Modeontwerper Lisa Konno maakt alles behalve kledingcollecties: keramiek, films, tentoonstellingen en nu een voorstelling met Het Nationale Ballet. „Kleding kan zowel een bevrijding als een beperking zijn.”
„Wist je dat porselein van alle keramiekvormen het mooiste geluid maakt?” vraagt Lisa Konno. Ze steekt haar arm in een lange handschoen waaraan honderden porseleinen kralen en staafjes bungelen. Kling! Kling! Klingeling!, klinkt het als ze haar arm beweegt.
„Hoe hoger de temperatuur waarop je het porselein bakt, hoe hoger het geluid”, zegt ze. Dat leerde ze toen ze eerder dit jaar een paar weken artist in residence was bij het Europees Keramisch Werkcentrum in het Brabantse Oisterwijk. „Tot een bepaalde hoogte, daarna slaat het dood.”
Het zijn niet zomaar geinige feitjes voor kunstenaar Lisa Konno (33). Ze werkt aan een dansvoorstelling in samenwerking met Het Nationale Ballet. Figure zal begin november in Amsterdam in première gaan. En de rinkelende, tikkende en krassende geluiden die haar ontwerpen maken – allemaal een combinatie van textiel en keramiek – zijn het uitgangspunt.
Handschoenen met porseleinen staafjes
Keramieken schoenen
Het is het zoveelste nieuwe pad dat Lisa Konno inslaat. Ze is opgeleid als modeontwerper, maar gaat te werk als autonoom kunstenaar. De ene keer is het resultaat een modeshow, andere keren een film, een tentoonstelling of een performance. Het Kunstmuseum in Den Haag, het Textielmuseum in Tilburg en het Centraal Museum in Utrecht hebben werk van haar aangekocht. In 2018 won ze de Young Designer-prijs bij de Dutch Design Awards.
Wat ze ook maakt, het heeft altijd iets met mode te maken. Die interesse dankt ze aan haar Eindhovense oma, een coupeuse die trouwjurken maakte. „Als je in een tijdschrift een kledingstuk aanwees kon zij het zo, hup, namaken.” Als kind ging Konno vaak een weekend bij haar logeren en als ze terugkwam kon ze iets nieuws naaien. „Vanuit dat enthousiasme heb ik voor een modeopleiding gekozen. Ik begon er heel naïef aan, ik wist eigenlijk niks over de modewereld.”
Toen ze in haar derde jaar zat op ArtEZ, de Arnhemse kunstacademie, vond de Rana Plaza-fabrieksramp plaats in Bangladesh, waarbij meer dan 1.100 arbeiders omkwamen. „Die beelden maakten enorme indruk op me. Vanaf dat moment ben ik kritischer naar de modewereld gaan kijken. Nu kent iedereen de negatieve kanten van de modeindustrie, toen werden die nog niet zo belicht.” Toen ze voorstelde haar afstudeercollectie helemaal van gerecyclede materialen te maken zeiden haar docenten: zou je dat nou wel doen? „Heel normaal tegenwoordig, maar destijds vonden ze het nog een geitenwollensokkenverhaal. Ik heb het toch gedaan.” Na haar afstuderen ontwierp ze een weer helemaal van gerecyclede materialen gemaakte collectie genaamd For The Workers, met foto’s van de fabrieksramp in Bangladesh in de prints verwerkt. Die showde ze tijdens Amsterdam Fashion Week in 2015.
Het jaar erna stond ze daar weer, nu met een collectie waarvan na afloop alleen de patronen te koop waren – geïnteresseerden moesten de kledingstukken maar zelf in elkaar zetten. Ze hoopte het publiek bewuster te maken van het vakmanschap dat achter kleding schuilgaat. „Na twee keer zo’n statement maken tijdens die modeweek was ik er wel weer klaar mee. Ik wilde niet elke keer een hele collectie eruit pompen. Dat voelde stressvol en overbodig. Ik wilde me ook niet bezighouden met: wie gaat dit kopen?” Op zoek naar andere manieren om haar ontwerpen te laten zien, kwam ze uit bij films die het midden houden tussen documentaires en esthetische modefilms.
Lisa Konno in haar studio
Dat begon met Nobu (2018), een film over haar vader, Nobuaki Konno, die werd geboren in Japan en op zijn tweeëntwintigste naar Nederland verhuisde. In de film stelt ze hem vragen over zijn leven als migrant en over de cultuurverschillen die hij is tegengekomen, terwijl hij kleren draagt die ze heeft ontworpen met hem als inspiratiebron. „Het idee dat je als modeontwerper ook een film kan maken en dat die film het eindproduct is dat de consument tot zich neemt in plaats van kleren, voelde bevrijdend.”
Nobu werd een drieluik (in samenwerking met regisseur Sarah Blok), want in 2019 volgde Baba en in 2022 Henk, over nog twee vaders met een migratieachtergrond. „Ik begon mode steeds meer te zien als een tool om heel persoonlijke verhalen te vertellen die raken aan universele thema’s.” Tussendoor maakte ze Good Will Dumping (2019), een documentaire waarin ze liet zien wat voor schade onze afgedankte en via kledingbakken gedoneerde kleren aanrichten in Afrikaanse landen. Haar films waren te zien bij de VPRO en BNNVARA, en op het IFFR en andere internationale filmfestivals.
Eén wand in Konno’s studio, een voormalig schoolgebouw in Amsterdam-West met gigantische ramen, hangt vol met schetsen en foto’s van fittings voor de dansvoorstelling. Het idee ervoor ontstond toen ze vorig jaar haar eerste solotentoonstelling opbouwde: The Porcelain Body in Museum Jan in Amstelveen, waarvoor ze ook al porselein met mode combineerde. Daar vielen de geluidjes die haar ontwerpen maakten als ze ze verplaatste haar op. Ineens dacht ze: zou het niet leuk zijn om dat in een performance te verwerken?
Ze benaderde de programmeur van Het Nationale Ballet zelf met een idee: wat als mode het uitgangspunt van een dansvoorstelling is en de dans en de muziek zich voegen naar de kleding?
Dat het een coming-of-age verhaal moest worden, wist ze meteen. Ze wilde laten zien hoe de band die vrouwen met kleding en hun uiterlijk hebben steeds verandert tijdens verschillende levensfases. „Kleding kan zowel een bevrijding als een beperking zijn.”
De kinderfase verbeeldt ze als een „speelse verkleedfase”, met maskers gemaakt van keramiek. De dansers moeten die zelf vasthouden, wat weer invloed heeft op de choreografie van Peter Leung, die tot 2016 zelf bij Het Nationale Ballet danste.
De handschoenen waar porseleinen kraaltjes en staafjes aan hangen zijn onderdeel van het hoofdstuk puberteit. Volgens Konno „de fase waarin je jezelf soms wil laten zien en soms juist verstoppen”. Bewegen de dansers uitbundig, dan maken de handschoenen – en bijpassende beenwarmers – veel geluid. Houden ze de kralen tegen hun lichaam aangeklemd, dan blijft het stil.
Op de campagnefoto – geschoten door Paul Kooiker, een fotograaf die net als Konno tussen mode en kunst beweegt – is het meest beperkende kledingstuk te zien: een grote keramieken rok, zo zwaar dat-ie alleen maar stil kan staan op het podium. „De dansers kunnen alleen hun armen en bovenlijf bewegen.”
Een jurk met open zijkanten
Ontwerp voor Het Nationale Ballet
In een scène uit de ouderdomsfase loopt een danser op keramieken schoenen met zulke hoge hakken dat ze ondersteund moet worden door andere dansers. „Dat gaat over hoe de modewereld vrouwen steeds nieuwe schoonheidsidealen oplegt.”
Konno heeft de kostuums in haar eentje bedacht en gemaakt. „Het ballet bemoeit zich niet met wat ik maak. Ik mag doen wat ik wil.” Tijdens het gesprek, begin oktober, heeft Konno nog niets van de choreografie gezien. Pas drie weken voor de première beginnen de repetities. Wel is er een eerste doorpassessie met de dansers geweest en heeft ze met choreograaf Leung gespard. „We hebben de grote lijnen bepaald: hier danst één danser alleen, daar dansen drie dansers samen – dat soort dingen.”
In Konno’s werk zijn vaak Japanse invloeden te zien: grote, bedekkende silhouetten, heldere lijnen, dito kleurgebruik, veel handwerk. „Japan is mijn tweede thuis”, zegt ze. „We gingen er vroeger elke zomer naartoe om mijn oma en mijn ooms en tantes op te zoeken. Het westen idealiseert Japan enorm, maar ik heb er net zo’n haat-liefdeverhouding mee als met mode. Dat maakt het voor mij ook interessant, als ik iets alleen haat of alleen geweldig vind kan ik er geen werk over maken.”
Ze omschrijft de cultuur als seksistisch en macho. „Als klein meisje merkte ik al dat ik minder ruimte mocht innemen dan mijn broer. Van mij werd verwacht dat ik minder praatte, minder at en m’n mond bedekte als ik lachte. Tegelijkertijd hou ik van de collectivistische gedachte achter veel Japanse normen en waarden zoals de extreme beleefdheid en gastvrijheid.”
In Nobu, de film over haar vader, drijft ze de spot met esthetische clichés die terugkomen als ontwerpers zich laten inspireren door Japan. Ze liet hem door een decor van gigantische origami-tulpen lopen en plakte uitvergrote versies van de bloemen die je vaak op kimono’s ziet als patches op T-shirts die haar vader bij karatekampioenschappen heeft gekregen.
Lees alle stukken
Dat schoonheidsidealen subjectief zijn, leerde ze dankzij die bezoeken aan Japan al jong. „Dan was daar een nichtje met een heel witte huid en zeiden alle mensen aan tafel: wáááuw, wat ben je mooi wit. Als ik aan het eind van de zomer weer terugkwam in Nederland en er zat iemand aan tafel die net terug was van een strandvakantie, dan zei iedereen: wáááuw, wat ben je mooi bruin.”
In haar tentoonstelling The Porcelain Body reflecteerde ze vorig jaar op de schoonheidsidealen in zowel Japan als Nederland. Ze kwam op dat idee tijdens een residentie in Arita, de porseleinhoofdstad van Japan. Daar worden mensen uit allerlei creatieve disciplines uitgenodigd om kennis te maken met porselein. Konno maakte er onder meer zwarte mondbitjes, geïnspireerd op de vrouwen van samoerais die vroeger hun tanden zwart lakten. En varianten op Okame-maskers, die symbool staan voor een nogal conservatief idee van de perfecte huisvrouw.
„Ik vind het fijn om steeds onwetend in een nieuwe discipline te stappen”, zegt ze. „Daardoor doe je dingen die je niet zou doen als je er wel verstand van had. Zo ontstaan er nieuwe dingen.”
Figure is de eerste keer dat ze iets met dans doet. „Podiumkunsten hebben iets magisch: alles moet op dat ene moment gebeuren. Dat, in combinatie met het keramiek, zorgt ervoor dat ik wel eens wakker lig van de spanning. Wat nou als er op de eerste avond iets kapot valt?”
Figure. 6, 7, en 8 november 2025 en 30 en 31 januari 2026, Studio Boekman, Nationale Opera & Ballet, Amsterdam. operaballet.nl
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC