Biografie In Altijd te paard geeft biografe Iris Pronk een helder, veelomvattend beeld van wie Renate Dorrestein was en waar ze voor stond, als romanschrijver, maar vooral ook als opiniërend columnist.
Renate Dorrestein in 1995.
Iris Pronk: Altijd te paard. Renate Dorrestein (1954-2018). Querido, 528 blz. € 34,99
„Handgeknoopte baarmoeders, gebreide kutten en gemakrameede maandverbanden”: daar moest Renate Dorrestein (1954-2018) niets van hebben. In Altijd te paard geeft biografe en Trouw-redacteur Iris Pronk een helder, veelomvattend beeld van wie Dorrestein was en waar ze voor stond, als romanschrijver, maar vooral ook als opiniërend columnist. Strijdbaar feministe was ze zeker, maar ook een onafhankelijk denker. Het „verplichte zusterschap” waar een deel van de vrouwenbeweging voor stond, beviel haar niet. Vrouwen waren voor haar niet per se betere mensen dan mannen. Solidariteit was mooi en voor gelijke kansen sprong ze vurig op de bres, maar collectivisme kon te ver gaan. In haar Opzij-column uit maart 1983 verwoordde ze dat zo: „[I]eder warhoofdig vlugschrift vol spelfouten […] moet doorgaan voor grensverleggende literatuur, iedere fout gemixte grammofoonplaat vol onverstaanbare onzin moet ons Beethoven terzijde doen schuiven, iedere Bewust Ongelukkige vrouw moet omhelsd worden als een kostbaar specimen van onze soort.” Het is heel boeiend te lezen over de tijd dat zulke opvattingen opgang deden. Pronk geeft een prachtig tijdsbeeld door Dorresteins wedervaren nauwgezet te volgen. In het kloeke Altijd te paard volgt ze haar leven grondig, zowel chronologisch als thematisch.
Wat een doorzetter, die Dorrestein. Wie wil die kan, leerde ze als kind al van de nonnen op school; „Te paard en vooruit ermee!” luidde later haar lijfspreuk. Direct na haar eindexamen ging ze uit huis, waarna ze zich bekwaamde in het vak als leerling-journalist bij uitgerekend het mannenbolwerk Panorama. Het lef dat haar hele leven kenmerkte had ze al: ze solliciteerde bijvoorbeeld als prostituee en maakte daar dan een stuk over. In 1973 kreeg ze een vast contract, al had hoofdredacteur Gerard Vermeulen nog wel een vraagje: „Maar meisje, hoe moet het dan met de maandstonde?”
Als journalist rees sindsdien Dorresteins ster, maar met de manuscripten voor romans die ze daarnaast schreef schoot het aanvankelijk niet op. Meermalen werden haar verhalen door uitgevers afgewezen. Maar sinds ze in 1983 dan eindelijk debuteerde met de roman Buitenstaanders verscheen er haast elk jaar een boek van haar. Ze was een van de weinige Nederlandse schrijvers die van de pen konden leven.
In het voorwoord kenschetst Pronk Dorresteins romans als „boosaardige, feministische sprookjes, met klassiek gothische elementen als vampiers en kerkhoven, waarin de personages allerlei vreselijks overkomt”. Opsluiting, mishandeling, verkrachting en moord met hier en daar een spook: veel critici zagen er weinig in, ze vonden de verhalen dikwijls te vet dan wel te licht. Dorrestein haatte hen erom. Pronk noemt al haar vijfendertig titels en stipt ook telkens de ontvangst aan, maar duidt niet echt Dorresteins plek in de Nederlandse literatuur. Ze noemt wel een aantal buitenlandse auteurs die van invloed zijn geweest op Dorrestein, zoals Kurt Vonnegut, Fay Weldon, J.D. Salinger en Helen Fielding. De indruk groeit dat Pronk Dorrestein vooral een ‘effectief’ auteur vond, een eenling, een vakvrouw. Op de stijl van de romans en op of Dorrestein navolging kreeg, gaat ze nauwelijks in.
Wel wordt duidelijk dat Dorrestein al schrijvend vooral bezig was met wat de lezer wenste. Ze wist heel goed hoe ze een verhaal boeiend hield, door steeds vragen op te werpen en de antwoorden uit te stellen. Ze had veel trouwe fans, onder wie Kristel Peters, een docente Nederlands die haar vlak voor haar aangezegde dood (aan slokdarmkanker) een brief schreef over hoe belangrijk en baanbrekend haar werk was en eregast was op de laatste boekpresentatie. Dorrestein, vertelde ze aan Pronk, had „het glazen plafond van de literatuur” doorbroken, laten zien dat vrouwen „hoofdpersonages kunnen zijn, daders, dat ze slim en actief zijn, ideeën hebben. Een groot verschil met het werk van Harry Mulisch.” Of Pronk dat onderschrijft wordt niet helemaal duidelijk, maar ze toont wel hoezeer Dorrestein in sommige opzichten haar tijd vooruit was, bijvoorbeeld in haar smaak voor vertalingen en in haar afkeer van het dedain voor zowel vrouwelijke lezers als vrouwelijke hoofdpersonen – dat speelt nu nog.
Over de bron van de gruwel in haar romans bleef Dorrestein zelf vaag. Er zou niets autobiografisch zijn aan de doodenge gezinnen die ze schiep, haar verhalen kwamen „uit de kosmos” tot haar. Braaf, burgerlijk en rooms was het bij haar thuis als kind. Maar uit Altijd te paard blijkt dat het gezin waar ze zelf in opgroeide uiterst onveilig was. Ze had een labiele moeder, waardoor zij en de andere twee dochters zich onveilig voelden (de zoon was de oogappel), bovendien was haar vader vaak afwezig en een alcoholist. Als kind wilde Dorrestein nog liever de hele zomervakantie opgesloten op de school-wc zitten dan naar huis te gaan. Zo bezien is het niet vreemd dat het gezin in haar werk steevast een „concentratiekamp achter de voordeur” is – zelf moest ze er niet aan denken ooit samen te wonen en kinderen te krijgen. Getrouwde vrouwen vergeleek ze meermalen met „moffenhoeren”. Bruiloften, zelfs die van haar beste vriendin, meed ze – al trouwde ze op het eind van haar leven alsnog.
Ook van andere vaste thema’s in haar romans, zoals schuld en schaamte, maakt Pronk duidelijk hoe ze voortvloeien uit, of op zijn minst sterk samenhangen met haar eigen geschiedenis, met name uit de verwarde gevoelens rondom de zelfmoord van haar begaafde jongere zus. Ook nadat Dorrestein daar een autobiografisch boek aan wijdde (Het perpetuum mobile van de liefde, 1988), doolde haar zus nog lang als „een boosaardige muze” door haar werk. Onderbelicht blijft Dorresteins geloof. Caroline van Tuyll, die jarenlang haar beste vriendin en redacteur was, noemt haar „heel spiritueel”, „erg gelovig” en „erg katholiek”. Als een andere hartsvriendin jong sterft schrijft Pronk „voor het eerst wankelde Renates geloof in God”. Maar van dat innige geloof krijg je in Altijd te paard nauwelijks een beeld.
Hoe persoonlijke ervaring doorklinkt in haar fictie blijkt, schrijft Pronk, uit de romans die Dorrestein schreef nadat ze lang ziek was geweest. Het vermoeidheidssyndroom ME, waar ze vanaf 1991 ruim tien jaar aan leed, maakte van haar een empathischer schrijver, met meer compassie voor en nuance in haar personages. In haar Boekenweekgeschenk Want dit is mijn lichaam uit 1997 hekelde ze het maakbaarheidsgeloof. De personages denken zichzelf te kunnen vormen, „de boel in de knuisten te houden”, maar nee: aan verval, ziekte, noodlot ontkomt niemand. Daartegen vechten heeft geen zin. Het is een opmerkelijke ontwikkeling voor iemand die van jongsaf aan geloofde dat knokken voor wat je wilt het devies was.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC