Democratie In een levendige en dynamische samenleving als de westerse, kunnen we júíst crises weerstaan en er zelfs sterker uit komen, schrijft Ben Connelly.
Zowel bij nieuw-rechts als in het kamp van klimaatlinks heerst momenteel de opvatting dat juist de kwaliteiten waarop Amerika zich vroeger liet voorstaan, het land in feite verzwakken. Pluralisme, zo hoor je vaak, leidt tot een verdeelde en onbestuurbare samenleving. De regels van de rechtsstaat zitten de overheid in de weg bij de aanpak van grote problemen. En door de wispelturigheid van de kiezer moeten politici vaak alweer weg voordat ze de kans hebben gehad blijvende verandering door te voeren.
Ben Connelly is een Amerikaanse schrijver.
Sommige populisten voor wie een zwakke staat een groter schrikbeeld is dan een totalitaire staat, zouden de diversiteit van onze samenleving graag verruilen voor volstrekte eendracht. Onder milieuactivisten neigt men tot de gedachte dat de omvang van de klimaatcrisis geen ruimte meer laat voor de keuzevrijheid van de democratische rechtsstaat.
Maar al deze critici zien kracht voor zwakheid aan. Vooral bij nieuw-rechts zien velen het verschil niet tussen krachtpatserij en echte kracht. Ze denken dat onze vijanden ons voorbij dreigen te streven, dat Rusland en China de toekomst hebben en dat Amerika en het hele Westen onherroepelijk in verval zijn.
Maar echte kracht is vaak meer een kwestie van flexibiliteit dan van eenvormigheid. Een open samenleving is meestal buigzamer dan een gesloten samenleving. In een tijd waarin de lokroep van de gesloten samenleving onverbiddelijk aanzwelt, moeten we niet vergeten dat we dit scenario in de loop van de twintigste eeuw al zo vaak hebben zien aflopen met de ondergang van gesloten samenlevingen, of die nu fascistisch of communistisch waren.
Het is goed om in deze tijd voor ogen te houden hoe robuust open samenlevingen in feite zijn, en waarom er zo’n hardnekkige neiging bestaat om hun veerkracht te onderschatten.
Homo universalis Nassim Nicholas Taleb, voormalig beurshandelaar en onzekerheidsfilosoof , geeft het voorbeeld van de muis en de olifant. De olifant is veel en veel groter. Maar als een olifant van tweemaal zijn eigen hoogte valt, breekt hij alle botten in zijn lijf. Een muis kan van tien keer zijn eigen hoogte vallen en daarna doodleuk wegrennen.
Omdat onze soort geëvolueerd is in een omgeving waarin grootte gelijkstond aan kracht, hebben we de neiging een autoritair regime dat zich grootmaakt ook sterk te wanen. We beseffen niet hoe broos de botten van de olifant zijn. Taleb betoogt dat ons gezond verstand (het primitieve deel van onze hersenen) ons vaak in de weg zit in de uiterst complexe omgevingen waarin we nu leven. Dat we behoefte hebben aan een andere manier van denken, die meer uitgaat van overtolligheid , risicospreiding, openheid en misschien nog het voornaamst van al: een diepe laag nederigheid.
En het is inderdaad opvallend dat telkens opnieuw dezelfde denkfout wordt gemaakt. In de twintigste eeuw waren er altijd wel vooraanstaande commentatoren die verkondigden dat de vrije wereld in verval was en autocratie de toekomst had. Zij bleken het telkens bij het verkeerde eind te hebben, en toch blijft die oude voorspelling de kop opsteken.
In de Koude Oorlog dachten veel anticommunisten dat ze een verloren strijd voerden. Op links dachten veel mensen dat de Sovjet-Unie te werk ging met een overtuiging en doelmatigheid die het Westen nooit kon evenaren. In de jaren en twintig en dertig werd zowel het communisme als het fascisme door Amerikaanse journalisten en wetenschappers op gejuich onthaald.
Zoals in de befaamde uitspraak van de grote onderzoeksjournalist Lincoln Steffens na zijn bezoek aan de Sovjet-Unie: „Ik ben naar de toekomst geweest, en die werkt.” Hij zei ook dat God „Mussolini uit de rib van Italië geschapen” had. Vooral Mussolini was geliefd bij Amerikaanse intellectuelen, van de rector magnificus van Columbia University tot journalisten als Ida Tarbell en Anne O’Hare McCormick.
Zelfs tegenstanders van totalitarisme waren bang dat die staatsvorm toch onvermijdelijk was. Iets van die fascinatie met autocratisch machtsvertoon zie je ook in James Burnhams boek The Managerial Revolution (1941), dat in sommige rechtse kringen nu weer populariteit geniet. Burnham dacht dat het kapitalisme zou plaatsmaken voor een nieuwe ‘managersklasse’, die een geleide economie zou opleggen.
Elders in zijn werk stelde hij het ‘fanatisme’ van de nazi’s tegenover de veronderstelde ‘apathie’ van Frankrijk en Groot-Brittannië. Uit al zijn werk spreekt de vrees dat vrije samenlevingen te zwak zijn om zich tegen een sluipend despotisme te verzetten.
Maar Burnhams betoog werd eigenlijk al grotendeels ontkracht door de gebeurtenissen in zijn eigen tijd, zoals George Orwell in 1946 opmerkte in zijn essay Bedenkingen bij James Burnham. Hij schreef:
„Overdreven ontzag voor macht vertroebelt de politieke blik, omdat het bijna onvermijdelijk uitloopt op de overtuiging dat de huidige trends zich onveranderd zullen voortzetten. (…) Dat moet wel tot verkeerde voorspellingen leiden, want zelfs al wordt de richting van de ontwikkelingen juist ingeschat, het tempo zal verkeerd worden ingeschat. Binnen vijf jaar tijd voorspelde Burnham zowel dat Duitsland door Rusland zou worden bedwongen als het omgekeerde. In beide gevallen volgde hij hetzelfde instinct: het instinct om te buigen voor de overwinnaar van het moment, om de huidige trend als onomkeerbaar te beschouwen.”
Wat Orwell bij Burnham constateert, zie je tegenwoordig terug bij schrijvers die betogen dat Amerika is uitgeteld en dat er een vorm van ‘postliberalisme’ nodig is om onze verkalkte cultuur nieuw leven in te blazen. Denkers zoals Burnham zagen de trend van het moment – zwakke democratieën, de schijnbaar niet te stuiten opkomst van totalitaire staten – en gingen ervan uit dat aan die trend nooit meer een einde zou komen.
Tekenen van verdeeldheid en balkanisering [het uiteenvallen van een gebied in kleine natiestaten, red.] in Amerika zijn voor de hedendaagse tegenhangers van Burnham niet moeilijk te vinden. Alleen trappen ze in dezelfde valkuil als hij door er klakkeloos van uit te gaan dat die trends zich in een rechte lijn zullen doorzetten en onze ondergang moeten inluiden.
Maar zo werkt de geschiedenis niet. Crises zijn meestal onvoorzien, evenals de oplossing ervan. In een levendige en dynamische samenleving als de onze, waarin plaats is voor een breed scala aan verschillende instituties, is er ook meer kans dan in een centraal geleide samenleving dat de elementen al voorhanden zijn om een crisis te weerstaan en er zelfs sterker uit te komen.
In zijn boek Antifragiel: dingen die baat hebben bij wanorde (2012) probeerde Taleb deze schijnbare paradox te verklaren vanuit het verschil tussen de relatief eenvoudige omgevingen waarin het ‘gezond verstand’ van de mens is ontstaan en de veel complexere omgevingen waarin we tegenwoordig leven: omgevingen waarin de kans op ‘zwarte zwanen’ steeds groter wordt en waarin je systemen nodig hebt die ‘antifragiel’ zijn. Een perfect voorbeeld van het tekortschieten van gezond-verstandoplossingen is „het stelselmatig voorkomen van bosbranden ‘voor de veiligheid’, wat de grote bosbranden juist veel erger maakt”.
Zo is ons beleid vaak in de greep van een achterhaald soort gezond verstand dat onze samenleving veel kwetsbaarder maakt. We denken dat we de economie beschermen door de staat er meer macht over te geven, maar in feite werpen we zo alleen maar belemmeringen op voor het aanpassen van die economie wanneer interne of externe schokken dat vereisen. We denken dat het onze samenleving sterker maakt om verstrekkende bevoegdheden bij één instantie te concentreren – terwijl je dat in een hypercomplexe omgeving nu juist niet moet doen. We hopen dat we de uitdagingen van de komende eeuw het hoofd kunnen bieden door ons overheidsapparaat uit te breiden.
Maar hoe meer we onze economie in banen willen leiden, vooral van bovenaf, hoe meer we die economie juist verzwakken en voor mislukking rijp maken. Taleb gaf in 2007 een eerste schets van zijn denkbeelden in het boek De zwarte zwaan, dat achteraf een van de beste verklaringen lijkt te bieden voor de financiële crisis die een jaar later uitbrak: hij wees op de beperkingen van het ‘optimaliseringsdenken’ en de onvermijdelijkheid van allesbepalende ‘zwarte zwaan’-gebeurtenissen.
De remedie is volgens Taleb om af te stappen van ons gezond verstand-denken en de primitieve behoefte alles in de hand te houden, en om te leren enige mate van willekeur en onvoorspelbaarheid te accepteren. De vrije markt, tegenpool van een geleide economie, is niet alleen beweeglijker en flexibeler en daardoor beter in staat om schokken op te vangen, maar vermijdt ook de versterkende effecten die in strak gereguleerde markten schering en inslag zijn en die een kleine crisis kunnen aanwakkeren tot een systeemcrisis. Redundantie, de spreiding van macht en de vrijheid om te innoveren zijn eigenschappen die een samenleving bestand maken tegen schokken waar een geharnast en met dwang geleid systeem aan ten onder gaat.
Je ziet ook iets van die dynamiek in de onvrede over de Amerikaanse grondwet die momenteel om zich heen grijpt. Die grondwet heeft inderdaad veel weg van een niet helemaal geoptimaliseerd managementsysteem. Zowel linkse als rechtse denkers betogen dat hij niet berekend is op de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. Maar met behulp van Talebs inzichten kunnen we constateren dat dit een misvatting is die de essentiële kracht van die grondwet onderschat.
Onze grondwet tuigt een federaal stelsel op met overlappende bevoegdheden, met als hoogste macht een landsregering die bevoegdheden moet delen met afzonderlijke regeringen van deelstaten die voor hun mandaat niet van die landsregering afhankelijk zijn. Het is juist deze decentrale machtsverdeling (die lijkt op de federale structuur van de Zwitserse kantons, zoal Taleb schrijft) die de Amerikaanse samenleving behoedt voor de snelle regimewisselingen die we tegenwoordig op verscheidene plaatsen in de wereld zien.
Of zoals James Madison in het tiende essay van de Federalist Papers schreef: „onbehoorlijke of kwaadwillende plannen zullen niet zo snel het hele staatsbestel van de Unie in hun greep krijgen, hooguit één afzonderlijk onderdeel daarvan; net zoals een ziekte eerder een specifiek district zal treffen dan een hele staat”.
De grondleggers van de Verenigde Staten kenden het werk van zowel de klassieke als de verlichtingsfilosofen. Maar ze hadden zich ook verdiept in de geschiedenis van republikeinse regeringsvormen en de oorzaken waardoor die waren mislukt, om te weten hoe ze zo’n mislukking konden voorkomen. Het resulteerde in de oudste grondwet ter wereld die nog steeds van kracht is.
Taleb wijst op het ‘Lindy-effect’: hoe langer een technologie bestaat, hoe meer kans die maakt om ook in de toekomst overeind te blijven, en hoe nieuwer een technologie is, hoe sneller die achterhaald zal raken. Dat onze grondwet het zo lang heeft uitgehouden, zegt iets over de duurzaamheid ervan. Maar die duurzaamheid is meer dan toeval. Door zijn opzet is deze grondwet robuuster en beter bestand tegen schokken dan de meeste andere grondwetten. Het is een schoolvoorbeeld van een antifragiel systeem, een structuur met ingebakken redundanties en schijnbare ondoelmatigheden. En juist de kenmerken die vaak tot onvrede leiden en niet helemaal ‘geoptimaliseerd’ zijn, maken deze grondwet zo schokbestendig.
Dat de macht gedecentraliseerd is bijvoorbeeld. En dat verandering langzaam gaat. En dat er vaak verkiezingen zijn, zodat coalities zelden lang genoeg aan de macht zijn om het land volledig hun wil op te leggen, tenzij zo’n regering werkelijk vertolkt wat een stabiele meerderheid van de bevolking in een meerderheid van de staten wil. Een autocratische leider kan simpelweg per decreet afkondigen welke richting een land moet inslaan, maar in een samenleving als de onze moet zo’n besluit door een duurzame meerderheid worden gedragen.
Als onze maatschappij een nieuwe richting inslaat, moet dat dus wel een diepere en bredere (en daardoor reëlere) ontwikkeling zijn dan in een van bovenaf geleide samenleving waarin kortstondig spierballenvertoon de plaats inneemt van daadwerkelijke verandering in de samenleving zelf.
Aan die schokbestendigheid van onze grondwet kunnen we een voorbeeld nemen bij de uitdagingen die ons in de komende decennia wachten. Omdat de toekomst niet te voorspellen valt, zo stelt Taleb, kunnen we ons niet op schokken voorbereiden. Het beste wat we daarom kunnen doen, is ervoor zorgen dat onze systemen redundant en buigzaam genoeg zijn om schokken te kunnen opvangen.
De critici van de vrije samenleving hebben gelijk als ze zeggen dat zo’n samenleving alle kanten tegelijk op wordt getrokken door vakbonden, het bedrijfsleven, de kerken, maatschappelijke organisaties, universiteiten, non-profitorganisaties en duizenden andere instellingen. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat autocratische samenlevingen een vorm van eendracht aan de dag leggen waaraan het ons ontbreekt, of ze nu doelen op het Rusland van Poetin of het Italië van Mussolini.
Maar ze zitten ernaast als ze denken dat verscheidenheid de vrije samenleving zwakker maakt, of dat eenvormigheid een gesloten samenleving sterker maakt. Het zijn juist de vrije samenlevingen die beter zijn toegerust om in een onzekere toekomst te overleven en zelfs te gedijen, en de gesloten samenlevingen die hun zwakte verhullen.
Dat wil niet zeggen dat vrije samenlevingen altijd van gesloten samenlevingen zullen winnen, of dat de historische ontwikkeling altijd in de richting van meer vrijheid gaat. Mensen zullen waarschijnlijk dezelfde fouten blijven maken die we in de loop van de geschiedenis altijd hebben gemaakt. Maar aan iedereen die in naam van de kracht nu onze vrijheid wil afdanken: laat je niet verblinden door de illusie van macht.
Dit artikel verscheen eerder in het online tijdschrift Persuasion en is in samenwerking met 360 magazine vertaald door Frank Lekens.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC