Geschiedenis Waar liggen de wortels van een verenigd Europa? In zijn boek De Groote Vrede legt kunsthistoricus en schrijver Wim de Wagt de focus op het interbellum en in het bijzonder op de Nederlandse stemmen die toen klonken.
Economisch comité van de Volkenbond, 1940, voorop de Nederlandse premier Colijn.
Wim de Wagt: De Groote Vrede. Nederlandse voorvechters van een verenigd Europa, 1914-1948. Boom, 477 blz. € 29,90
Vraag naar het begin van de Europese samenwerking en de meeste mensen zullen hun antwoord beginnen met de Tweede Wereldoorlog. Met ‘Nooit meer oorlog!’ in het achterhoofd begonnen Europese politici aan de opbouw van wat we vandaag de dag kennen als de Europese Unie. Maar de wortels van het verenigde Europa liggen in werkelijkheid verder terug in de tijd. Wie goed zoekt, vindt ze al in de veertiende eeuw, maar Wim de Wagt schrijft in De Groote Vrede terecht dat concepten als ‘Europese statenbond’, ‘Verenigde Staten van Europa’ en ‘Europese federatie’ in de tweede helft van de negentiende eeuw ,,met de regelmaat van een gedurig tikkende klok opduiken in boeken, tijdschriftartikelen, lezingen, in de verslagen van vredescongressen en in krantenkolommen.”
In zijn boek legt De Wagt – kunsthistoricus, journalist en schrijver – echter de focus op het interbellum en meer in het bijzonder op de Nederlandse stemmen die toen klonken. Een bonte stoet van ‘Nederlandse Europeanen’ passeert de revue, beginnend in 1914 bij schrijver/uitgever Nico van Suchtelen en eindigend in 1940 bij minister-president Hendrik Colijn. Visionaire vergezichten waren een thema in het hele politieke en maatschappelijke spectrum, van links tot rechts.
De voorvechters van een verenigd Europa kenden elkaar of lazen in ieder geval elkaars publicaties. De Wagt legt de contouren van een internationaal netwerk bloot. Zo kreeg Van Suchtelen waardering van Sigmund Freud en Maria Montessori voor zijn, na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, verschenen brochure Het eenige redmiddel over een Europese statenbond. De gewiekste Van Suchtelen stuurde maar liefst 10.000 exemplaren rond in uiteenlopende vertalingen.
Na de oorlog leek het internationalisme voet aan de grond te krijgen met de oprichting van de Volkenbond. Niet voor niets noemde de in Parijs gevestigde ‘internationalist’ Ebed van der Vlugt het weekblad dat hij vanaf maart 1919 uitgaf Le Monde Noveau / The New World. Maar al snel klonk in de kolommen van dat tijdschrift – en ook daarbuiten – teleurstelling door. Van het verheven ideaal met gelijkberechtiging voor iedereen was niets terechtgekomen: de Volkenbond was een bond van overwinnaars.
Bovendien, zo schreef de Engelse econoom John Maynard Keynes in zijn in Nederland veelgelezen The Economic Consequences of the Peace, was als gevolg van de in de vredesverdragen erkende roep om nationale soevereiniteit meer dan 20.000 kilometer aan nieuwe douanegrenzen ontstaan. Oude economische banden waren doorgesneden. Samen met welig tierend protectionisme had dat een ontwrichtende uitwerking op Europa.
Volgens internationalisten was de oplossing simpel: handelsbarrières moesten verdwijnen, liefst in een verenigd Europa. Het beginselprogramma van de in 1925 opgerichte Nederlandse ‘Vereeniging ter bevordering van de oprichting der Vereenigde Staten van Europa’ (VBOVSE) is terugkijkend erg herkenbaar: één economische ruimte, een centraal bankwezen met één munt, een solidariteitsfonds om de zware schuldenlast van sommige staten te ledigen en één leger. In christen-socialistische en theosofische kringen klonk ook de roep om een Europese politieke partij – ‘Volt avant la lettre’, aldus De Wagt. Hij merkt op dat de Nederlanders over het algemener concreter en moderner waren in hun ideeën dan hun mede-Europeanen.
Overal in Europa ontstonden wat De Wagt ‘lobbyachtige organisaties’ noemt. Naast Nederlandse clubs waren daar bijvoorbeeld ook de Union Douanière Européenne en de Pan Europabeweging van graaf Richard Coudenhove-Kalergi. Het waren vooral burgers die samenwerking bepleitten, want regeringen gaven niet thuis. Het door De Wagt (te) uitvoerig behandelde plan van de Franse premier Aristide Briand voor een ‘federaal verbond’ van Europese staten werd in 1929 enthousiast onthaald, maar bleef uiteindelijk steken in een Frans memorandum en een studiecommissie onder de vleugels van de Volkenbond. In een steeds anti-democratischere atmosfeer werd economische autarkie het toverwoord.
In politiek Den Haag vond men dat het nationaal belang ook in tijden van internationalisering niet uit het oog moest worden verloren. Plus ça change, plus c’est la même chose. Zo was in 1932 in het maandblad ‘Europa!’ te lezen: ,,Het materialisme viert hoogtij en men staat dikwijls versteld van het cynisme dat van jonge lippen komt.” ,,Het hypernationalisme is de plaag van onze tijd”, stelde historicus Johan Huizinga in 1937 bedroefd vast.
Toch was er een kleine groep Nederlanders die tegen de bierkaai bleef vechten. Colijn, die in Nederland vooral bekend staat om zijn starre sociaal-economische beleid, was zeer actief in de Volkenbond en zong daar het hoogste lied over Europese samenwerking. In 1938 – terwijl Hitler, Mussolini, Chamberlain en Daladier in München Tsjechoslowakije slachtofferden – waarschuwde Colijn in een toespraak tevergeefs dat ‘economische isolatie’ tot een nieuwe wereldoorlog zou leiden.
Nederlandse pleitbezorgers waren van mening dat de aaneensluiting van Europa van onderop moest ontstaan om kans van slagen te hebben. Individuen uit het interbellum als Van Suchtelen bereikten echter niets concreets. Maar in zijn epiloog laat De Wagt zien dat een nieuwe generatie Nederlanders na 1945 kon voortborduren op hun noeste arbeid. De Europese beweging herrees als een feniks uit de as. Van Suchtelen was ook weer van de partij en maakte nog net mee hoe leidende politici – al dan niet aangespoord door de Amerikanen – vervolgens wél werk maakten van Europese samenwerking.
In De Groote Vrede geeft De Wagt een zeer compleet beeld van de Nederlandse denkers én hun denken. Daarin schuilt helaas wel meteen ook de zwakte van zijn boek. Er komen veel namen en rugnummers voorbij, soms slechts heel kort, en De Wagt waaiert bij tijd en wijle wat ver uit, bijvoorbeeld met een zijstap naar het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne. Daar tegenover staan trefzekere passages waarin De Wagt van de gebeurtenissen in het interbellum verhaalt en zo de broodnodige context verzorgt. Maar vooral het grote aantal lange citaten met vaak dezelfde boodschap maakt dat het boek niet altijd lekker wegleest.
Dat is jammer. Want in onze tijd waarin nationalisme en protectionisme weer in de mode zijn, is zorgen – om De Wagt te parafraseren – dat Europa een sterk, gezond en harmonieus werelddeel blijft dat opgewassen is tegen de economische en militaire uitdagingen van buitenaf nog steeds een wenkend perspectief. Net als in het interbellum kan Europa twee kanten op. Het is te hopen dat vurige voorvechters van een verenigd Europa nu net zo vasthoudend zijn.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC