Home

Soms maakt jeugdzorg de problemen erger. ‘Waarom konden al die hulpverleners mijn zusje niet helpen?’

Jeugdzorg Donderdag begint de zaak tegen de pleegouders van een zwaar mishandeld meisje uit Vlaardingen. Het is niet de enige zaak waarin jeugdbescherming onder vuur ligt. Hoe moet het nu verder? Simpele oplossingen zijn er niet, wel zegt iedereen: praat mét het kind, niet erover.

Pricilla de Boer werd vertrouwenspersoon voor haar zusje. Zij werd JIM, ofwel Jouw Ingebrachte Mentor.

Vier jaar geleden waren jeugdhulpverleners het zusje van Pricilla de Boer (29) uit Nijmegen komen weghalen. „Omdat het bij mijn ouders zogenaamd niet veilig was.” Het zusje, veertien jaar oud, was uit angst uit een raam gesprongen, een dag lang onvindbaar geweest en getraumatiseerd geraakt door de bejegening van de hulpverleners. De Boer: „Dat was het moment waarop ik dacht: zo kan het niet langer, dit is bizar, zo mag je niet met mijn zusje en mijn ouders omgaan, ik zeg stop.”

Ze schreef een lange brief aan de kinderrechter. Het gezin met acht kinderen kreeg daarop vrijwillige hulp en, het allerbelangrijkste, het meisje mocht haar zus Pricilla aanwijzen als vertrouwenspersoon. Zij werd JIM, ofwel Jouw Ingebrachte Mentor, die ondersteuning krijgt van professionele hulpverleners. „Dat heeft het leven van mijn zusje gered. Ze zat in de puberteit, gebruikte drugs, was beïnvloedbaar en onzeker, en had verkeerde vrienden. Ze zei nooit iets, ze was bang voor hulpverleners die haar als een soort crimineel met gedragsproblemen zagen. Vanaf het moment dat ik haar mentor werd, is het balletje gaan rollen. Ik was voor politie en hulpverleners niet langer de brutale zus die zich niet met haar mocht bemoeien en haar mond moest houden. Ik was belangrijk en er werd voortdurend gezegd: ‘Wat fijn dat jij jouw zus ondersteunt’.”

Inmiddels gaat het volgens De Boer goed met haar zusje. „Ze is weer vrolijk. Ze is bezig met de toekomst. Ze is niet meer dat onzekere meisje. Ze kijkt je aan, ze lacht naar je. Ze is vriendelijk voor anderen. Met het hele gezin gaat het beter. En het enige wat ik daarvoor heb hoeven doen, is haar de ruimte geven, met haar praten, haar steunen. Waarom konden al die hulpverleners dat niet?”  

Haar relaas illustreert dat er veel mis is met het huidige systeem van jeugdhulp en jeugdbescherming, maar ook wat er met relatief eenvoudige ingrepen kan worden verholpen. De jeugdbescherming ligt al jaren onder vuur, bijvoorbeeld door misstanden – tot verkrachtingen aan toe – in instellingen voor gesloten jeugdzorg. Die uitwassen werden vorig jaar aan het licht gebracht door Jason Bhugwandass, die zelf in de crisisopvang verbleef. Begin dit jaar kwam daar de kwestie in Vlaardingen bij, waar een meisje door haar pleegouders bleek te zijn verwaarloosd en zwaar mishandeld. Donderdag begint de rechtszaak tegen de pleegouders.

Uit een rapport van de inspectie bleek later dat pleegzorgorganisatie Enver in de Vlaardingse zaak veel te verwijten viel, zoals falend toezicht op de pleegouders en gebrekkige screening. Ook andere instanties, waaronder de Raad voor de Kinderbescherming, hadden steken laten vallen, met name door alarmerende verhalen van het meisje te negeren of haar niet te geloven. Als klap op de vuurpijl verscheen eind september een vernietigend rapport van twee inspecties (de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid) over jeugdbescherming en de pleegzorg in het algemeen. Er is „onvoldoende zicht op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen” en dat leidt tot „serieuze risico’s”, schrijven ze. „Te veel jeugdigen krijgen niet, te laat, of onvoldoende bescherming, begeleiding en hulp. Dit blijft onacceptabel en moet beter.”

Hulpverleningsmoe

Betrokkenen en deskundigen breken zich nu het hoofd over hoe het verder moet. Over één ding lijken ze het eens: vrijwel elke discussie over falende jeugdzorg begint en eindigt met de aanbeveling dat er voortaan niet alleen óver kinderen moet worden beslist, maar naar hen zélf moet worden geluisterd. Maar hoe?

Vast staat volgens de inspecties dat het niet schort aan de betrokkenheid en inzet van de jeugdhulpverleners zelf, die volgens hen veelal met hart en ziel hun werk doen. Wel krijgen ouders en kinderen in het huidige systeem te maken met een lange reeks hulpverleners die, als in een estafette, het stokje aan elkaar doorgeven, steeds nieuwe diagnoses stellend, tot frustratie, angst en ongeduld van ouders en kinderen, en van de hulpverleners zelf.

Pricilla de Boer. „Hoe de hulpverleners te werk zijn gegaan, heeft een traumatiserend effect gehad op ons gezin.”

Veelbelovend waren de afgelopen jaren experimenten waarin instanties samenwerkten. De aanpak is daarbij niet gericht op de onmiddellijke bestrijding van problemen in een gezin. Veeleer wordt gezocht naar het ‘verhaal’ achter de gebeurtenissen en daarover gepraat. Ook is er ondersteuning om de oorzaken van geweld te leren kennen. Helaas lijken deze experimenten voortijdig te stoppen. Instellingen voor jeugdzorg hebben zich eruit teruggetrokken, onder meer omdat de wettelijke bevoegdheden volgens hen niet goed geregeld zijn. De Raad voor de Kinderbescherming wil niet alleen tijdens een hulpverleningstraject samenwerken, maar achteraf óók een onafhankelijk oordeel over die hulpverlener kunnen blijven geven.

Met een „brede” aanpak kan hulp veel effectiever worden ingezet, als er diepgaander wordt gekeken naar waar het mis gaat binnen een gezin. Een manier om dat te bereiken is het opstellen van een zogeheten ‘gedeelde verklarende analyse’. Waar nu nog vaak jeugdzorg te hulp schiet met een enkele therapie voor een ogenschijnlijk enkelvoudig probleem, maken verschillende hulpverleners in dat geval samen met de ouders en het kind een analyse van het gezin. „Wij zijn daar ontzettend enthousiast over”, zegt Rinda den Besten, bestuurder van Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis. „Ook onze cliënten herkennen zich in wat er wordt opgeschreven, zien dat het klopt, en zetten daardoor niet de hakken in het zand.”

Te snel, stelt gedragswetenschapper Fabienne Adriaansen van Jeugdbescherming Brabant, denken hulpverleners te weten wat er precies loos is. „En ze nemen te snel beslissingen.” Zelf zweert ze inmiddels bij het opstellen van zo’n verklarende analyse, die ze „een pas op de plaats” noemt. Adriaansen: „Wij komen bij een gezin wanneer een rechter een kinderbeschermingsmaatregel heeft uitgesproken. Eerder hebben die gezinnen al van alles geprobeerd en allerlei hulpverleners zijn over de vloer gekomen. Ouders zitten met de handen in het haar en zijn hulpverleningsmoe. Wat moet je? Weer maar eens een opvoedingsondersteuning proberen? Of zit er meer achter?”

Ze geeft een voorbeeld. „Als een kind onhandelbaar is, kun je stellen dat ouders strenger moeten optreden. En je kunt van alles verzinnen voor kinderen die woede-uitbarstingen hebben of heel somber zijn. Maar wat als die kinderen wonen bij een moeder met een forse persoonlijkheidsproblematiek, die daardoor vaak met de vader botst, en er daardoor veel ruzie in huis is? Dan moet ook die moeder aan de slag. En om dat alles uit te zoeken, moet je de tijd nemen.” Laatst nog sprak ze een meisje dat verzuchtte dat ze zo graag een oudere broer had. Adriaansen: „Wat maakt nou dat ze dat zegt? Die puzzel probeer ik te leggen. Samen met haar, en met haar ouders. Ouders kennen hun gezin en kind en we hebben hen nodig om te snappen wat er aan de hand is en wat hen gaat helpen. We schrijven het verhaal van het gezin op en doen dit transparant, en in hun woorden, in begrijpelijke taal. Het is ook hun analyse.”

Gemeenten

Dan de enorme wachttijden voor behandelingen. Te vaak, signaleren deskundigen, legt de kinderrechter een ondertoezichtstelling of een voogdijmaatregel op, maar ontbreekt het jeugdbeschermers aan mogelijkheden om gezinsproblemen aan te pakken. Want er is niet alleen een tekort aan personeel en aan pleeggezinnen, ook aan behandelingen en therapieën is een schrijnend gebrek. Gemeenten moeten de jeugdzorg betalen sinds tien jaar geleden de taken werden gedecentraliseerd.

Zij spelen daarbij een kwalijke rol, signaleerden de inspecties onlangs in hun rapport over de deplorabele staat van de jeugdbescherming en jeugdzorg. Want, schreven zij, gemeenten stellen vaak nut en noodzaak van voorgestelde behandelingen en therapieën ter discussie, omdat die veel geld kosten. Die gang van zaken is „bizar”, zei Hans Faber, hoofdinspecteur bij de Inspectie Justitie en Veiligheid, bij de presentatie van dat rapport. „Op last van de rechter bepalen gecertificeerde instellingen wat voor hulp aan kind en ouders moet worden gegeven. Dat is hun wettelijke taak. Maar vervolgens gaan gemeenten zich nog eens afvragen ‘is dit nu wel nodig’. Maar de kosten van een behandeling mogen in individuele gevallen nooit doorslaggevend zijn.”

Ook hier zijn oplossingen mogelijk, meent Mariëlle Bruning, hoogleraar jeugdrecht aan de Universiteit Leiden. Aan de „impasse” kan volgens haar een einde komen als met name kinderrechters bepaalde therapieën en behandelingen dwingend zouden kunnen voorschrijven. „Geef de rechter een grotere rol.” Verder zouden gemeenten de jeugdhulp samen met andere gemeenten regionaal moeten inkopen bij de vele duizenden aanbieders van jeugdhulp die er inmiddels bestaan, en die met name op lichte therapieën winst maken. Ook, zegt ze, zou de decentralisatie van de jeugdzorg gedeeltelijk „teruggedraaid” moet worden. „Voor wat betreft de zwaardere, verplicht gestelde hulp, zoals voor jeugdbeschermingsmaatregelen.”

Jonge pleegzorgbegeleiders

Zijn daarmee de schandalen de wereld uit? Misschien niet. Want we moeten eerlijk constateren dat de kwaliteit van de zorg simpelweg tekortschiet, meent Remco Oosterhoff, directeur-bestuurder van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen. Oosterhoff: „Wat wij vaak zien, is dat een pleeggezin wordt begeleid door twintigers die juist hun opleiding ‘social work’ hebben afgerond en die bovendien een heleboel pleeggezinnen tegelijk onder hun hoede hebben. Er is ook vaak onvoldoende overleg met hun eigen pleegzorgorganisatie. Alles komt neer op die ene jonge pleegzorgwerker.”

Oosterhoff is geschrokken van wat de inspectie eerder schreef over Enver, de pleegzorgorganisatie die verantwoordelijk was voor het begeleiden van het gezin met het mishandelde meisje in Vlaardingen. Oosterhoff: „In dat rapport vertellen de gedragswetenschappers van Enver dat ze nooit in de dossiers van pleeggezinnen kijken, tenzij iets escaleert.” Letterlijk staat er: „Pleegzorgmanagers en gedragswetenschappers geven aan dat ze zich niet controlerend op willen stellen en dat het bijhouden van het dossier de verantwoordelijkheid van de pleegzorgbegeleider is.”

Oosterhoff zou willen dat er niet meer wordt gepraat over een zoveelste stelselwijziging in de jeugdbescherming en jeugdzorg, maar over de inhoud van het werk; over wat kinderen écht helpt. Oosterhoff: „Er wordt gezegd dat iedereen in de jeugdzorg goed z’n best doet. Maar je kunt tegelijk je best doen en niet effectief werken.”

Pricilla de Boer uit Nijmegen wil intussen wel van de daken schreeuwen hoe belangrijk een eigen vertrouwenspersoon voor kinderen is. „Ik heb nooit ontkend dat mijn zusje en mijn ouders hulp nodig hadden. Maar de manier waarop de hulpverleners te werk zijn gegaan, bijvoorbeeld door mijn ouders verstandelijk beperkt te noemen terwijl ze dat absoluut niet zijn, heeft een traumatiserend effect gehad op ons allemaal. Een vertrouwenspersoon zal niet alles in één keer oplossen. Maar als het kind iemand heeft tegen wie het alles kan zeggen, kom je sneller tot de kern van het probleem, heeft de hulpverlener minder werk en kost het minder geld. Ik vind dat het aanbieden van een mentor verplicht moet worden.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next