De Nederlandse staat hoeft zich niet harder in te spannen om genocide en Israëlische oorlogsmisdaden in de Palestijnse gebieden te voorkomen. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag donderdag geoordeeld.
is verslaggever van de Volkskrant en schrijft over asiel, migratie en de multiculturele samenleving.
Volgens het hof bestaat er weliswaar een ‘ernstig risico’ dat Israël genocide pleegt, maar heeft de staat ‘ruime beleidsvrijheid’ om daar consequenties aan te verbinden. Het is, zo luidt de conclusie, niet aan de rechter om te bepalen wat de staat precies moet doen om genocide en mensenrechtenschendingen te voorkomen.
De zaak was aangespannen door een coalitie van tien organisaties, waaronder de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al-Haq, Een Ander Joods Geluid en Stichting European Legal Support Center (ELSC). Ze baseerden hun aanklacht op het genocideverdrag en de Geneefse Conventies. Die verplichten landen om oorlogsmisdrijven en genocide elders te helpen voorkomen.
De organisaties willen dat alle Nederlandse wapenexport naar Israël wordt verboden. Ook de export van zogeheten dual-use goederen (spullen die zowel civiel als militair kunnen worden gebruikt) moet aan banden worden gelegd, evenals in Nederland gefokte honden die door het Israëlische leger worden ingezet.
Tot slot eisten ze dat Nederlandse bedrijven geen zaken meer mogen doen in de door Israël bezette gebieden. Het gaat dan bijvoorbeeld om Booking, dat woningen van kolonisten op de Westelijke Jordaanoever te huur aanbiedt.
De eisers wezen op een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof (ICJ). Het hof oordeelde in juli vorig jaar, in een niet-bindend advies, dat de aanwezigheid van Israël in Palestijns gebied illegaal is en dat alle 700 duizend kolonisten zich moeten terugtrekken uit de nederzettingen. Het hof oordeelde ook dat derde landen niet mogen bijdragen aan het in stand houden van de illegale nederzettingen, bijvoorbeeld door het onderhouden van economische banden.
Afgelopen december verloren de eisers een kort geding en gingen in hoger beroep. Maar het hof kwam donderdag tot eenzelfde conclusie: de staat houdt bij het verlenen van exportvergunningen voldoende rekening met de risico’s dat goederen gebruikt worden voor oorlogsmisdaden of het plegen van genocide. Er zijn al verschillende vergunningen ingetrokken, een totaalverbod is daarom niet nodig.
Voor wat betreft de honden concludeert de rechter dat er geen wetgeving bestaat die de uitvoer kan verbieden. Dat kan alleen als de Europese Unie de dieren als dual-use goederen definieert en dat is niet het geval.
De rechter erkent verder dat Nederland zich actief moet inspannen om te voorkomen dat bedrijven handel drijven met de illegale nederzettingen. Maar, zo concludeert het hof, het Internationaal Gerechtshof zegt niet op welke manier dit dient te gebeuren: ‘Het is aan de individuele staten om te bepalen welke stappen zij daartoe zetten.’
Het Nederlandse ‘ontmoedigingsbeleid’, waarbij de staat bedrijven aanraadt geen zaken te doen met illegale nederzettingen, schiet volgens de eisers tekort. Maar dat is volgens de rechter onvoldoende aangetoond.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant