Ronald Venetiaan diende drie termijnen als president van Suriname, in de periode tussen 1991 en 2010. Hij erfde een land in chaos, door het wanbeleid van zijn voorgangers, maar wist Suriname uit de modder te trekken met pragmatisch en bedachtzaam beleid. Venetiaan overleed woensdag op 89-jarige leeftijd.
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
Je zou er bijna een symbolisch heengaan in zien: het overlijden van Ronald Venetiaan, oud-president van Suriname, aan de vooravond van de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van zijn land.
Zijn politieke loopbaan liep vrijwel parallel aan de volwassenwording van Suriname, dat hij als minister, vakbondsleider, leraar, nationalist, dichter en vooral als staatsman mede vormgaf – behoedzaam, bedachtzaam, en met de overtuiging dat rust, eenvoud en onderwijs de sleutel tot zo ongeveer alles in het leven vormden. Op woensdag 5 november 2025 is Runaldo Ronald Venetiaan vredig ingeslapen, omringd door naasten, 89 jaar oud.
Geboren op 18 juni 1936 in het plattelandsdistrict Para, was Venetiaan de enige zoon van Mathilda Sno en Paulus Venetiaan. Zijn vader was als houtkapper vaak langere periodes achtereen van huis.
Venetiaan kon goed leren. Hij ging naar school bij de Tilburgse fraters in Paramaribo, haalde uitmuntende cijfers en kreeg in 1955 een beurs om te studeren in Nederland. Hij koos wis- en natuurkunde aan de Universiteit Leiden.
In Oegstgeest deelde hij een etage met zijn Surinaamse oud-klasgenoot Hans Prade. Venetiaan speelde gitaar, schreef poëzie en ontmoette in die tijd ook zijn toekomstige echtgenote Liesbeth Vanenburg (die ook in Nederland studeerde), met wie hij vier kinderen kreeg en tot zijn dood samenbleef. In 1964, na zijn promotie, keerde hij terug naar Suriname.
In Leiden ontwaakte ook zijn politiek bewustzijn. De dekolonisatie en (Amerikaanse) burgerrechtenbeweging van de jaren vijftig en zestig , met mensen als Malcolm X, beïnvloedden zijn denken blijvend. Hij sloot zich aan bij een Surinaamse studentenvereniging die heimelijk het in Nederland verboden Wij slaven van Suriname van Anton de Kom verspreidde. De ideeën over trots, Surinaamse en zwarte eigenwaarde en zelfbeschikking zouden zijn wereldbeeld bepalen. Venetiaan bleef altijd een trotse, zelfstandige Surinamer: wars van koloniale betutteling en bemoeienis.
Terug in eigen land werd hij wiskundeleraar en later schooldirecteur – een bevlogen docent die zijn leerlingen aanspoorde verder te denken dan de lesstof en vooral James Baldwin te lezen. Hij groeide uit tot vakbondsleider in het onderwijs, bekend als een bedachtzame maar standvastige onderhandelaar.
In 1973 vroeg toenmalig premier Henck Arron hem minister van Onderwijs te worden. Zijn partij verzette zich tegen de door Nederland in te rap tempo ingezette route naar onafhankelijkheid. Met gemengde gevoelens stond Venetiaan in 1975 bij de onafhankelijkheidsviering van Suriname aan de zijde van de eerste president Johan Ferrier.
De jonge republiek was broos. In 1980 pleegde legerleider Desi Bouterse een staatsgreep. Venetiaan verloor zijn functie en kreeg maandenlang huisarrest. De vernedering van die tijd tekende hem, en zijn levenslange verhouding tot Bouterse.
Toch keerde Venetiaan terug in de politiek, altijd meer gedreven door plichtsgevoel dan ambitie. In 1991 werd hij voor het eerst gekozen tot president. Hij erfde een land in chaos: een verwoeste economie, een politiek verscheurde samenleving, en een leger dat nog altijd dacht de baas te zijn. Stap voor stap herstelde Venetiaan de rechtsstaat, plaatste het leger onder civiel gezag en bracht orde in de financiën. De munt stabiliseerde, de staatsschuld werd afgelost.
Sommigen noemden hem te voorzichtig, maar hij koos liever de correct uitgedachte weg dan de snelle. Dat hij in zijn eenvoudige woning die hij als jonge leraar had betrokken bleef wonen, nam hem voor de bevolking in. Met aan zijn zijde de charmante, geliefde ‘ first lady’ Liesbeth Venetiaan. Hij maakte lange dagen: het licht brandde vaak nog tot na middernacht in het presidentieel kantoor.
Zijn bedachtzame, soms cryptische manier van spreken, bezorgde hem een reputatie van traagheid, maar ook integriteit. ‘Hij spreekt ingewikkeld, omdat hij niets ondoordachts wil zeggen’, zei de Surinaamse journalist Rudi Kross eens.
Drie termijnen diende hij zijn land (1991–1996, en een dubbel termijn van 2000–2010), waarin hem de ondankbare taak wachtte van ‘puinruimer’, van het financieel wanbeleid van zijn voorgangers. Steeds weer trok hij Suriname uit de modder, zonder de lof te oogsten die charismatische showmannen als Bouterse of Wijdenbosch (die het volk als geheugensteuntje een naar zichzelf vernoemde brug schonk) wel kregen.
Onder zijn presidentschap werden de fundamenten van de democratie opnieuw gelegd. In 2000 voorkwam hij dat de Decembermoorden van 1982 (op vijftien prominente Surinamers, journalisten, advocaten, vakbondsleiders, academici, onder wie vrienden van Venetiaan) zouden verjaren, een juridische stap die later leidde tot Bouterses veroordeling. Maar ook daarin bleef hij gematigd: verzoening zonder wraak, recht zonder haat.
Zijn verhouding tot Nederland bleef complex. Venetiaan verwierp de neerbuigende toon waarmee Den Haag zich soms in Surinaamse zaken mengde. De ‘100-procentscontroles’ op Schiphol noemde hij ‘onmenselijk en barbaars’. Toen een Surinaamse vrouw bij zo’n controle een miskraam kreeg, weigerde hij in 2006 een bezoekende Nederlandse minister te ontvangen. Toch bleef hij realist: Suriname kon niet zonder samenwerking. Zijn diplomatie laveerde behoedzaam tussen trots en pragmatiek.
Hij bleef tot het laatst een moreel kompas van zijn partij. Toen de NPS (Nationale Partij Suriname) dit jaar een coalitie sloot met Bouterse’s NDP, oordeelde hij scherp: ‘Wat nu gebeurt, is verschrikkelijk voor de partij en het land.’ Hij kondigde, principieel als altijd, zijn vertrek aan.
Ronald Venetiaan overleefde zijn oude rivaal Bouterse met een klein jaar. Alsof hij zijn land pas kon loslaten toen hij zeker wist dat diens schaduw verdwenen was. Oud-president Chan Santokhi noemde Venetiaan ‘een persoonlijke mentor’. Velen spraken van heimwee naar zijn rustige, degelijke stijl van besturen: zonder charisma of spektakel, maar met betrouwbaarheid, zuiverheid en bescheidenheid.
Zijn laatste wens was tekenend: geen staatsbegrafenis. Hij wilde geen regeringsbetrokkenheid bij zijn uitvaart, zeker niet van de NDP. ‘Een principieel statement vanuit het graf’, noteerde een Surinaamse journalist. Ronald Venetiaan laat een natie achter die nog altijd zoekt naar evenwicht, waardigheid en de rust die hij belichaamde.
Buitenspelen mocht hij niet van zijn strenge katholieke moeder. Twee kinderen had zij al verloren, Ronald werd ‘voorzichtig opgevoed’, beschermd en met plichtsbesef. ‘Als er iets moest glimmen, zorgde ik ervoor dat het glom’, zou hij later tegen Dagblad Suriname zeggen.
Naast staatsman was Venetiaan dichter. Onder de naam ‘Vene’ schreef hij geëngageerde poëzie. In 1968 noteerde hij over de doorwerking van slavernij: ‘Er is één grote verrader/ de tijd/ een dolle wals/ die de grootste misdaden begraaft/ in het stof van het verleden/ terugplaatst/ in de rij van de kleine/ die onschuldigen zijn geworden’
Zijn integere bestuursstijl leverde hem de bijnaam ‘de man met de tien schone vingers’ op. Aangezien hij zich niet schuldig maakte aan het aannemen van steekpenningen, aan zelfverrijking of cliëntelisme – een zeldzaamheid in de Surinaamse politiek.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant