Onbemand vliegen Militaire toepassingen, ontwikkeld als gevolg van de oorlog in Oekraïne, hebben de Nederlandse dronesector volwassen gemaakt. Civiele toepassingen rukken ook op, maar met vallen en opstaan.
Vestiging van Delft Dynamics in Pijnakker, waar het drones maakt.
Je kunt zien dat de wrakstukken op de werkbank een drone zijn geweest: afgerukte ‘armpjes’ van zwart 3D-printerplastic, een gebroken propeller. De laatste vlucht van de Basta was niettemin een doorslaand succes – letterlijk. Er is een video van. Je ziet hem opstijgen uit een veld, een zwarte kegel die afbuigt en wegschiet. Dan kijkt de camera met de ogen van de drone zelf. De prooi komt in beeld: een witte quadcopter, wiegelend in de verte, die razendsnel dichtbij komt tot hij het beeld vult en de video op zwart gaat.
Een drone uitschakelen met een drone – Delft Dynamics, een spin-off van TU Delft, pionierde er ruim tien jaar geleden al mee. Hun DroneCatcher werpt een net uit boven een andere drone en brengt die naar een veilige plek. Militaire toepassingen werden destijds weinig voorzien; je kunt er een vliegveld of festivalterrein mee beveiligen, of gevangenissen waar criminelen met drones pakketjes over de muur bezorgden, was het idee.
De DroneCatcher, waarvan nu een geautomatiseerde versie op de tekentafel staat, is nooit in serie gebouwd en hij is een braverik vergeleken bij de Basta, die dit jaar voor het eerst vloog. Dat is een interceptor die autonoom naar zijn doel manoeuvreert en dit met een harde botsing vernietigt – en zichzelf dus ook. Spectaculair, maar ook de Basta zit nog in de ontwikkelingsfase. „En het wordt de kunst om de stuksprijs onder de tienduizend euro te houden”, zegt Delft Dynamics-directeur Arnout de Jong.
Sinds de Russische grootschalige invasie in Oekraïne in 2022 versterken Europese landen massaal hun dronecapaciteit. Defensief tegen infiltraties in het luchtruim, offensief voor een toekomstig conflict. In Nederland is Delft Dynamics een van tientallen bedrijven en bedrijfjes die profiteren van nieuw binnenlands en internationaal kapitaal voor de ontwikkeling van software, componenten of volledige drone- en counter-dronesystemen.
Maar onder de streep is er nog te weinig gerealiseerd. „De meeste westerse dronesystemen zijn te duur en irrelevant voor het soort oorlog dat Rusland voert”, schreef The Economist vorige maand. De ontwikkelingen daar gaan bovendien zo snel dat de „drone-industrie de innovatie in Oekraïne niet [kan] bijbenen”, citeerde Het Financieele Dagblad een projectleider van Tulip Tech, een Nederlandse producent van batterijpakketten voor drones.
Daarom moet het Europese model van financieren, ontwikkelen, produceren, aankopen en voorraden aanhouden – dat duur, traag en log is – „volledig op de schop”, zei Uwe Horstmann, topman van de Duitse start-up Stark, die aanvalsdrones bouwt, in oktober tegen de Financial Times.
Hackathon rond het thema ruimte, defensie en drones op de voormalige militaire luchtmachtbasis Valkenburg bij Katwijk.
Theo de Vries zegt het hem na: „Militaire toepassingen hebben de Nederlandse drone-sector een enorme boost gegeven, volwassen gemaakt, maar lange aanbestedingsprocedures door Defensie zijn funest voor de innovatiesnelheid.”
De Vries is directeur van Unmanned Valley (UMV), een cluster drone-gerelateerde bedrijven en opleidingen die vanaf 2019 in de verlaten hangars van het voormalige marinevliegkamp Valkenburg bij Katwijk trokken. UMV is ook het grootste Nederlandse testveld voor drones. Het oude Dakota-vliegtuig dat bij elke voorstelling met draaiende propellers het decor van de musical Soldaat van Oranje binnenrolt, noemen ze hier spottend „onze grootste drone”.
„Het moet hier niet alleen een defensiefeestje worden”, zegt De Vries. „En de ontwikkeling werkt ook de andere kant op: militaire technologie leidt tot civiele toepassingen. Als die oorlog eenmaal is afgelopen, verwacht ik zelfs een tsunami van innovaties waar we veel van gaan leren.”
Al beneemt ‘Oekraïne’ er nu dus enigszins het zicht op, in het civiele domein rukt de drone al jaren op. Daarmee stijgt ook de vraag naar piloten en technici zo sterk dat De Vries tekorten voorziet. Het is van groot belang om jongeren – „de console-generatie”, noemt hij ze – daarvoor nu al lekker te maken met ‘hackatons’, zelfbouwworkshops en dronewedstrijden in het indoor raceparcours. Deze zaterdag is er opnieuw zo’n dag in het voormalige marinevliegkamp.
Woensdag tekenden de reddingsbrigades van Katwijk en Noordwijk een overeenkomst met Unmanned Valley om met drones te leren werken. Dertig redders krijgen een opleiding tot dronepiloot om sneller drenkelingen te lokaliseren en om toezicht te houden op het strand. Eerder kreeg de gemeente Rotterdam hulp bij het invoeren van drones als tijds- en arbeidsbesparend alternatief voor landmetingen, de inspectie van bruggen en het tellen van ganzennesten.
In september begon een proef met drones van een ANWB-dienst die via een eigen luchtcorridor bloed en medicijnen vervoeren tussen ziekenhuizen in Zwolle en Meppel. In dunbevolkte gebieden in Afrika en Amerika is dat trouwens al staande praktijk. En in Dublin kun je zelfs maaltijden per drone laten bezorgen. Sinds dit jaar zie je ook in Nederland drones op grote hoogte ramen wassen.
Drones trekken baantjes boven akkers met broccoli om met AI-ogen de oogstrijpheid te beoordelen. Ze controleren hoogspanningslijnen en offshore-installaties. En het is een kwestie van tijd totdat zwermen ‘genetwerkte’ drones een compleet windpark op zee inspecteren.
Daartoe moeten ze dan ook buiten het zicht van een piloot op de grond, achter de horizon en zonder radiografische verbinding zelf beslissingen kunnen nemen, al was maar om niet met elkaar te botsen. Om te experimenteren met zulke autonome technologie – voor militaire en civiele doeleinden – komt er een permanent testgebied boven de Noordzee tussen Katwijk en Rotterdam. Vanaf 2026 moeten de zogeheten BVLOS-vluchten (van beyond visible line of sight) vanaf Unmanned Valley beginnen.
Wettelijk (en praktisch) is bemand én onbemand vliegen in datzelfde stuk luchtruim nu nog niet mogelijk. Zelfs voor ‘gewone’ dronevluchten werkt de overheid stroperig, zegt Roel van der Wal, die na een loopbaan bij de politie de Drone Flight Academy (DFA) oprichtte. Die school, ook op Valkenburg, biedt het hele scala aan opleidingen, van dronepilot basic light tot een certificaat voor vluchten met het hoogste risico.
„Er is te weinig gevoel voor urgentie”, zegt Van der Wal. „Ik heb klanten die al anderhalf jaar op een vergunning wachten voor het gebruik van specifieke drones. Of neem de dronebox [waaruit een drone zelfstandig kan opstijgen en landen om bij te laden]. De luchtverkeersleiding wil dat daar een observer naast staat. Het doet me denken aan de begindagen van de automobiel in Engeland, toen een man met een rode vlag voor de auto uit moest lopen.”
Regelgeving en handhaving vertonen lacunes. Neem het gebied rond Schiphol, waar een no-flyzone voor drones geldt, maar waar jaarlijks ook honderden overtredingen worden gedetecteerd. In het commandocentrum van Valkenburg worden ze met een paar muisklikken zichtbaar, in real time en die in het verleden plaatsvonden. Het gaat vooral om „roekeloze en onwetende hobbyisten”. Maar bij een ‘opgevoerde’ speelgoeddrone op een verboden hoogte van driehonderd meter moet wel opzet in het spel zijn.
Elke drone is in principe herkenbaar aan een unieke radiocode. „Een basisingrediënt voor handhaving”, zegt de UMV-directeur. „Maar niemand zit op die klus te wachten.” De boetes zoals die aan 29 dronevliegers zijn opgelegd tijdens de NAVO-top in juni zijn eerder uitzondering dan regel.
En wat als het om werkelijk kwaadwillenden gaat, zoals die achter recente incidenten lijken te hebben gezeten rond luchthavens in Denemarken en militaire oefenterreinen in België? Voor counter-drone-operaties bestaat nog geen wetgeving en het vliegverbod rond Schiphol geldt ook voor potentiële anti-drones als de DroneCatcher of de Basta.
Bij Unmanned Valley spreken ze vooralsnog van „groeistuipen”. Daaronder vallen ook recente faillissementen en „start-ups die weer terug moesten naar de garage”, zegt De Vries. Beginnende bedrijven worden meestal gerund door techneuten. „Ze blijven afhankelijk van één klant en weten nog niet goed hoe je van prototypes bouwen gaat naar omzet maken. Daarbij helpen wij.”
Intelic, een AI-dronesoftwarebouwer in Amsterdam, is ook klein begonnen en kreeg dankzij ‘Oekraïne’ een groeispurt. Er werken 45 mensen, volgend jaar moeten het er 150 zijn, zegt oprichter Maurits Korthals Altes. „Voor research & development krijg je makkelijk financiering, maar het is een perverse prikkel om r&d te blijven doen in plaats van op te schalen.”
Volgens hem is er nog steeds een mentaliteitsverandering nodig, óók bij de overheid. Minister Brekelmans (Defensie, VVD) beloofde vorig jaar een „betrouwbare partner” voor de sector te zijn, onder meer via langetermijnfinanciering. Korthals Altes is vóór partnerschappen, maar langdurige financiering „smoort concurrentie” en leidt tot „traagheid”, zegt hij. „Tegen de tijd dat wij in Nederland eindelijk iets af hebben, is er al iets beters en goedkopers ontwikkeld in het buitenland. Terwijl wij maar blijven polderen en geld blijven pompen in dingetjes waar niks uit komt.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Doorzie de wereld van technologie elke week met NRC-redacteuren
Source: NRC