Home

Even was ik weer zes en zat ik tussen mijn ouders, ‘Het klokhuis’ op tv

Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

De eerste keer is in een televisiestudio. Ik ben tweedejaarsstudent en doe mee aan

de blufquiz die hij jaren eerder heeft bedacht en nog altijd presenteert. Tussen de opnames richt hij plots het woord tot me. Een vreemde gewaarwording, wanneer iemand die je al je hele leven kent, wiens stem en gezicht je in uiteenlopende gedaanten bij je draagt, van koetsier Jan Toereloer tot To (van Ta) en Lei de Tinnegieter, plots tegen je begint te praten, ook al zit hij aan dezelfde tafel. Het is alsof je jeugd je rechts inhaalt en naar je wuift. Dacht je dat ik weg was?

Zijn rollen hebben me altijd een beetje angst aangejaagd. Maar: lekkere angst, een angst die je met plezier ondergaat. Erik Engerd uitgezonderd. Zodra die in beeld

kwam, moest de tv uit.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Hij heeft, zegt hij, en buigt zijn rug nog wat krommer, een verhaal van me gelezen, kan dat? Zijn stem kraakt nog meer dan op tv. Op dat moment heb ik exact één verhaal gepubliceerd, dus: ja, het kan.
‘Mán!’ roept hij, ‘wat doe je dan hier? Schrijven!’

De aflevering eindigt met een beslissingsvraag. Ik druk het snelst. Dit wordt ’m. Mijn eerste en ongetwijfeld enige tv-quizwinst. ‘Sydney!’

‘Dát kán ik helaas NIET goed rekenen.’ Het goede antwoord is Melbourne.’

Sindsdien kwamen we elkaar sporadisch tegen. Altijd had hij een hartelijke en persoonlijke opmerking voorradig, vaak gevolgd door een snufje kritiek, ingeklemd

tussen twee gruizige lachjes. Die kritiek vatte ik op als compliment.

De man die me mijn leven lang vergezelde, via sketches, rollen, liedjes, voordrachten, columns, tv- quizzen; de man die vanaf mijn kleutertijd zo vanzelfsprekend bij mijn leven hoorde dat hij in mijn onderbewuste was vastgeklonken, met die stem die gemaakt was om voor te dragen, en die oogopslag die in sommige van zijn rollen duister of juist uitgesproken naïef of melancholisch was, maar, wanneer de rollen gespeeld waren en hij op zijn eigen teksten aangewezen was, vooral vriendelijk was, en gul, en vol interesse in van alles en nog wat. Díe man, die had kennelijk ook even aan mij gedacht.

Eén keer zag ik hem van dichtbij aan het werk. In een minuscuul Vlaams

wielermuseum werd een rubriek voor een tv-programma opgenomen. Aanwezig: een regisseur, een cameraman en de acteur die de verhalen vanaf de autocue zou

voorlezen. En ik, die die teksten geschreven had. Veel hoefde ik die dagen niet te doen.

Ik zat op een kistje, eerste rang om te zien hoe hij ook in de dufste zin leven

blies. De een na de ander, de hele dag door. Zo moet het, dacht ik – al kon ik niet formuleren wat dat ‘het’ dan was. Even was ik weer 6 en zat ik tussen mijn ouders, Het klokhuis op tv.

De laatste jaren mailden we af en toe. Over hoe het ging, over wie de Tour ging winnen en over welke boeken we lazen. Zijn laatste tip: ReinAard van Tom Lanoye.

Het moet merkwaardig zijn om in talloze levens een vanzelfsprekende aanwezigheid te vormen, je te realiseren dat miljoenen mensen die je uit de verte kennen, zich door

jouw aanwezigheid, ergens, weten zij veel waar, geborgen voelen.

Zelf achtte hij zich een subtopper. Maar, zei hij dan: subtoppers winnen op goeie dagen grote koersen. Of in de woorden van een van zijn (vele) lievelingsdichters, Jan van Nijlen: ‘Wees vooral niet verbaasd dat langs gewone bomen, een doodgewone trein u voert naar ’t hart van Rome.’

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next