu met uitzaaiingen in haar lymfeklieren, haar lever en haar longen. In maart zat het ook in haar hoofd. En in augustus was ze dood.”
„Nee, nee, ik zat op de Rockacademie, dat noem ik geen studeren. Ik ging met mijn moeder mee naar ziekenhuisbezoeken, al dat soort shit, en toen zei een docent een keer: ‘Je hebt je huiswerk niet gemaakt.’ Ja, dan ben ik klaar. Vertrokken en nooit meer teruggekomen. Verder ben ik bijna alles vergeten van die periode. Terwijl ik alle namen van mijn klasgenoten op de basisschool nog wel weet. Zelfbescherming, denk ik. Ze is nu 24 jaar dood, precies even lang als ik haar gekend heb. Ik weet bijna niet meer wie zij is. Dat is anders bij mijn vader, die heb ik 39 jaar meegemaakt, hij kan hier in mijn gedachten zo binnenwandelen.”
Zijn vader maakte in 2016 een einde aan zijn leven. „Hij was depressief. Had er gewoon geen zin meer in. Als je heel veel drinkt en een donkere kant hebt, dan is dat natuurlijk geen goede combinatie.”
De relatie van zijn ouders was niet goed. In zijn puberteit leerde hij zichzelf aan om de stiltes in huis op te vullen. „Dat doe ik nu nog steeds, daarom praat ik zo veel.” Hij vroeg zich vaak af waarom het niet leuk was thuis, waarom het niet was zoals bij andere gezinnen. Hij had, zegt hij, liever gewild dat zijn ouders uit elkaar waren gegaan. „Ze sliepen ook apart. Ik denk dat ze voor mij bij elkaar zijn gebleven. Maar ik zou het zo zelf nooit willen. Ik wil in een warm, harmonieus gezin zijn.”
„Ja.”
„Nee, ik vind mijn vrouw en mijn kind gewoon belangrijk. En door het succes, als je het succes wilt noemen, wordt mijn cirkel kleiner. Vroeger kwam ik nog wel graag in de kroeg. Het rook er lekker, naar sigarettenrook en alcohol, en er heerste zo’n fijne jarennegentigchaos. Nu vind ik de kroeg de hel. Sinds er niet meer mag worden gerookt, ruikt het er naar poep. Iedereen is van tevoren uit eten geweest en staat daarna in die bar te ruften. En ik kan ook niet meer dronken in een kroeg staan omdat ik doe wat ik doe.”
„Stel dat Elvis, mijn held, hier in Middelburg zou wonen. En dat ik hem tegenkom in de kroeg, terwijl hij” – hij hangt zijn hoofd op zijn schouder en trekt zijn mond scheef – „bezopen op zijn jas staat te kwijlen. Nee, man. Dat wil ik helemaal niet zien.”
Sinds de dood van zijn moeder is hij overal bang voor, zegt hij. En het meest van alles is hij bang voor de dood. „Toen ik slechter begon te zien, dacht ik niet: ik heb een bril nodig. Nee, ik dacht: oogbalkanker.” In de auto is hij bang om te verongelukken. En van vliegen, wat hij vaak doet omdat hij een vakantiehuis heeft op Curaçao, houdt hij ook niet. „Vorige week kon ons vliegtuig niet meteen opstijgen omdat er een technisch mankement was. Alles in mij schreeuwde: ik wil eruit. De enige reden dat ik bleef zitten, was dat ik mijn kind niet bang wilde maken.” Hij rilt. „Iedereen gaat dood. Dus in principe hoef je er niet bang voor te zijn. Maar het is zo jammer als het nu gebeurt. Ik wil mijn kind zien opgroeien en ik moet nog een paar plaatjes maken. En ik wil nog genieten. Iedereen zegt dat ik er wel van moet genieten. Maar ik weet eigenlijk niet zo goed wat dat is. Op Curaçao zat ik met mijn voeten in het zand een heerlijke spicy margarita te drinken.”
„Tja. Mijn kind zat lekker te spelen in het zand, ik hoefde me geen zorgen te maken dat ze zich pijn zou doen als ze op d’r smoel zou vallen. Mijn vrouw had het ook naar d’r zin.”
„Ik heb geen geduld. Ik denk dat hij dat met onrust verwart.”
„Nee, dat is omdat ik steeds sms’jes krijg. Wat Reyer zegt, dat doe ik zodat ik me niet met dat gevoelige bezig hoef te houden. Ik kan in het moment zitten, in de focus, en daarna ben ik er, poef, weer uit.”
„Roller Coaster is een goed voorbeeld, dat zing ik altijd met mijn ogen dicht. Dat doe ik omdat ik de tekst dan het beste kan onthouden. Ik wil geen fouten maken, omdat er mensen in de zaal zitten voor wie dat nummer belangrijk is geworden nadat ze iemand verloren zijn in hun leven. Maar ik doe het ook omdat ik het met een bepaalde emotie wil zingen. Die scheidslijn is heel dun. Zing ik het híér” – hij houdt zijn hand onder een denkbeeldige scheidslijn – „dan denken mensen dat ik gevoelloos mijn liedje sta af te draaien. Maar gooi ik er te veel emotie in” – hij verplaatst zijn hand tot boven de denkbeeldige lijn – „dan sta ik zelf te janken. Het moet precies goed zijn, en daarvoor moet ik een bepaalde concentratie zien te pakken. Dus als ik met Reyer in de studio zit, wil ik na zo’n nummer even een filmpje zien waarin iemand op zijn bek valt. Om eruit te komen. Maar ik heb dat nooit gezien als onrust.”
„Dat zijn zenuwen. Die slaan bij mij altijd op mijn maag. Ik kan ook echt geen vieze grappen horen voordat ik het podium opga. Of langs een wc lopen waarin iemand net een zakje tuinaarde heeft leeggegooid. Ik verdraag op die momenten geen vieze geuren.”
„Ík ben niet zenuwachtig. Maar mijn lichaam wel. Misschien herinnert het zich de jaren waarin ik geen succes had. Zo ben ik ook altijd huilerig rondom 24 augustus, de dag waarop mijn moeder stierf, al voordat ik me bewust ben dat die datum eraan komt. Alsof mijn lichaam de herinnering aan die dag heeft opgeslagen, als een soort biologische klok.”
„Ja, zeker. Ik heb zo vaak gehad dat er een man op rij twee zit met zó’n hoofd”, hij trekt een diep verveeld gezicht. „Dan denk ik de hele tijd: als je hier niet wil zijn, rot op dan. Maar als ik naderhand bij de merchandise sta, is die man er als eerste en zegt-ie: ‘Ik sta nog steeds te trillen, dit was de mooiste avond van mijn leven.’ Bleek dat gewoon zijn emotiegezicht.”
„Hij vindt het niet leuk. En dat komt natuurlijk doordat ik dit vijftien, twintig jaar gedaan heb zonder dat mensen het leuk vonden. Ik weet nog dat ik het voorprogramma van De Dijk deed. Het licht ging uit, wij kwamen op en speelden een introotje, de mensen begonnen te juichen. Stond daar een clubje huisvrouwen dat zei: ‘Dat is godverredomme De Dijk niet.’ En iedereen draaide zich weer om. Dat is verschrikkelijk. Maar dat heb ik nu allemaal niet meer.”
„Nee. Mijn lichaam weet dat nog niet.”
„Ja. Ik vroeg me af of ik het verkeerd had gezien. Of ik misschien toch niet de muzikant was die ik dacht dat ik was. Ik denk dat jij ook wel heel je leven hebt gedacht dat dit is wat je zou gaan doen, toch? Dat heeft de bakker ook. En Max Verstappen ook. En soms ga je van het pad af omdat het niet lukt, of omdat je wordt afgeleid, maar uiteindelijk keer je er weer naar terug. Dat zit ook in het liedje The Way Home: The path you pursue is already there waiting on you. Zoals het nu is, zó had ik het me voorgesteld. Nou ja, misschien iets minder, het gaat nu wel heel goed.”
„Je hebt talent, doorzettingsvermogen en geluk nodig. Als je van alle drie een beetje hebt, in de juiste volgorde, dan kan het exploderen. Oh ja, dan gebeurt dat gewoon.”
Hij grinnikt. „Dat zou iedereen doen.”
„Tenzij je dus geen doorzettingsvermogen hebt. Ik heb veel sneue dingen gedaan. Het was een hele lange weg en ik kende niemand in Hilversum of in de entertainmentindustrie. Ik ben niet de zoon van een rijke vader of succesvolle kunstenaar met allemaal bekende vrienden, maar van een bloemenboer uit Middelburg die geen ene rooie rotcent had. Maar ik hou van de simpelheid van dat leven.”
„Nee, dat is waar. Ik weet niet of mensen zich verdiepen in de teksten en in de muziek die ik maak. Of ze zich realiseren dat ik alles alleen schrijf, en alles alleen produceer. Maar dat komt ook… Kijk, ik heb een snor, een flinke neus, een vetkuif, een pak en een grote gitaar met goud erop. Ik zie heus wel welk beeld mensen van me hebben. Ik kan me voorstellen dat mijn uiterlijk mijn carrière in de weg heeft gezeten. Als ik nou gewoon een leren jasje aan had gehad, en mijn haar een beetje…” Hij doet alsof hij wild door zijn haar wrijft.
„Nou, als je iemand zoals ik op televisie ziet, denk je: die is wel heel erg in zichzelf gaan geloven. Een soort rock ’n roll-zigeuner die de popster speelt. Dat las ik ook allemaal over mezelf in de media. En ik snap het ook. Maar in de jaren vijftig zou ik qua uiterlijk niet zijn opgevallen. Pas na Nirvana ging iedereen in z’n spijkerbroek en witte bloesje het podium op. In Nederland had je Van Dik Hout en Bløf, ja, dat zijn gewone jongens, weet je wel.”
„Nee, ik wil geen recensies. Ik vind recensies absurd.”
„Bij een negatieve recensie wil ik die journalist op z’n bek slaan, dan denk ik: wie ben jij om je mening te geven over mij en over mijn broodwinning? Maar ze hoeven van mij ook niet te zeggen dat dit het allerbeste concert was waar ze ooit geweest zijn. Ik hou niet van die rare uitersten. En ik hoef ook geen prijzen. Ik heb een Edison-nominatie geweigerd. Wat moet ik ermee? Dat klinkt heel arrogant, maar het is juist het tegenovergestelde. Iemand die bejaarden wast of een straatje legt of een dak dekt, die krijgt toch ook geen prijs? Júíst mensen die zich hele dagen uit de naad staan te werken voor tweeduizend euro in de maand zouden een prijs moeten krijgen. Geef die een reisje naar Curaçao met Corendon en een polsbandje.”
„Ik schrijf geen hits. ‘Roller Coaster’ is ook geen logische hit. Het duurt alleen al dertig seconden voordat ik begin te zingen. Op de radio zou iedereen dan al afgehaakt moeten zijn.”
„Nee. Ik begrijp niks van muziek. Echt niks. Ik begrijp de emotie van dit liedje wel, maar die zit ook in andere liedjes die ik geschreven heb.”
„Nee, nee, nee. Ik heb de afgelopen vijf jaar in de top vier gestaan. Dat is absurd. Ik sta daar tussen Queen en The Eagles en wat al niet. Goed, misschien zou ik heel even denken: jammer. Maar in alle eerlijkheid hoop ik dat Suzan & Freek lekker op één komen te staan met dat nieuwe liedje van ze.”
„Ik weet niet. Vind ik mooi. Ik gun het ze van harte.”
„Ja, misschien. Ze krijgen een kind, zitten op de top van hun carrière en dan gebeurt dit. Dus denk ik: nou, maak het dan godverdomme ook maar allemaal mee. Het heeft mij veel mooie dingen gebracht. Maar zoals ik al zei: muziek is geen wedstrijd. Ik ben gewoon dankbaar dat mensen steun en kracht halen uit ‘Roller Coaster’. Dan heeft het nog een beetje zin wat ik doe.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC