Jaarlijks zijn er minstens 25 kinderen in Nederland van wie de vader de moeder vermoordt, zo blijkt uit nieuwe cijfers. Roser Vlug was een van hen. ‘Mensen wilden me beschermen. Maar alles werd zonder mij besloten, waardoor alles me overviel.’
Opeens staat hij daar, aan de overkant van de weg. Haar vader. Hij roept haar terwijl ze aan het spelen is op straat. Het is september 1985. Roser is 7 jaar oud en woont al een paar jaar bij haar moeder, haar ouders zijn gescheiden. Maar haar vader accepteert dat niet.
‘Kom naar mij’, roept hij. ‘Nee’, zegt ze. ‘Ik durf niet.’
Veertig jaar later herinnert ze zich nog precies wat hij dan zegt, vertelt Roser Vlug (47) tijdens een interview bij haar thuis. ‘Hij zei: ga maar naar je moeder en vertel haar dat morgen de dag is, morgen gaat het echt gebeuren.’
Op dat moment draait ze zich om. ‘Ik ben in één rechte lijn naar huis gerend. Ik voelde gewoon dat dit echt wat was. Ik moest mijn moeder waarschuwen.’
Haar gevoel blijkt juist te zijn. Haar vader vermoordt de volgende dag haar moeder Maria Isabel, die dan 36 is, én haar nieuwe vriend. Hij schiet ze neer, op klaarlichte dag op een plein in Terneuzen.
In de krant wordt de moord een crime passionnel genoemd, tot afschuw van Roser (spreek uit: Rosee). Tegenwoordig zouden we spreken van femicide, een onderwerp waarvoor steeds meer aandacht is en een term die ook dodelijk ex-partnergeweld omvat. Grofweg elke twee weken wordt in Nederland een vrouw door haar (ex-)partner vermoord.
Sommige zaken worden breed uitgemeten in de media, zoals die van Joeweela in Gouda, deze zomer. Ze werd doodgeschoten in het bijzijn van haar 7-jarige zoon en 6-jarige dochter. Maar na de eerste mediagolf, zoals vaker in dit soort gevallen, verschoof de aandacht naar het volgende gruwelijke incident, en had niemand het meer over de kinderen die achterbleven.
Wat gebeurt er met je leven als je in één klap niet alleen je moeder verliest, maar ook je vader, omdat die in de cel zit of zichzelf iets heeft aangedaan? Hoe kom je dat ooit te boven? En hoe gaan hulpverleners met deze kwetsbare kinderen om?
Om dit onderbelichte onderwerp op de kaart te zetten, hebben regisseur Sara Kolster en ervaringsdeskundige Perla Joy een documentaire gemaakt: Blauwdruk, die 20 november wordt uitgezonden door omroep Human op NPO 2. Hierin worden de verhalen verweven van vier vrouwen, onder wie Roser. De gemene deler: hun vader heeft hun moeder vermoord.
Ze zijn lang niet de enigen. In de zaken van de gemiddeld 25 vrouwen die jaarlijks door hun (ex-)partner worden gedood, zijn in twee derde van de gevallen kinderen in het spel. Dat blijkt uit nieuwe bevindingen uit de Femicide Monitor, onder leiding van hoogleraar Marieke Liem aan de Universiteit Leiden. Vrijdag publiceert Liem hierover een factsheet die de Volkskrant al heeft ingezien.
Op basis van dossiers van de politie en het OM, vonnissen en mediaberichten bracht ze samen met haar team in kaart hoeveel stief- en biologische kinderen dit is overkomen, van 2014 tot en met 2024. Exact zijn haar cijfers niet, bijvoorbeeld omdat soms wel wordt vermeld dat er sprake is van kinderen, maar het precieze aantal ontbreekt.
‘Mijn conservatieve schatting is dat er jaarlijks gemiddeld 25 kinderen zijn wier moeder wordt vermoord door haar partner of ex’, zegt Liem. ‘Dat aantal schokte ons enorm. Het is een immense, vergeten groep, waaronder een gigantisch drama schuilgaat.’
De hoogleraar schetst de problematiek. ‘In 46 procent van de gevallen waren ze getuige van de moord. Ze hebben het delict gezien of op z’n minst gehoord – doorgaans omdat het thuis is gebeurd. Daarna moeten ze verhuizen en belanden ze in een pleeggezin, of in een strijd tussen twee families, van de vader en van de moeder. Het is doffe ellende.’
Roser Vlug weet nog hoe ze voor het laatst afscheid heeft genomen van haar moeder. Die bracht haar naar school, de dag nadat Roser door haar vader was aangesproken. ‘Ze ging op haar knieën zitten, pakte mijn hand vast, legde die op mijn hart en zei: wat er ook gebeurt, als je me ooit nodig hebt, dan zit ik hier.’
Die middag krijgt ze het nieuws te horen van de schooldirecteur, die Roser en haar broers vanaf dat moment tijdelijk in huis neemt. ‘Jullie vader heeft jullie moeder vermoord, zei ze. Er gebeurde iets heel geks met me, want aan de ene kant dacht ik: dat weet ik. Maar tegelijkertijd: wat?’
Na de moord proberen mensen in haar omgeving Roser in bescherming te nemen. ‘Met de beste bedoelingen, ongetwijfeld. Maar het leidde ertoe dat alle besluiten zonder mij werden genomen en alles me overviel.’
Zoals de begrafenis van haar moeder. ‘Opeens waren we er. De tekening die ik speciaal voor haar had gemaakt, lag nog in de auto. Het is nu te laat om die te pakken, werd me verteld. Dat vond ik vreselijk. Die tekening móést in de kist liggen.’
Nog zo’n moment dat haar overvalt, is als ze bij haar huis staat. ‘Ik kreeg 10 minuten om te pakken wat ik nodig had. De deur ging open, en ik had geen idee. Ik was net jarig geweest en pakte een schrijfboekje en een pen met beertjes die ik gekregen had. Meer niet.’
Ook mag ze geen afscheid nemen van haar moeder, in het ziekenhuis. ‘Daar heb ik later zo’n last van gehad. Kennelijk was het zo erg hoe ze eruitzag dat ik het niet mocht zien. In mijn hoofd ging ik de ergst mogelijke beelden vormen. Daar ben ik jarenlang door geteisterd.’
Een week na de moord op haar moeder mag ze haar klasgenoten nog één keer zien, voordat ze verhuist. ‘De klas was geïnstrueerd dat ze niet mochten praten over mijn moeder. Ze deden alsof er niets was gebeurd. Ik dacht: is het dan niet belangrijk dat mijn moeder is vermoord?’
Als er één boodschap is die volwassenen volgens haar in zo’n situatie ter harte moeten nemen, dan is het: ‘Kijk naar het kind. Vraag het wat het wil, waar het behoefte aan heeft. Wees eerlijk.’
‘Dat is precies wat ik in de praktijk en uit onderzoek heb geleerd’, zegt Arend Groot, maatschappelijk werker en onderzoeker bij het Landelijk Psychotraumacentrum van het UMC Utrecht. Dat biedt hulp aan kinderen, jongvolwassenen en verzorgers die schokkende gebeurtenissen hebben meegemaakt.
Groot (62) werkte in 2014 mee aan het eerste grote Nederlandse onderzoek naar de gevolgen van partnerdoding voor kinderen. Daaruit bleek dat nabestaanden veelal last hadden van ernstige psychische problemen, zoals angsten, een posttraumatische stressstoornis (PTSS) of een depressie. Doorgaans leefden ze jaren later nog in een ‘fragiel evenwicht’.
Voor hulpverleners zijn dit zeer moeilijke zaken, legt Groot uit. ‘Ze maken al veel mee, maar weinig is zo ingrijpend als de ene ouder die de andere vermoordt. De meeste hulpverleners hebben dit nog nooit meegemaakt.’
Hij spreekt uit ervaring. Ooit zat Groot als beginnende jeugdbeschermer in een woonkamer tegenover drie kinderen. Een paar uur eerder was hij gebeld, met de boodschap dat een man zijn vrouw had vermoord. Toen de politie en andere instanties vertrokken waren, was Groot nog bezig om pleeggezinnen te vinden.
‘Voor een van die kinderen lukte dat niet meteen. Uiteindelijk heb ik hem onder mijn arm genomen en naar het oude Wilhelmina Kinderziekenhuis gebracht. Daar kon hij een nachtje blijven. Hij was pas een jaar of 6 en verstijfd van angst.’
In zo’n geval komt het er vaak op neer dat hulpverleners ‘het wiel proberen uit te vinden’, zegt hij. ‘Er moet van alles direct geregeld worden. Soms vragen ze advies aan ons psychotraumacentrum. Dan is de belangrijkste boodschap: reageer niet te snel vanuit aannames. Zoals: het is belangrijk dat een kind een band heeft met beide ouders, dus ook met de dader. Maar dat verschilt per kind en situatie.’
Roser was het oogappeltje van haar vader, die van Catalaanse afkomst is. Als ze weer eens stond te playbacken in de huiskamer, zat hij soms trots te kijken. Maar hij was ook vaak afwezig, dominant en overheersend. Zelfs na de scheiding; hij kon zijn ex niet loslaten.
Toch heeft ze in de eerste dagen na de moord het gevoel dat ze haar vader wil zien. Maar wanneer Roser dat zegt, blijkt dat iedereen om haar heen dat absoluut geen goed idee vindt. ‘Mijn vader was een monster, zeiden ze.’
Ze legt zich erbij neer en gaat ‘op zoek naar een nieuwe papa en mama’. Die vindt Roser na enkele jaren in een pleeggezin, waar ze geweldig wordt opgevangen. Ze noemt haar pleegouders vanaf dag één papa en mama, en draagt jarenlang hun achternaam.
Als haar vader zo’n drie jaar vastzit, krijgt hij toestemming om Roser te bezoeken bij haar pleeggezin, met bewakers erbij. Dat gebeurt op aandringen van een jeugdbeschermer, die het belangrijk vindt dat het contact tussen vader en dochter in stand blijft.
Roser ziet er enorm tegenop, ze is bang dat haar vader haar zal doodschieten of ontvoeren. Want ze weet dat hij haar graag terug wil, zodra hij vrijkomt na zijn 8-jarige celstraf. En hij heeft tegen haar pleegouders gedreigd dat hij haar op een dag zal ontvoeren. Terwijl Roser niets liever wil dan doorgaan met haar nieuwe leven. In doodsangst zit ze de ontmoeting uit.
Tot haar opluchting kiest haar vader ervoor het laatste deel van zijn gevangenisstraf uit te zitten in Spanje, waar hij uiteindelijk ook blijft wonen. Toch geeft dat Roser geen rust. Ze heeft nachtmerries, over moorden en ontvoeringen, en krijgt ook overdag steeds meer last van angsten.
‘Als ik bij een vriendin bleef slapen’, zegt ze, ‘kon ik ineens denken: wat als zij me vannacht iets aandoet? Ook nu nog. Dat is een irrationele gedachte, ik weet het. Maar dat is hoe ik leef, zelfs als mensen me dierbaar zijn.’
Haar vader heeft ze nog tweemaal ontmoet. De eerste keer is in 2000. Dan reist ze naar Spanje om hem te vertellen dat ze zwanger is en hij opa wordt. ‘Die ontmoeting maakte tegenstrijdige gevoelens bij me los’, zegt ze. ‘Soms voelde hij echt als een vader voor me. Bijvoorbeeld toen hij tegen de ober zei: ‘Voor haar ook asperges, want zij is zwanger, en die zijn goed voor je.’’
Maar als hij over de moord begint te praten, raakt Roser van streek. ‘Hij zei dat het hem speet dat mijn broers en ik geen moeder meer hadden, en wat ons daarna was overkomen. Maar volgens hem kon hij toen niet anders. Mijn vader was ontoerekeningsvatbaar, zei hij, en had niets voorbereid. Ik wist niet hoe ik moest reageren. Achteraf dacht ik: onzin, hij heeft de moord van tevoren aangekondigd.’
Als ze na het eten door het restaurant loopt, ziet ze een koksmes liggen. Ineens denkt ze aan wraak. ‘In een flits ging het door me heen: zal ik? Omdat ik onrecht voelde. Omdat hij niet echt spijt betuigde voor de moord.’ Maar terwijl ze naar het mes kijkt, komt er ‘een golf van liefde’ over Roser heen. ‘Het was alsof mijn moeder tegen me zei: nee, liefje, niet doen, kies voor de liefde.’
Veel kinderen van wie de ene ouder de andere heeft gedood, hebben op enig moment contact met de ‘dader-ouder’, blijkt uit het grote onderzoek uit 2014, geleid door Eva Alisic. Ze is nu hoogleraar trauma en herstel bij kinderen aan de Universiteit van Melbourne in Australië.
Alisic (44) is blij met de documentaire en de nieuwe cijfers van de Universiteit Leiden. Ze hoopt dat die zorgen voor meer aandacht voor dit thema, waarmee ze zich nog altijd bezighoudt. Zo zet ze nu een internationaal netwerk op waarin onderzoekers, zorgprofessionals en ervaringsdeskundigen kennis kunnen uitwisselen.
Vaak hoort ze van kinderen dat ze niet zeker weten of ze contact hadden met de dader-ouder omdat ze dat echt wilden, of omdat ze loyaal waren aan hem. Of aan haar; in een op de tien gevallen wordt zo’n moord gepleegd door een vrouw.
‘Hoe vreselijk het ook is wat de dader-ouder heeft gedaan, er kunnen veel redenen zijn om contact op te nemen’, zegt Alisic. ‘Omdat hij je moeder het best heeft gekend. Omdat je wilt weten waarom hij de moord heeft gepleegd. En vooral omdat je wilt horen dat het hem spijt, al komen spijtbetuigingen in de praktijk weinig voor.’
Volgens haar heeft dit soort moorden veel impact op de identiteit van kinderen. ‘Ze gaan, heel begrijpelijk, over van alles nadenken, zeker vanaf de adolescentie. Wat betekent het om genen te delen met een moordenaar? Hoe kijkt mijn omgeving naar mij? We hoorden van iemand wiens aanstaande schoonouders zeiden: hoe weten we zeker dat je onze dochter niet gaat vermoorden?’
Rond 2010 gaat Roser nogmaals naar Spanje, als haar vader 75 jaar is. ‘Ik wilde dat mijn kinderen hun opa zouden ontmoeten, en dat hij ze zou zien. Mijn dochter heet Maribel, ze is genoemd naar mijn moeder, Maria Isabel. Toen ik haar aan hem voorstelde, viel hij stil.’
Ter plaatse omhelst ze haar vader en fluistert ze in zijn oor dat ze hem vergeeft. ‘Dat heb ik voor mezelf gedaan. Ik voelde dat ik moest kiezen: blijf ik hem haten en levenslang worstelen met mijn gevoelens over hem? Of kies ik voor vergeving en af en toe boos zijn?’
Als Roser vijf jaar later hoort dat haar vader is overleden, is haar eerste gedachte: eindelijk. ‘Het gaf me rust. Ik ben van nature niet iemand die mensen uitsluit. Het was een worsteling, iedere dag de keuze maken dat ik hem niet wilde zien.’
Na zijn dood vliegt ze weer naar Spanje, om de uitvaart te regelen. ‘Familieleden van mijn moeder zeiden: eindelijk, zijn verdiende loon. Ik snapte dat, maar het was alsof ze vergaten dat deze man ook mijn vader was. Een man die worstelde met zijn eigen trauma’s en emoties, die hij niet onder controle had.’
Het is een bizar toeval dat ze naast het lichaam van haar vader staat als ze wordt gebeld. ‘Ik kreeg te horen dat het politiedossier van mijn moeder, dat jarenlang verdwenen was, gevonden was. Eindelijk kon ik de foto’s zien en zo echt afscheid nemen.’
Het zijn ‘heel vredige foto’s’, zegt ze. ‘Het is raar om dat te zeggen, want het tafereel is allesbehalve vredig. Maar ze zijn uiteindelijk in elkaars armen gezakt, in de auto waarin ze zijn doodgeschoten. Zij lag in de armen van haar vriend.’
Er zit ook een röntgenfoto in het dossier, van de schedel van haar moeder. ‘De kogel had een oorbel in de vorm van een hartje haar hoofd in geschoten. Dus midden in haar hoofd stond een hartje op die foto. Ik zit niet gezond in elkaar, denk ik, maar voor mij heeft dat een symbolische betekenis gekregen, ik zoek altijd naar het mooie in iets lelijks.’
Het gaat nu goed met Roser, zegt ze, gezien de omstandigheden. ‘Negen jaar geleden, tijdens een reis naar Lourdes met lotgenoten, besefte ik dat niet alleen de dochter van een slachtoffer en een dader ben, maar ook een dochter van God. Dat geeft me zo veel steun, de kracht van goedheid. Dat is voor mij een keerpunt geweest in mijn herstel.
‘Daar komt bij dat ik een geweldige partner, kinderen en kleinkinderen heb. De keerzijde is dat elke dag een worsteling is. Echt elke dag. Omdat ik complexe PTSS heb, een auto-immuunziekte, nachtmerries en angsten.’
Ze was blij met haar eerste rimpel, enkele jaren geleden. ‘Die voelde als een cadeau. Mijn moeder is nooit ouder dan 36 geworden. Daarom verheug ik me nu al op later: dat ik 80 jaar oud ben en nog beter zie wat voor een strijd ik al die jaren heb geleverd. Dan kijk ik om me heen, naar mijn kinderen en kleinkinderen, en denk: ik ben er nog.’
‘Blauwdruk’ is te zien op donderdag 20 november om 22:30 uur op NPO 2 en op NPO Start.
Vertoningen
De makers van Blauwdruk organiseren een reeks ‘intieme filmvertoningen’ met nagesprekken met ervaringsdeskundigen. Dit kunnen vertoningen zijn voor professionals die werkzaam zijn in de hulpverlening, bij politie of justitie, maar ook kleinschalige vertoningen in de buurt in bijvoorbeeld culturele centra, bibliotheken of een buurthuis.
In het kader van de wereldwijde Orange the World-campagne tegen geweld jegens vrouwen en meisjes wordt de film op 25 november 2025 om 17:00 uur vertoond aan de Schouwburgstraat in Den Haag, gevolgd door een gesprek met de makers, nabestaanden en experts. De toegang is gratis. Kijk op blauwdruk.org voor meer informatie.
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant