Vol jaloezie begint Mariken Heitman, die altijd een kinderlijke wens heeft gehad om voor een wild dier te zorgen, aan Chloe Daltons bestseller Haas in huis, over hoe die, inderdaad, een haas in huis haalt en opvoedt. De dilemma’s dienen zich in rap tempo aan.
Een oude jaloezie vlamde op, toen ik aan Een haas in huis begon. In dit boek beschrijft Chloe Dalton hoe zij de coronapandemie op het Britse platteland doorbrengt en zich ontfermt over een schijnbaar verweesd pasgeboren haasje, een zogenoemde pulsterling. Daartoe besluit ze niet licht, want als het diertje eenmaal ‘besmet’ is met menselijke geur, zal de moer (de moederhaas) het verstoten.
Dit zou je ook wel de kern van het drama van de natuurbescherming kunnen noemen: ingrijpen is verstoren.
Voordat ik daarop inga, eerst iets over die jaloezie. Dit schrijft Dalton als ze de pulsterling na enige gewetenswroeging meeneemt en op haar aanrecht zet: ‘Zijn mondopening was een roetkleurig streepje onder aan zijn ronde kop en met afhangende hoeken, alsof hij nu al enigszins teleurgesteld was in het leven. Zijn ebbenzwarte ogen hadden een vaag melkachtige, paarse weerschijn, zoals die van veel pasgeboren dieren. Zijn snorharen waren kort en stijf, zijn achterpoten maakten een scherpe hoek en waren bijna half zo lang als het dier zelf.’
Misschien is het dat roetkleurige streepje, of de impliciete opdracht voor zo’n weerloos diertje te moeten zorgen. Laat ik het zo zeggen: wie wil er nou niet zo’n haasje?
In gedachten ging ik terug in mijn leesgeschiedenis en stuitte op Dik Trom, want die had een kauw genaamd Gerrit. Ik weet niet meer hoe hij aan dat beestje kwam, hij was altijd in de weer met dieren. Daarom verslond ik die boeken, niet om het oubollige kattenkwaad. Ik was jaloers op Dik Trom, ik wilde ook wel zo’n pientere kauw.
Die kinderlijke wens om voor een wild dier te zorgen, wiens vertrouwen je stap voor stap wint, dat dankbaar de rest van zijn leven trouw is aan jou, is nooit helemaal verdwenen. Het is de wens feitelijk, om ingewijd te worden in de geheimen van het wilde dier, om zelf (weer) een wild dier te worden.
Tegelijkertijd hoor je dat niet te willen in de 21ste eeuw. Wilde dieren moet je niet temmen en het is zielig om ze op te sluiten. Chloe Dalton denkt er net zo over. Na een zeer kort en beroerd verblijf van de pulsterling in een kooi, besluit ze hem alle ruimte te geven.
Het dier, dat naamloos blijft in lijn met zijn voornoemde wildheid, leeft met haar in huis omdat het dat wil, niet omdat zíj dat wil. Dat is haar redenatie. Die wildheid, wat die ook behelst, moet boven alles gerespecteerd worden en daarom besluit ze hem bijvoorbeeld ook nooit te zullen aaien: ‘Het idee stond me tegen dat ik hem hield om mee te spelen, tegen zijn natuur in, alleen maar omdat hij te klein was om verzet te bieden. Ik probeerde voorzichtig en terughoudend te zijn, mezelf niet op te dringen of hem te laten schrikken.’
Met enorme toewijding lukt haar waar velen niet in slaagden: de pulsterling blijft in leven en groeit. Er ontwikkelt zich een relatie die fraai de gespletenheid van haar houding ten opzichte van de natuur toont: dit dier niet willen temmen, toch zijn aard onthullen. Hem niet willen opsluiten, toch opgetogen zijn als hij uit zichzelf terugkeert en jouw havermout eet.
Ik snapte dit wel. Zoals anderen misschien ontvankelijk zijn voor drugs, mode of een godsbesef, ben ik dat voor mysterieuze glimpen van de natuur. Zoiets onkenbaars als de leefwereld van de haas oefent een enorme aantrekkingskracht op me uit.
Het leek me dat Dalton zich toch een beetje uitverkoren moest voelen, maar daar kon ik haar niet op betrappen. Waar ze wel meeslepend over uitweidt, is zijn gedrag, uiterlijk en eetgewoonten, al die zaken die normaal gesproken verborgen blijven.
Zo houdt hij niet van aardbeien, maar wel van koriander en frambozen: ‘Omdat hazen hun voorpoten niet gebruiken wanneer ze eten, zoals een hond of een papegaai zijn voedsel vasthoudt, pakte hij het vingerhoedachtige kegeltje aan een kant met zijn bekje op en liet langzaam zijn kaken malen, waardoor de framboos stukje bij beetje naar binnen verdween terwijl die voor zijn neus op en neer danste. De langzame, methodische manier waarop de haas rood fruit at had iets ernstigs, bedachtzaams.’
Dalton bewijst keer op keer een nauwkeurig observator te zijn. Daar kon ik geen genoeg van krijgen. Ook omdat ik nog niet zo lang geleden, in het kader van mijn laatste roman De mierenkaravaan waarin ook een haas figureert, net als Dalton op zoek was geweest naar informatie over hazen.
Die vond ik mondjesmaat en dan vooral van het droge soort, over verspreiding en aantallen, terwijl ik nou juist geïnteresseerd was in het wezen van de haas.
Het verwonderde me dat er over dit dier, een cultuurvolger nota bene die hoort bij het Nederlandse landschap, zo weinig bekend is. Tegelijkertijd bevestigde het mij in de gedachte dat de haas zich niet door mensen laat kennen, dat ongrijpbaarheid zijn aard is. Daarom kon hij de belichaming van de mysterieuze aard der dingen zijn, van de zaken in het leven waar we geen zeggenschap over hebben.
Gerrit, de kauw van Dik Trom, woonde volgens mij ook niet in een kooi. Die kwam en ging uit zichzelf. Kwestie van inprenting vermoedelijk. Dit is een vorm van instinct bij jonge dieren dat ooit ontdekt en beschreven werd door de Oostenrijkse etholoog en Nobelprijswinnaar Konrad Lorenz. Door simpelweg het eerste bewegende wezen in het leven van de pasgeboren ganzenkuikens te zijn, volgden ze Lorenz overal.
Daar ging wel aan vooraf dat hij de ganzenouder isoleerde van de eieren.
Wat mij weer terugbrengt bij het oerdilemma van de natuurbescherming, of ingrijpen inderdaad altijd verstoren is. Op een gegeven moment begon ik me namelijk te ergeren aan de deemoedigheid van Dalton. Alles moet wijken voor de haas, die lijkt te houden van voorspelbaarheid en rust.
Daarom sluipt Dalton door het huis, verhuist ze naar een andere slaapkamer, blijft veel langer dan gepland in haar zelfgecreëerde quarantaine op het platteland en wordt haar oude bank, die ze al half had weggedaan, weer in huis gehaald omdat de haas geprikkeld reageert op de lege plek.
Daltons haas krijgt dus geen naam. De onlangs overleden primatoloog en milieuactivist Jane Goodall daarentegen, schreef geschiedenis door de chimpansees die ze observeerde juist wél van namen te voorzien. Goodall ontdekte bovendien dat de dieren gereedschap gebruikten. Tot dat moment was men ervan overtuigd dat dit een uniek menselijke eigenschap was.
In de decennia die volgden, hebben vele wetenschappers bijgedragen aan het dichten van de kloof tussen mens en dier. Keer op keer blijken de verschillen minder groot te zijn dan we denken. Daarom vroeg ik mij tijdens het lezen meermaals af of de relatie van een mens met een wild dier alleen geslaagd is als het mensdier zichzelf wegcijfert. Moet je, met andere woorden, je menselijke aard, minstens ten dele, ontkennen om de aard van een ander wezen te respecteren?
Misschien lag het simpeler. Daltons relatie met de haas was op ongelijke voet begonnen. Zonder wederzijdse instemming had ze hem uit zijn natuurlijk omgeving gehaald. Voor die ingreep deed ze nu boete. Was dat het?
Ergens op de helft van het boek blijkt dat dit intieme, huiselijke verhaal over een mens en een haas óók over iets groters wil gaan, namelijk over onze gedeelde buitenruimte. Waar Dalton en de haas binnenskamers vooral blijk geven van nieuwsgierigheid en respect, kan het contrast met buiten niet groter zijn. Daar hebben hazen te lijden onder de versnippering en vernieling van hun leefmilieu. Dankzij onze industriële landbouw, een efficiënt wegennetwerk en jagers, blijft er steeds minder ruimte over.
Buiten maalt niemand om de overduidelijke verstoring die menselijk ingrijpen met zich meebrengt. Buiten sluipt er niemand op kousenvoeten langs een slapende pulsterling om hem niet te wekken. De tractor raast er ongenadig overheen.
Op innemende wijze beschrijft Dalton hoe ze de wereld steeds meer door de ogen van de haas gaat zien. Haar stadse blik verruimt zich, en het groene, voorheen anonieme decor krijgt ineens betekenis. Ze leert plantnamen, begint te tuinieren, verbetert de haag achter haar huis en herstelt een vijver. Het zijn kleine aanpassingen die allemaal dienen ter verbetering van de leefomgeving van de haas.
Met afgrijzen is ze vervolgens getuige van de oogst op de akkers rond haar huis. Het machinale geweld leidt tot de complete verwoesting van het leefgebied van de hazen.
Maar wacht eens even, dit wisten we toch al? Dat onze voedselvoorziening een veel te hoge tol eist? Een narrige gedachte die ik, ondanks de prachtige natuurbeschrijvingen, niet kon onderdrukken.
Daltons stadse naïviteit werkt goed als ze beschrijft hoe ze de wereld steeds meer door hazenogen ziet. Maar in het kader van de verwoesting van ecosystemen vond ik het misplaatst, onbegrijpelijk ook. Ik bleef hopen op een nieuw perspectief, maar dat bleef uit en zo werd het verhaal over die gedeelde buitenruimte nergens echt gevaarlijk. Nooit steeg het boek uit boven een lyrische lofzang op de haas, op zijn eigenzinnige wildheid. Wat resteert is een fraai maar klassiek relaas over de relatie van een mens met een wild dier, waarbij de mens en passant over geduld en onthaasting leert.
Ik bedoel dit niet cynisch, niet volledig althans, want ik las die hazenlyriek graag. Niet eerder kwam ik zo dichtbij. Een deel van het mysterie dat het dier belichaamt, werd opgelost – en zal ik hier niet verklappen – en tegelijkertijd ben ik het met Dalton eens als ze schrijft dat ze het raadsel van de haas nog altijd niet gekraakt heeft.
Hazen zien draven, hun geluk niet snappen: misschien zijn het deze vragen die ons betrokken houden, die ons doen blijven nadenken over onze terloopse vernielzucht.
Kernachtig concludeert Dalton over de haas: ‘Ze had niets van mij nodig, behalve dat ik haar geen kwaad zou doen, een vuistregel voor de omgang met elk wild dier.’
Chloe Dalton: Haas in huis. Uit het Engels vertaald door Nico Groen. Prometheus; 304 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant