Popmuziek Muziekgoochelaar Dev Hynes alias Blood Orange plukt overal elementen vandaan om een persoonlijk verhaal te vertellen. Hij schreef hits voor anderen (Solange Knowles, Blondie, Britney). In TivoliVredenburg koos hij een bijzondere aanpak.
Devonte Hynes aka Blood Orange tijdens concert in Berlijn op 29 oktober.
Blood Orange. Gehoord: 4/11 TivoliVredenburg, Utrecht. Herhaling: 5/11 aldaar.
Een van de opvallendste coverversies van het afgelopen jaar werd dinsdag gespeeld door Blood Orange, in TivoliVredenburg, Utrecht. De Britse muzikant Dev Hynes, alias Blood Orange, koos het nummer ‘How Soon Is Now?’ (1984) van The Smiths dat bekend is om de manier waarop Johnny Marr zijn gitaar liet loeien. Dev Hynes zong een korte uitvoering, uitsluitend begeleid door zijn met strijkstok bespeelde elektrische contrabas waar een dreigende donder uit leek op te stijgen. Daarmee betoonde Hynes niet alleen eer aan een voor hem belangrijke band, The Smiths. Hij liet ook horen hoe gretig hij zoekt naar dwarse interpretaties. Want dat lijkt de kern van Hynes’ muzikale ontwikkeling: steeds zoeken naar manieren om bekende stijlen te verfrissen.
Maar zo eenvoudig is het niet. Dev Hynes is bovenal een mysterie. De Brit die ooit voorman was van de bands Test Icicles en Lightspeed Champion transformeerde – eenmaal verhuisd naar New York – onder de naam Blood Orange tot een genre-overstijgende, gevoelvolle muziekgoochelaar die overal elementen vandaan plukt om een persoonlijk verhaal te schrijven. Dat verhaal wordt verteld met fijnzinnige instrumentaties en zijn eigen wankele zangstem. De teksten over het verlangen tevreden te zijn met zichzelf, zijn eerlijk („I was just a boy in a girl’s world” in ‘Dagenham Dream’) en bitterzoet-dramatisch („And the worst is yet to come” in ‘The Train’). Die boodschap en zijn muzikale stijl leverden hem in de loop van vijf albums in veertien jaar een toegewijd publiek op. Zijn songschrijfkwaliteiten deelde hij bovendien met collega’s: van popzangeressen Solange Knowles en Britney Spears tot minimalcomponist Philip Glass, rockgroep Turnstile en coryfeeën Mariah Carey en Debbie Harry, ze hadden hits dankzij zijn inbreng.
Na optredens in het vorige decennium waarbij de schuchtere ster iets te onzichtbaar was, heeft hij nu een bijzondere aanpak gekozen. Op het toneel van de twee avonden uitverkochte grote zaal in TivoliVredenburg was een cirkel afgezet door bouwlampen. Publiek zat en stond rondom de cirkel, ook op het podium, zodat Hynes en zijn vier muzikanten omringd werden door dansende en wiegende toeschouwers. Het was alsof ze midden op de dansvloer in een club speelden.
Al is die gemeenschapszin in tegenspraak met Hynes zelf. Getooid met muts én koptelefoon, staand achter zijn keyboard in het halfduister gedraagt hij zich niet als frontman. Die taak gaf hij aan Austin Williamson en Eva Tolkin die niet alleen prachtige dialogen zingen maar ook opzwepend dansen. Ondertussen krijgt muziek de hoofdrol. Over felle drumkicks en hoekige keyboards wordt een sluier gelegd van ragfijne elektronica. Een funkritme wordt afgebogen naar een wiegende cadans. Zangpartijen in ‘Wish’, ‘Countryside’ en ‘Charcoal Baby’ ontwikkelen zich zoekend, de sfeer wisselt van hoopvol naar melancholisch. Hynes’ persoonlijke zoektocht wordt omgezet in klank, ondoorgrondelijk en ontroerend tegelijkertijd.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC