Home

Het blijft sneeuwen in een wereld die naar vanille ruikt

Literatuur In het wit van Roderik Six leest als een melancholisch kleinood. De gedachten van de twee hoofdpersonen dwarrelen dromerig en willekeurig, als sneeuwvlokken, in het verhaal neer.

Snowy landscape seen through a window with barren trees and distant hills

Roderik Six: In het wit. Prometheus, 157 blz. € 18,99

Het sneeuwt. Die constatering komt misschien wel dertig keer voor in de roman In het wit van de Vlaamse auteur Roderik Six (1979), waarin de wereld dromerig wordt beleefd door twee vrouwen, Iris en M, wier levens langzaam maar zeker, in letterlijke en figuurlijke zin, onder lijken te sneeuwen. Net als in zijn vorige roman Monster (2021), waarin een man zich na het dodelijke ongeluk van zijn vrouw terugtrekt uit de wereld, zoekt Six het verhaal in grote levensthema’s, maar dan tot op de centimeter uitgewerkt, in geïsoleerde, kleine ruimtes. De nieuwe roman volgt de twee vrouwen dicht op de huid, in associatieve gedachtesprongen en kleine handelingen. Zo wordt er een kraan gerepareerd, in een bus gereden, een vader bezocht, koffiegedronken, klaargemaakt voor een middagslaapje, pannenkoeken gebakken en de dokter bezocht. Tijdens deze kleine bewegingen wordt er naar buiten gekeken, waar het onophoudelijk sneeuwt. De sneeuw bedekt, isoleert en vereenzaamt.

Je kunt stellen dat het buiten én in de hoofden van de personages sneeuwt; door slaaptekort, somberte, dementie, verwarring en ziekte wordt het contact met de buitenwereld bezoedeld. De personages zijn er, maar toch ook niet helemaal.

Uitgebluste spoken

Zo is Iris een jonge, hondsvermoeide, sombere moeder, „die droomt van slaap”. Ze bevindt zich in een afgelegen, oude woning en kijkt door het raam naar haar in de sneeuw spelende dochter en man. Ze besluit pannenkoeken te bakken. De feestelijke lunch contrasteert scherp met de leegte die zich binnenin haar uitstrekt: „Het sneeuwt, het sneeuwt in een wereld die naar vanille ruikt, en het jankende geluid van een mixer overstemt een huilbui.” Ze voelt zich ontheemd tussen haar rap opgroeiende dochter en haar verouderde huis, dat al net zo vermoeid lijkt als zij („Op de vliering wonen een paar uitgebluste spoken”). In het heden lijkt ze haast niet te bestaan, daar voelt ze zich leeg, afwezig en verliest ze grip op de tijd: „Deze dag duurt al dagen.”

Haar huisarts raadt haar aan om elke dag op te schrijven hoe ze zich voelt. Zo begint ze te schrijven en verschijnt daar de eerste zin van het verhaal dat we lezen en dan een beschrijving van haar huis. Herkenning! Is dit een manier waarop Iris zich haar leven opnieuw toe-eigent, door zelf de (geïmpliceerde) auteur te worden van het verhaal dat we lezen? Wanneer we lezen over Iris’ droom, valt haar een idee voor een verhaal in, „iets over een bus die uit de stad wegtufte” en lijkt haar schrijfhand óók het deel over het andere personage, M, te omvatten.

Zo’n narratief spel kan als een plottwist werken of anderzijds veelbetekenend zijn voor het verhaal, maar hier, in een verhaal dat niet sterk draait om een plot, is het slechts een kleine suggestie die even snel opkomt als verdwijnt. Het kan interessant zijn om te bedenken hoe deze twee verhalen uit één personage afkomstig kunnen zijn, omdat beide levenslopen in een impasse zijn geraakt: een leven dat afloopt tegenover een leven dat juist wordt opgetuigd. De mogelijkheid wordt opgeworpen en dat lijkt genoeg: het wordt niet verder uitgewerkt of expliciet gemaakt. Het is aan de lezer om het te duiden, er een zeker belang aan te hechten.

Hoe dan ook lijkt er in het schrijven een belofte van verlossing te liggen voor Iris, omdat het een moment is van rust en vrijheid, helemaal voor haarzelf. Het is een bijzondere samenkomst tussen de verhalen van Iris en M, naast de voortdurend dwarrelende sneeuw die veelal vanachter glas wordt aanschouwd.

Doktersbezoeken

M (ook wel Emma) is wat ouder, ze is gepromoveerd op meteorologische fenomenen in de moderne roman. Met de bus reist ze naar het rusthuis waar haar dementerende vader verblijft. Het vernuftige taalspel dat Six opvoert, wordt al duidelijk in de tweede zin: „Op de bus naar het rusthuis leunde M net niet met haar voorhoofd tegen het raam – de kou slechts een gedachtestreepje van haar huid verwijderd.”

Het weergegeven leesteken kun je lezen als millimeters glas. In een associatieve gedachtestroom die doet denken aan Mrs. Dalloway, beschouwt ze de witte buitenwereld die ze passeert en komen we meer over haar te weten. Zo is ze werkzaam bij het Instituut van Taal en Letteren, waar ze verantwoordelijk is voor de digitalisering van het literair archief: ze hangt urenlang boven een scanner, om het algoritme „woorden te voeren”.

Gaandeweg komen we erachter dat het bezoek aan haar dementerende vader een afscheid is en dat het met M zelf ook niet goed gaat: ze is ernstig ziek. Er volgen doktersbezoeken, scans, dwaalroutes door het ziekenhuis, onnodig wachten in verkeerde wachtkamers. Ze raakt op drift, verdwaald in de besneeuwde stad, verdwaald in haar hoofd. Het wachten op het naderende einde en het verliezen van taal, herinneringen en gedachten tot het zover is, is een zwaar en moeilijk proces. Haar leven wordt heimelijk, buiten haar wil of bewustzijn om uitgewist, wat ze omschrijft als ‘De stille terreur van de tijd’. In het laatste deel over M volgen we haar, vastberaden en in de war, op weg naar een laatste, veelbetekenende bestemming, die ik hier niet zal weggeven.

In het wit leest als een melancholisch kleinood. De gedachten van Iris en M dwarrelen dromerig, willekeurig en herhalend, als sneeuwvlokken in het verhaal neer. Er is een zwaarte, dat zeker, maar de sneeuw lijkt de échte confrontatie met de pijn te dempen, heeft een mysterieuze, verzachtende werking op het verhaal. In het wit is een roman die vertraagt en overdenking vraagt. Six speelt vakkundig met taal, in subtiele verwijzingen naar andere auteurs, in de relatie tussen vorm en inhoud (het gedachtestreepje, de witregels, de herhaling) en in prachtig getroffen formuleringen, zoals M zich op een zeker moment voelt over haar aftakelende toestand: „Het woord schaamte was niet klein genoeg; het zou slechts een letter mogen zijn, een minuscule plek om je in te verbergen.” Hoewel het in het boek draait om het verlies van taal (door vermoeidheid, somberte, ziekte), is de vertelling zelf een taalfeest. Six bewijst dat er een grote kracht kan zitten in het kleine en dat er zoveel avontuur te beleven is in een hoofd.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next